Een foto uit 1956 van het zwaar onderkomen pand ‘Estaminet Veemarkt’, hoek Grote Markt -Steenstraat te Hulst

Casimier Lambin, koekbakker of koekenbakker?

Brood-, beschuit-, koek- en kleingoedbakker Casimier Lambin had een bakkerij en bakkerswinkel op de hoek van de Steenstraat en de Grote Markt te Hulst. In de stad werd er al enige tijd gefluisterd, dat hij zijn facturen niet betaalde en dat was zijn eer te na. De achterbakse roddel en achterklap bleek zo hardnekkig, dat hij in december 1871 ziedend  naar Frederik Verwilghen, de uitgever van Het Hulsterblad, beende om een advertentie te laten plaatsen onder de veelzeggende titel ‘Laster is Laster’. Hij garandeerde, dat iedereen, bij wie hij voor welke leverantie of dienst dan ook in het krijt stond, zijn rekeningen bij hem indienen, onder het voorbehoud, dat het alleen regtvaardige rekeningen betrof. In dat geval zou hij in gangbare specie, d.w.z. 

Advertentie in Het Hulsterblad 17 december 1871, blz. 2

‘in klinkende munt’ betalen. Klare taal, al lijkt het voorbehoud ‘rechtvaardige rekeningen’ erop, dat een aantal nota’s  inderdaad niet door hem betaald was.

Cartoon van Mark Retera, 22-07-2013

Deze publieke oproep in het plaatselijk weekblad was misschien wel de beste munitie om de zwartmakerij de kop in te drukken, want heel Hulst was toch al op de hoogte van de affaire. De openlijke belofte van stipte betaling van de rekeningen zou het kernargument van de vuilspuiters onderuit halen, mits Lambin zijn woord hield. Deed hij dat niet, dan zou Jan Publiek hem nog meedogenlozer aan de schandpaal nagelen. In dat geval mocht hij zowel het ergste vrezen voor zijn goede naam als voor zijn broodwinning. Het trof in dit verband niet, dat vijftien jaar eerder op het huis van zijn vader, Louis André Lambin, eveneens broodbakker te Hulst, vanwege grote schulden beslag was gelegd en het pand daarna in het openbaar was geveild. Dit treurige voorval zal voor grote problemen gezorgd hebben in het gezin Lambin en er waren nog meer vervelende gebeurtenissen, die erop wijzen, dat Casimier geen gemakkelijke jeugd en jongvolwassenheid heeft gehad.

Casemirus Lambin werd op 16 december 1832 in Hulst geboren als het vierde kind van Louis André Lambin en Dorothea Castermans. Nadat hem eerst een eenjarig zusje was ontvallen, verloor hij op 7-jarige leeftijd zijn moeder. Zij was pas 33 jaar en liet haar man met zes minderjarige kinderen achter. Na zijn lagere schooltijd kwam Casimier terecht in de scheepvaart en huwde begin jaren ’50 (van de 19e eeuw) Bartina (of Bertina) Rosalia Sponselee uit Boschkapelle bij Vogelwaarde1. Het echtpaar woonde in Antwerpen, wat mogelijk samenhing met Casimiers’ beroep als scheepshofmeester 2.
De levenswandel van bakker Lambin verliep niet geheel vlekkeloos. Hij had als gevolg van een handgemeen aan de regter pols een teeken van een bajonetsteek en de regter ringvinger eenigsints stijf ontstaan door een steek of pistoolschot[ note]No 1, Register van het Huis van Bewaring te Hulst, toegangsnummer. 254, Strafinrichtingen Zeeland, 1809-1973, inventarisnummer 97, inschrijvingsnummer. 97; No 2, Register van het Huis van Arrest te Goes. toegangsnummer 254, Strafinrichtingen Zeeland, 1809-1973, inventarisnummer. 91, inschrijvingsnummer 805.
[/note]. Deze verwondingen waren opgetekend, toen Casimier in 1857 in aanraking kwam met justitie, op verdenking van diefstal van goederen en geld. Opgebracht door veldwachter Hendrik Mogge op 23 mei 1857, verbleef hij een paar dagen in het Huis van Bewaring te Hulst in afwachting van zijn rechtszaak. Op 26 mei volgde zijn transport naar het Huis van Arrest te Goes en – na de veroordeling – op 18 juni een enkele reis naar Rotterdam om daar zijn straf uit te zitten.

Goese Courant, 26 maart 1855.

Als gevolg van een structurele betalingsachterstand was in 1855 na beslaglegging  het huis(gedeelte) van de vader van Casimier Lambin, bij openbare veiling bij opbod verkocht om de schulden te voldoen. Deze gebeurtenis deed de reputatie van Casimier geen goed, omdat niet alleen bij zijn vader. maar nu ook bij diens zoon problemen bij de financiele verplichtingen ter discussie stonden. Hoe erg dit alles voor de persoon in kwestie ook mocht zijn: het was  koren op de molen van de notoire roddelaars.

Gedeelte van de beschrijving van het signalement van Casimier Lambin uit het signalementsregister van het Huis van Arrest te Goes op de dag van aankomst, 26 mei 1857

(Register van het Huis van Arrest te Goes nr. 2, toegangsnr. 254, Strafinrichtingen Zeeland, 1809-1973, signalementsregister, volgnommer 973)

Nadat Casimier het zeemansleven verruild had voor het bakkersbedrijf in Hulst, ging het in 1862 opnieuw mis, toen hij werd vastgezet op verdenking van diefstal gepleegd bij nacht in een bewoond huis door middel van binnenbraak 3. Na een nogal lang voorarrest van 27 februari tot 31 mei 1862 in het Huis van Arrest te Goes en aansluitend in het Huis van Justitie te Middelburg, kwam het Provinciaal Gerechtshof van Zeeland tot vrijspraak en stelde hem direct op vrije voeten. Desondanks zal ook dit incident de beeldvorming over Casimier Lambin nadelig hebben beinvloed. Behalve zijn bakkersbedrijf had Lambin, volgens een aantekening in het register van het Huis van Justitie te Middelburg, nog een andere inkomstenbron als commissionair 4.

Ruim anderhalf jaar na de boze advertentie ‘Laster is Laster’ bleek, dat de boze tongen toch het gelijk aan hun zijde hadden gehad. De Arrondissementsrechtbank te Goes verklaarde bij vonnis op 24 juni 1872 Casimirus Lambin in staat van faillissement. Een paar dagen later werd de boedel met opgave van de geschatte waarde beschreven en zoveel mogelijk verzegeld. Door de officiële kennisgeving was het direct duidelijk dat Casimier Lambin zo lang zijn schulden niet meer had betaald, dat zijn schuldeisers via de rechtbank hier een einde aan wilden maken. Vanaf nu zou de door de rechtbank aangewezen curator ervoor moeten zorgen dat de failliete boedel te gelde zou worden gemaakt om de schuldenlast zoveel mogelijk te vereffenen. Hoewel het in dit geval juridisch gezien slechts een eenvoudige bakkerij met winkel betrof, duurde het hele proces tot aan de liquidatie, de laatste fase van rekening en verantwoording, liefst vijeneenhalf jaar.

De openbare bekendmaking van het faillissement van Casimirus Lambin door het vonnis van de Arrondissementsrechtbanktte Goes op 24 juni 1872.

(bron: 29-06-1872 Het Hulsterblad 374, 1)

Mr. Petrus Hollingerus Pijpers, kantonrechter te Hulst, was belast met het beschrijven, waarderen en verzegelen van de gefailleerde boedel van broodbakker en winkelier Casimier Lambin. In tegenwoordigheid van Jan van Binsbergen, griffier van het kantongerecht en van de ongelukkige “gefailleerde” Lambin nam het werk twee dagen in beslag. Van de inventaris werd een officieel ambtelijk verslag opgemaakt (het proces-verbaal), waarin werkelijk alles minutieus was opgetekend. Alle tot het faillissement behorende eigendommen moesten immers ten bate van de schuldeisers zo goed mogelijk te gelde worden gemaakt. In het pand Steenstraat/hoek Grote Markt (destijds wijk B43) werden de goederen “met rood lak en wit lint en het gewone zegel van het Kantongerecht” verzegeld. Sommige boedeldelen die“niet vatbaar voor verzegeling”, waren, omdat zij bijvoorbeeld te groot waren, zoals stapels brandhout, kwamen onder toezicht en bleven deel van het faillissement.

(foto: rkd.nl/images/180469, Nederlands Instituut voor
Kunstgeschiedenis, Fotoalbum 2e Kamerleden ca 1875)

Het begin van het proces-verbaal van de failliete boedelbeschrijving van Casimirus Lambin en zijn echtgenote Bartina Sponselee, opgemaakt op 26 en 27 juni 1872.

(Zeeuws Archief, Faillissementsdossiers rechtbanken 1815-1939, toegangsnr. 700, Arrondissementsrechtbank Goes, Inventarisnr. 345.)

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl, documentnr. 65224; fotograaf G. Th. Delemarre.)

Op deze foto uit oktober 1956 met het hoekpand ‘Estaminet Veemarkt’ (destijds wijk B43, nu Steenstraat 2) heeft het gebouw zijn beste tijd wel gehad. Als we de zeer karige en sjofele boedelbeschrijving uit het faillissementsdossier mogen geloven, was het in 1872, toen Lambin er zijn bakkerij, bakkerswinkel en woonruimte had, met de staat en inrichting van dit perceel niet veel beter gesteld. Uit het proces-verbaal bljkt, dat de begane grond was verdeeld in winkelgedeelte, een kamertje als bergplaats, een grotere zitkamer en nog een vertrekje met een bedstee. Er was sprake van een klein buitenplaatsje met stal met verscheidene berghokjes en ruimte voor takkenbossen als brandhout voor de oven, die mogelijk ook op dit achterplaatsje was. De eerste etage had drie slaapkamers, waar de kantonrechter en de griffier in een ervan de persoon van Gilles Cappendijk aantroffen. Hij gaf aan de eigenaar van het pand te zijn en woonde in de kamer, waar hij zich bevond. Gilles claimde, dat alle roerende zaken in het vertrek zijn eigendom waren en stond een visitatie daarvan niet toe. De zolder was in gebruik als opslagruimte voor meel, rijst en allerlei grutterswaren. Hoewel de vertrekken in het huis alle een duidelijke eigen functie hadden, waren ze allemaal deels of helemaal in gebruik om met name bakkerijgerelateerde producten te stouwen.

(Zeeuws Archief, Faillissementsdossiers rechtbanken 1815-1939, toegangsnr. 700, Arrondissementsrechtbank Goes, Inventarisnr. 345.)

Het document van de boedelbeschrijving in het woon-winkelpand van de twee schuldenaars Lambin is een triest getuigschrift van het leven van een echtpaar, dat over een periode van jaren was afgegleden in een neerwaartse spiraal van geploeter in de broodwinning zonder het hoofd boven water te kunnen houden. Op een geschilderd kabinet en een bureau na trof de kantonrechter nauwelijks iets van waarde aan. In plaats van een ameublement was alleen sprake van een paar stoelen en wat tafeltjes; een minimale inhoud in de weinige kastjes, deels beschreven als ‘ los goed’ en ‘rommel’; in de bedstee wel  beddegoed, maar van enige verdere uitzet werd niet gerept; wel een mand met oude kleding, maar geen voorraad kleren in een kast; geen servies, wel losse kop en schotels en verspreide huisraad; geen geldkistje, alleen wat los muntgeld in broek- en schortzak; een keukenvertrek met inventaris komt in de beschrijving niet voor. Het overgrote deel van de beschreven roerende  eigendommen bestond vanzelfsprekend uit bakkersgereedschap en bakkerijgrondstoffen. Met name het bakkersmateriaal lag door het hele huis verspreid, soms in flessen, blikken, dozen en zakken, maar veelal los zonder enige verpakking. Zo wordt in bovenstaand fragment onder meer vermeld “negen en dertig chinasappelen, zestien citroenen; “drie en zestig koeken in soorten”. Merkwaardig genoeg was er in de schappen en op de winkeltoog veel minder aan koopwaar als koekjes, peperkoek, chocolade, suikerbonen e.d. aanwezig, dan overal elders in het huis. Meermaals zijn producten bedorven, zoals hierboven “een mandje met verrotte citroenen”. Het geheel komt  nogal wanordelijk, ongeorganiseerd en vies over, precies alsof de Lambins de hoop al langer hadden opgegeven.

Vier maanden na de boedelbeschrijving op 26 en 27 juni 1872 verscheen op 12 oktober in het Hulsterblad de aankondiging van curator Augustinus van Waesberghe, kandidaat-notaris te Hulst, dat deurwaarder De Ridder op 31 oktober zou trachten de gefailleerde boedel van Casimirus Lambin in het openbaar te verkopen. De  opsomming was kort, want het aangeboden spul stelde niet veel voor. We weten precies, wat de opbrengst was, want die werd later uiteraard zorgvuldig genoteerd in de balans bij de rekening en verantwoording t.b.v. de liquidatie (8 november 1877).

(Zeeuws Archief, Faillissementsdossiers rechtbanken 1815-1939, toegangsnr. 700, Arrondissementsrechtbank Goes, Inventarisnr. 345.)

Zonder bezit in de vorm van onroerend goed (een huis, grondbezit), waardepapieren, ontvangen rente e.d. leverde de schamele boedel van het echtpaar Lambin ƒ 427,95 op, welk bedrag vermeerderd kon worden tot ƒ 602,-  door nog aangefroffen muntgeld, het innen van een paar openstaande facturen door de curator en de opbrengst van drie elders opgeslagen stapels brandhout voor de oven. 

Het informeren van de schuldeisers en het onderzoek naar de juistheid van hun vorderingen was voor de curator veel tijdrovender dan de afwikkeling van de beschrijving en de verkoop van de failliete boedel. Lang niet altijd waren alle schulden bekend en daarom verschenen er in verschillende dag- en weekbladen openbare aankondigingen van  faillissementen en uitnodigingen om op  bepaalde dagen in een bepaalde rechtbank te verschijnen “tot verificatie hunner vorderingen”. Deze oproepen werden een aantal keren en voor verschillende datums herhaald. De curator moest immers bepalen of de vorderingen echt waren: is een rekening authentiek, zijn bestelde goederen geleverd, heeft de levering voor of na het faillissement plaatsgevonden, komen de administratie’s van de schuldeisers en schuldenaars overeen? De waarheidsvinding kon, afhankelijk van de complexiteit van het bepalen van de echtheid van een vordering, korter of veel langer duren. Meestal verschenen beide beide partijen op de verificatievergaderingen om met hun toelichting om de schulden vast te laten stellen. De meeste schuldeisers kwamen zelf of lieten zich vertegenwoordigen, sommigen handelden de verificatie  schriftelijk af. In het bankroet van Casimirus Lambin verschenen negenentwintig schuldeisers om hun vorderingen te laten verifieren. Zeven van hen hadden grote tot zeer forse bedragen te goed; E. Brugman uit Rotterdam ƒ 467,45; drie schuldeisers uit Amsterdam respectievelijk ƒ 491,12, ƒ 401,56 en 710,84; J. Heijndrix uit Brugmolen ƒ 538,-; Van Beest uit Delfshaven ƒ 350,-; Th. Stokes uit Utrecht ƒ 662,75. Samen met de claims van de tweeëntwintig andere schuldeisers bedroeg het totale bedrag aan niet betaalde facturen met ƒ 5680,96, bijna het tienvoudige van de opbrengst van de failliete boedel. Op grond hiervan was het nu al duidelijk, dat allen, die iets te vorderen hadden, achter het net zouden vissen. De gedupeerde crediteuren moesten, zoals eerder al vermeld, in dit bankroet ruim vijf jaar wachten (tot 8 november 1877) om te horen, dat ze niets van hun schuldvorderingen zouden terugzien. Uit de dossierstukken is op te maken waarom het moment van de liquidatie zo lang op zich liet wachten.

Advertenties van de curator in de Goesche Courant uit augustus 1872 (links) en september 1872 (rechts) aan de schuldeisers in het faillissement van Casimirus Lambin. 

Terwijl de afwikkeling van het bankroet zich buiten de openbaarheid voortsleepte, woonde de gewezen bakker nog bijna twee jaar onafgebroken in Hulst. Waar hij verbleef en of hij zijn gezin (bij het faillissementsvonnis op 24 juni 1872 was zoon Carolus 16 jaar en dochter Maria 12 jaar) zelf kon onderhouden of dat familie of armenzorg zich over hen ontfermde, onttrekt zich aan onze waarneming. Het onfortuinlijke gezin woonde in ieder geval vanaf eind maart 1874 niet meer in het pand op de hoek van de Grote Markt en de Steenstraat, volgens een advertentie in het Hulsterblad had horlogemaker Bernard Moors daar rond die tijd zijn nering geopend5.

Nog eenmaal deed Casimier Lambin in Hulst van zich spreken en alweer in een door hem zelf opgeroepen sfeer van ‘laster’.De aanleiding was de aanhouding op 19 juli 1873 in Hulst van de van paardendiefstal verdachte Florent Strooband, landbouwersknecht te Sint Jansteen, door wachtmeester der marechaussee De Le Lijs . Deze Strooband liet zich echter niet zomaar in zijn kraag vatten en omdat de politieman alleen was, liep de arrestatie uit op een hevige worsteling, waarbij De Le Lijs minutenlang vergeefs de hulp inriep van omstanders. Het Hulsterblad, dat het voorval uitvoerig versloeg, wist te melden, dat ook de in het publiek aanwezige Casimier Lambin geen hand uitstak. Zelfs niet toen de in het nauw gebrachte politiemande onfortuinlijke  broodbakker bij zijn naam noemde en hem wanhopig toeriep “Help me toch, het is de paardendief”. Uiteindelijk schoten bierbrouwer Honoré Fassaert en hoofdonderwijzer W. Buitendorp uit Clinge toe en wisten samen met de marechaussee de dief te overmeesteren en af te voeren naar het Huis van Bewaring6. De plaatsing van het krantenartikel, dat ook nog eens gretig werd overgenomen door andere dagbladen, was alweer voldoende om Lambin de gordijnen in te jagen en reeds in het volgende nummer van de Hulster krant stond een ingezonden advertentie, waarin Lambin de “Weledelen Heer Redacteur van het Hulsterblad” betichtte van “laster’:

De tweede advertentie van Casemirus Lambin in twee jaar tijd in Het Hulsterblad wegens vermeende ‘laster’.
(Het Hulsterblad 02-08-1873, 431, 2).

Op 13 maart 1874 hielden Casimier Lambin en zijn echtgenote Bartina Sponselee het in Hulst voor gezien. Het gezin vertrok met dochter Maria, maar zonder zoon Carolus naar Antwerpen. Eind juni 1874 kwam het echtpaar zonder de dochter voor een verblijf van een maand terug, wellicht om nog wat zaken af te ronden en in ieder geval om hun zoon mee terug te nemen naar Antwerpen (30 juli 1874). Vader, moeder en dochter kwamen nooit meer terug, maar opmerkelijk genoeg liet de nog maar 18-jarige Carolus Lambin zich in Hulst inschrijven op 20 november 1874 onder vermelding van het beroep ‘ bakker’, samen met zijn echtgenote Anna Moermans Op 8 april werd hun zoon Josephus geboren en op 19 juni 1875 vertrok het gezin naar Antwerpen. Hierna wordt het spoor dunner maar is nog enigszins te volgen vanwege de voortdurende verhuizingen. Bartina Sponselee vertrok na anderhalf jaar uit Antwerpen en werd in het bevolkingsregister van Rotterdam op 7 februari 1876 als ‘gezinshoofd’ ingeschreven met dochter Maria Johanna op het adres Bogaertstraat 47. Haar man Casimier woonde op dat moment dus niet bij haar en de reden waarom lezen we in zijn registratie als ‘gezinshoofd’ op 17 juli 1877. Bij de inschrijving staat onder ‘vorige woonplaats’ aangegeven “Stoker op de Cornelis de Wit”. Op enig moment moet Casimier Lambin in Antwerpen aangemonsterd zijn op een schip vlak voor zijn inschrijving op 17 juli 1877 uit de scheepsdienst zijn ontslagen. 

Middelburgsche Courant 02-11-1877, 2

Casimier en Bartina woonden nog steeds in Bogaertstraat 4 te Rotterdam toen begin november 1877 in een aantal dagbladen de laatste stap in het faillissement werd aangekondigd: het afleggen van rekening en verantwoording door de curator. Op 8 november 1877, de zittingsdag in de Arrondissementsrechtbank te Middelburg, hadden noch de ‘gefailleerde’ Lambin, noch de schuldeisers gehoor gegeven aan de uitnodiging om te verschijnen. Waarom ook? Casimirus 

Lambin was zijn zijn roerende goederen, maar ook zijn zeer grote schulden al kwijt geraakt en de crediteuren staken echt geen tijd en geld in een reis naar Middelburg in de wetenschap hooguit een grijpstuiver te krijgen. Niet alleen oversteeg het totaalbedrag van de schuld van Lambin de opbrengst van zijn failliete boedel met bijna het tienvoudige, maar ook had de afwikkeling van de kosten van het faillissementsproces voorrang op de vorderingen van de schuldeisers.

(Zeeuws Archief, Faillissementsdossiers rechtbanken 1815-1939, toegangsnr. 700, Arrondissementsrechtbank Goes, Inventarisnr. 345.)

Bovenstaand detail uit de ‘rekening en verantwoording’ in het bankroet van Casemirus Lambin toont de  kostenposten i t/m m, die direct te maken hadden met de afwikkeling. Het totaalbedrag van ƒ 545,37 was bijna net zo hoog als dat van de verkochte boedel ƒ 602,17. Bij een faillissementszaak was dan ook een scala aan administratieve en personele kosten, waarvan de curator er geen enkele over het hoofd zag: bijvoorbeeld de honoraria voor griffiers, rechters, deurwaarders, de curator zelf, reiskosten, briefpost, telegrammen, verzegeling en inventarisatie van de boedel, vergoeding voor de bewaarders van de niet verzegelde boedelonderdelen, advertenties, veiling kosten van de verkoop van de boedel. Het te verdelen bedrag, dat ten slotte overbleef voor de gedupeerde crediteuren was een beschamende 1% van het totaalbedrag van de vorderingen. Voor de schuldeisers zat er niets anders op dan de oninbare vorderingen af te boeken.

(fotos.serc.nl/zuid-holland/rotterdam/rotterdam-20381)
De Lange Pannekoekstraat in Rotterdam

De Lange Pannekoekstraat in de jaren ’30 van de 20e eeuw, het tweede onderkomen van de Lambin’s in Rotterdam

Vier dagen na de finale liquidatie van het faillissement overleed Casimiers echtgenote Bartina Sponselee op 50-jarige leeftijd. Ongeveer anderhalf jaar later trouwde hij met Angenietje van der Net (02-04-1879) en nog steeds werd er veel verhuisd. In Rotterdam van de Lange Pannekoekstraat, naar de Maaskade en de Eendragtstraat. In 1884 naar Asperen, 1886 naar Den Haag enin 1890 weer terug naar Rotterdam en als laatste woonplaats opnieuw Den Haag. Op 10 augustus 1907 stierf Casimirus Lambin in deze stad, 74 jaar oud. Van het bakkersvak is het nooit meer gekomen en Casimier is nog lang ‘stoker’ van beroep geweest, hetzij op een schip, hetzij op een locomotief. Mogelijk hing de gedurige verandering van adres samen met zijn beroep of het was een symptoom, dat het financieel nog steeds niet goed ging.

Faillissementen bij kleine neringdoenden en handelaren waren helaas geen incidentele gebeurtenissen. Wie in het Zeeuws Archief de chronologische dossiers doorneemt komt voor Hulst en andere gemeenten zelfs over korte perioden veel gevallen van bankroet tegen. Men had eerst inventaris, gereedschappen en grondstoffen gekocht voor alles wat tot het vak en winkel behoorde om te kunnen starten. Als de inkomsten dan tegenvielen  kwam de nering al snel in een vicieuze cirkel terecht. Facturen werden steeds later of helemaal niet meer betaald, terwijl er toch voortdurend materialen ingekocht moesten worden om te  blijven verdienen. Bij de almaar toenemende schulden tegenover de ontoereikende inkomsten was de situatie op een bepaald moment onhoudbaar en vroeg de schuldenaar of de groep schuldeisers een faillissement aan. Winnaars waren er bij een bankroet zelden, omdat de openbare verkoop vande boedel en onroerend goed (als dat er al was!) doorgaans veel lager was dan het totaalbedrag van de crediteuren. Daarnaast werden van de opbrengst alle tot het faillissement behorende activiteiten, zoals administratei, juridisch personeel, reis- en portokosten, met voorrang betaald uit de opbrengst van de inboedel. Voor de betrokken gezinnen was een bankroet een persoonlijk drama. Men was de schulden dan wel kwijt, maar ook de broodwinning, je hele huisraad, eventueel je woning en sociaal gezien je goede naam.
In dit verband had Casimier Lambin zijn reputatie al verspeeld voordat hij op de fles ging. Hij trok via adverteren in het Hulsterblad fel van leer tegen de laster over wanbetaling van zijn kant op het moment dat hij al langer diep in de schulden stak en feitelijk insolvent was. Het leedvermaak en kwaadaardig geroddel over de financiële rampspoed van Lambin was uit het oogpunt van fatsoen erg laagharig, maar de addertongen hadden wel gelijk en dus was het geen laster. Het lot van de ongelukkige bakker en zijn gezin was een persoonlijke tragedie, maar hij had zich in zijn advertentie danig overschreeuwd.

Anna en Elisabeth Hattinga, Hulst eind 17e begin 18e eeuw

Een Zeeuws-Fries gezin in beeld

Portretten van het gezin Hattinga

De vier pendanten weer voor het voetlicht

De uit Sneek in Friesland afkomstige Abdias Hattinga was sinds 1694 predikant van de Nederduitsch Gereformeerde Kerk 8 in de gemeente Midwolde-De Leek in Groningen. In het uiterste zuidwesten van de Verenigde Provinciën kwam in 1702 in Sluis een predikantenplaats vrij en het was – en is nog steeds – gebruik, dat een kandidaat niet zelf solliciteert, maar door het bestuur van de kerkelijke gemeente, de kerkenraad, wordt ‘beroepen’ om het ambt te aanvaarden.
De keuze viel op de ‘dienaar van woord Gods’ in het verre Midwolde, die met zijn gezin en inboedel een flinke reis van zo’n 380 kilometer van Groningen naar Staats-Vlaanderen moest maken om zijn nieuwe ‘bediening’ te bereiken. De echtgenote van Abdias’, Maria Thielenius, was een uit Middelburg afkomstige Zeeuwse van aanzienlijke afkomst en zij kwam als gevolg van de verhuizing veel dichter in de buurt van haar familie te wonen. In het jaar voor de afreis naar Staats-Vlaanderen lieten de gezinsleden zich portretteren: vader Abdias, moeder Maria, de dochters Anna en Elisabeth en zoon Willem Tiberius.
Van dochter Catharina Maria is geen portret overgeleverd.

De verbindende schakel met Hulst werd later Willem Tiberius Hattinga, die hier ter stede als geneesheer, schepen, burgemeester en – samen met zijn zoons – als cartograaf een belangrijke rol speelde. Veel later hebben zijn nakomelingen deze doeken geschonken aan het Streekmuseum De Vier Ambachten in Hulst.
Met recht hingen de vier doeken geruime tijd als ‘pendanten’ 9 naast elkaar in een van de zalen van het museum, zij het zonder enig biografisch en iconografisch bijschrift. Eerst  heeft men deze thematische rangschikking losgelaten door drie van de vier schilderijen op te bergen in de archiefruimte van het gemeente Hulst. Daardoor hing in de zgn. ‘vestingkamer’ alleen nog het portret van Willem Tiberius, zonder enige samenhang te midden van andere objecten. Als gevolg van de verhuizing van het museum naar een ander gebouw in 2022 en een volledig nieuwe opzet van de presentatie zijn de vier schilderijen definitief uit beeld.
Dit artikel brengt de vier beeltenissen uit het Fries-Zeeuwse gezin Hattinga opnieuw samen voor het voetlicht, ieder met een korte levens- en beeldbeschrijving.

Handtekening W. Arentsen fecit, 1701 Hulst schilderij Hattinga

Streekmuseum De Vier Ambachten Hulst, foto auteur.

Het schilderij  met de zusjes Elisabeth en Anna is gesigneerd en gedateerd – in oud-Nederlands schrift – met W. Arentsen fecit (heeft het gemaakt’ 1701.
Van deze niet nader te identificeren schilder is ook een aantekening bewaard gebleven met de vermelding, dat hij enige portretten voor de familie heeft gemaakt
10. Ten slotte zijn er sterke stilistische overeenkomsten tussen de schilderijen. Om deze drie redenen ligt het voor de hand te veronderstellen, dat ze alle vier in 1701 zijn gemaakt, vóór het vertrek naar Sluis. De kwaliteit van de doeken behoort niet tot het topsegment der grote meesters.

Abdias Hattinga
(gedoopt te Sneek 7 februari 1664 – begraven te Amsterdam 29 september 1731)

Tijdens een reis in 1731 naar Amsterdam om bij gegoede burgers goede gaven te verwerven voor het afgebrande weeshuis in Sluis werd dominee Abdias Hattinga ernstig ziek en stierf aldus ‘in het harnas’. Zulke onbaatzuchtige sociale bewogenheid was typerend voor hem en had hij in 1715 al geëtaleerd met bijeen gebedelde fondsen voor de herbouw van de in 1708 door het vuur verteerde kerk in Waterlandkerkje.
Maar deze Bedienaer des Godlijcke Woorts had ook een veel minder aangename kant. Dertien jaar lang zocht hij de keiharde confrontatie met dominee Johannes van Leeuwen, zijn ambtgenoot in Sluis. Voortdurend beschuldigde hij hem van valsche leeringe en maakte  hij hem ook met nog andere verdachtmakingen zwart. Bij iedere bemiddeling of onderzoek door de kerkenraad, het stadsbestuur en de classis 11, kon of wilde Abdias zijn aantijgingen niet hard maken. Toch kwam hij hier steeds mee weg en zijn pennenstrijd en ordinaire scheldpartijen hielden aan.
Ook al ontving hij als predikant een ruim salaris, toch zat het gezin voortdurend in grote financiële problemen door het krampachtig ophouden van de status van de hoogste kringen, waartoe het geslacht van zijn echtgenote behoorde. Abdias had veel landbouwgrond in erfpacht 12 en in eigendom had en leek aldus voor de buitenwereld rijk, maar de aanzienlijke rente op de geldleningen en de pachtbetalingen hingen als een molensteen om zijn nek. Tot overmaat van ramp probeerde hij een grote financiële klapper te maken met een bizarre onderneming. Hiervoor reisde hij af naar St. Petersburg in Rusland, waar hij nota bene de tsaar wilde overhalen om te participeren in zijn hersenspinsel van een soort ‘Russisch-Staats-Vlaamse-West-Indische Compagnie’. Abdias had zich leugenachtig als diplomaat aan het hof geïntroduceerd en werd per omgaande het tsarenrijk uit gezet. Dit fiasco zorgde voor een gigantische toename van zijn passiva, die na zijn overlijden door zijn kinderen moest worden vereffend. Het structurele gekrakeel als gevolg van Abdias’ theologische starheid en het obsessief najagen van de utopie van rijkdom en verhoging van status, kenschetsen hem als een tamelijk tragisch figuur.

Abdias Hattinga 13 laat zich portretteren als een religieus en geletterd man, zich bewust van zijn status en verkerend in welstand. Er is bijna geen perspectief, zodat zijn gestalte centraler en dominanter overkomt. Het minieme doorkijkje naar een muur met schilderij achter een nauwelijks zichtbaar dik gordijn met kwasten oogt dan ook vooral gesloten.
Zoals gebruikelijk bij de elite is hij weergegeven in kniestuk 14, gehuld in een dik gevoerde luxe kamerjas met een gewonden lichtbruine rand en onder de hals een opvullende witte sjaal. Dit lange huisgewaad, behorend tot het negligé, is een Japonse rok’ 15. Deze uit één stuk gesneden robe tot op de enkels maakte de man langer en dus voornamer en is daarom een favoriet trucje bij portretschilderingen uit die tijd. De geschilderde rijke burgerij droeg een veel kleurrijker huisjas dan Abdias, maar diens donkere uitstraling moest tegelijk én welstand én passende ingetogenheid van zijn ambt van predikant uitdragen.
Behalve de Japonse jas was ook de ‘paruyck’ met lang weelderig krullend haar een waardige uitdrukking van mannelijkheid en tevens een zeer kostbaar accessoire
16. Het volumineuze haarwerk accentueert de strenggelovigheid, eigenzinnigheid en koppigheid in de gezichtsuitdrukking van de 37-jarige dominee. 

Abdias Hattinga
Bron: data.collectienederland.nl

Met de linkerhand voor de borst blijft het jaspand op zijn plaats, de rechterhand rust op een lijvige en dikke pil, kennelijk een bijbel of diepgaand theologisch werk, als verwijzing naar zijn functie en levensbeschouwing.
Een haast vochtig en gekreukeld wit papier ligt voor het boekwerk over de tafel gekruld, met links een deel van een woord: ‘Theol…’. Op het tafeltje met een fel contrasterend rood-oranje kleed zien we de linkerkant van een ‘Raadsheertje’, een robuust tinnen inktstel, annex kenmerkend statussymbool voor ‘heren van stand’. Het deksel van de inktpot is geopenden in een van beide flankerende ronde openingen steekt een gebruikte ganzenveer: de eigenaar is immers behalve gegoed ook een intellectueel, die veel moet ‘pennen’. Onderaan zit een lade voor nog meer ‘penneveren’ en rechts is een stukje van de geperforeerde bovenkant van de uitneembare zout- of zandstrooier zichtbaar. Na het schrijven kon hiermee zout of dun zand over het papier worden gestrooid om de inkt sneller te laten drogen en daarmee de kans op uitvlekken te beperken.

Maria Thielenius
Bron: data.collectienederland.nl

Maria Thielenius
(gedoopt te Middelburg 1 juli 1659 – begraven te Sluis 15-08-1724)

Zowel van de zijde van haar vader Willem Thielenius, als van haar moeder Elisabeth de Jonge, vrouwe van Bruinisse, was Maria verbonden met invloedrijke en vermogende families in het gewest Zeeland. Door haar huwelijk met legerkapitein Dominicus Acronius van Buma in 1684 belandde zij in Friesland en werd na acht jaar huwelijk weduwe. Door zijn huwelijk met Maria in 1694 had Abdias Hattinga het als Maria’s tweede echtgenoot een bijzonder goede partij getroffen. Te Midwolde, waar Abdias predikant was, kreeg het gezin vijf kinderen, van wie het laatste, een dochter, al snel overleed. Sinds de verhuizing naar Sluis in 1692 namen de onkosten voor het gezin enorm toe, omdat de stand ten koste van alles hooggehouden moest worden en het moet Maria wel eens te moede zijn geweest, dat haar man er financieel zo’n puinhoop van maakte. Haar wilskracht was ongetwijfeld groot, want zij hield het gezin draaiende ondanks de groeiende schuldenlast en de merkwaardige capriolen, die Abdias als ondernemer uithaalde.
Met het overlijden van Maria in 1724 ontviel het gezin zijn essentiële steun en toeverlaat.

Het portret van Maria Thielenius straalt evenals dat van haar man voornaamheid uit, maar minder uitbundig. Een geplooide zwarte doek met kwasten vult de hele achtergrond. Maria is in kniestuk afgebeeld, haar lichaam iets naar links gewend naast opnieuw de tafel met het rood-oranje kleed. Onder haar grijsgroene japon van een dure stof draagt zij een dik gewatteerd wit onderkleed, dat aan haar linkerarm vanaf de elleboog prominent wordt weergegeven. Maria draagt geen luxe damespruik, maar heeft integendeel een zwart kort opgestoken kapsel, wat wel natuurlijker, maar minder gedistingeerd overkomt. Nonchalant plooit een over haar rechter schouder geslagen zwarte draperie naar voren, wordt beneden door de rechterhand licht beroerd en verdwijnt onderlangs naar achteren. De rechter elleboog rust op de tafel, waarop een zeer dik boekwerk met verguld medaillon op de boekband en dito boeksloten als het ware pronkt: wie mij kan permitteren, moet heel gefortuneerd zijn. Een verwijzing naar de belezenheid van Maria ligt hier evenzeer voor de hand.

Anna Hattinga
(gedoopt te Midwolde 16 mei 1695 – begraven te Sluis 10 december 1705)

Elisabeth Hattinga
(gedoopt te Midwolde 6 mei 1697 – begraven te Sluis 14 december 1760)

Op dit dubbelportret zijn de zusjes in zittende houding afgebeeld, Elisabeth links, Anna rechts. Hun lichamen zijn iets naar elkaar toegekeerd, hun hoofden enigszins van elkaar weg. Net zoals hun moeder dragen de kinderen een japon met een witte geplooide halskraag en een wollige witte onderjurk. Om de beige jurk van Elisabeth zweeft losjes een rijk geplooide rood-roze draperie en haar onderarmen houdt ze vluchtig voor haar borst. Speels steekt het meisje haar linkervoetje naar voren, dat met een knipoog naar de Romeinse tijd geschoeid is met de solea[ note]Aan de voorkant begint het vlechtwerk met een leren riempje, dat – zoals bij teenslippers – tussen de grote en de tweede teen doorloopt, gevorkt over de wreef gaat, daarna om de hiel wordt gewonden en  verder omhoog aan het onderbeen vastgestrikt.[/note], een schattig open gevlochten sandaaltje. De lichtblauwe jurk van Anna wordt over haar rechter schouder en linker been omsluierd

Schilderij zusjes Anna en Elisabeth Hattinga, begin 18e eeuw
Bron: data.collectienederland.nl

door een lichtgrijze draperie, die naar voren weelderig geplooid afhangt. Op haar schoot, een veilige plek, ligt tegen haar linker onderarm een wit-bruin gevlekt hondje, een veelgebruikt symbool van vriendschap en trouw. Het hondje is door zijn ligging in de schoot mogelijk ook een verbeelding van het bewaken van de maagdelijke onschuld. Op de voorgrond verbindt een los bloemtakje met een roze roos en een wit bloempje de zusjes met de vreugde van het jonge leven. Maar de twee reeds afgevallen bloemblaadjes veronderstellen ook de vergankelijkheid van het leven. Dat gold in ieder geval voor Anna, die maar tien jaar oud werd.

Toen hun vader in 1731 stierf moesten Elisabeth, Catharina Maria en Willem Tiberius als erfgenamen de nalatenschap afwikkelen en maar hopen, dat het bedrag van de credeten hoger was dan dat van de debeten. Toen na enkele jaren van verkopen en rekenen de balans was opgemaakt, viel het resultaat met zo’n 300 gulden per persoon bar tegen.
Elisabeth kon in haar huwelijk op 13 juli 1734 met Mattheus de Vey, stadsschepen en administrateur van de gereformeerde diaconie (armenzorg) dan ook geen grote bruidsschat inbrengen. Het echtpaar bleef in Sluis wonen, hun enige dochtertje stierf al na acht maanden. De niet op een portret overgeleverde Catharina Maria Hattinga stierf ongehuwd in 1737 op 39-jarige leeftijd.

Willem Tiberius Hattinga
(gedoopt te Midwolde 1 januari 1700 – overleden te Hulst 12 november 1764)

De enige zoon van Abdias en Maria is een van die uitzonderlijke voorbeelden van arbeidzame mensen, die met een tomeloze energie in staat zijn gelijktijdig veel uiteenlopende activiteiten op kwalitatief hoog niveau te ontplooien.
Na een succesvolle studie geneeskunde aan de universiteit van Leiden (1718-1724) bij de vermaarde Herman Boerhaave, was Willem Tiberius legerarts in achtereenvolgens Lillo, Tholen en op Zuid-Beveland. Door de werkzaamheden van zijn vader bij inpolderingen en bedijkingen groeide bij hem al jong een voorliefde voor de geologie en cartografie van Staats-Vlaanderen. Tijdens zijn studie medicijnen professionaliseerde hij zich in het kaarttekenen bij de wiskundige Gravesande. Binnen de kleine leefeenheid van het fort ontmoette Willem al snel Anna Maria Coutry, dochter van de plaatselijke dominee, die hen op 13 mei 1728 in de fortkerk in het huwelijk verbond.
Vanaf eind 1748 tot aan zijn overlijden was Willem Tiberius werkzaam in Hulst, waar hij zijn beroep als arts met een privépraktijk combineerde met verschillende medische functies in dienst van de stad en van Hulsterambacht. Tegelijk had hij ook tijd voor een indrukwekkende reeks bestuurs- en kerkelijke ambten als schepen, burgemeester, griffier, kerkmeester en ouderling. Ongevraagd en onbezoldigd maakte hij veel werk van het ordenen van officiële documenten en het herschrijven ervan, omdat er vaak onleesbaar prulwerk bij zat 17.
Al die tijd draaide thuis cartografisch bedrijf door, waarin vader Willem Tiberius vooral kaarten kopieerde en zijn zoons veel opmeetwerk ter plaatse deden. Het trio ontving veel militaire en civiele opdrachten voor onder andere het in kaart brengen van het gewest Zeeland en Staats-Vlaanderen. Vanaf 1761 namen Willem Tiberius’ krachten snel af en trok deze zeer dynamische man zich uit steeds meer functies terug. Hij rust in een eigen graf in de koorkerk van de basiliek te Hulst.

Portret van Willem Tiberius Hattinga, begin 18e eeuw
Bron: data.collectienederland.nl

Peuter Willem Tiberius 18 is, zijdelings leunend op zijn rechter elleboog, weergegeven tot aan heuphoogte 19 met daaronder de suggestie van het ‘contrapposto’: het linkerbeen draagt het gewicht (standbeen), het andere been steekt ontspannen iets naar voren (speelbeen). Dit is de klassieke wijze van het weergeven van een natuurlijke lichaamshouding. De heup boven het standbeen is wat lager dan de heup boven het speelbeen, de schouder boven het standbeen is wat lager dan die boven het speelbeen. 
De scheve lichaamshouding wordt door het ‘tegengesteld plaatsen’ (contra-post) voor het oog weer in evenwicht gebracht, wat harmonieus en natuurlijk overkomt. Dit geldt ook voor de afwisseling hoofd naar rechts, bovenlichaam naar links, onderlichaam naar rechts.
Het mollige hoofdje is getooid met een volle bos blonde krullen. Het roodbruine jurkje, lange tijd een zeer gebruikelijk kledingstuk voor een jongetje, doet in de afwerking op de rechterschouder denken aan een Romeinse soldatentuniek. Zowel zijn tweede naam Tiberius als het roze-rode tuniekje ‘à l’antica’ zijn weer knipoogjes naar de Romeinse tijd. Tegen zijn borst omvatten beide handjes een gevlochten rieten mandje met overgrote druiven en perziken, hem symbolisch vreugde en vruchtbaarheid voor het leven wensend.

Vrouwelijke dompteur met leeuwen, begin 20e eeuw

Het oude Rome in Hulst

De najaarskermis te Hulst in 1906

Als de najaarskermis in Hulst niet aansloot op de kermis in Terneuzen, lieten veel spullenbazen de vestingstad links liggen. Dan werd er flink gemopperd, want het aantal attracties was in dat geval bedroevend klein en dat gold met name voor de grotere, meer spectaculaire kermisinrichtingen . In 1906 begon de kermis gelukkig op zaterdag 29 september, in dezelfde week waarin die van Terneuzen eindigde en de correspondent van het Hulsterblad constateerde tevreden dat het volksvermaak veel goeds beloofde en mogelijk de vorige oktoberkermis zou overtreffen. Een van de publiekstrekkers was de stoomcarrousel van Peeters-Vincken, die voor de oktoberkermis een standplaats in Hulst gereserveerd had. In deze attractie stond de draaimolen in een ruime tent met een pronkerige voorgevel. De binnenruimte was voorzien van een bar met talloze zitjes rondom de carrousel en het geheel baadde in een zee van elektrische lampen. 

Advertentie voor de stoomcarrousel van Peeters-Vincken in de Hulsterse krant Zelandia. Eigenaren van kermisattracties maakten veelvuldig reclame voor hun vermakelijkheden met  advertenties in de lokale pers.

(Zelandia, zaterdag 29 september 1906)

Foto uit 1905 van de kermisbioscoop van Antoon Wegkamp. In 1906 brandde de attractie af op de kermis in Terneuzen in de week voordat ze naar Hulst zou komen.

(Dibbets, K.; van der Maden, F. (red.), Geschiedenis van de Nederlandse film en  bioscoop tot 1940, 1986,  32)

Een opvallende verschijning was de snerpende stoomfietsenmolen20van Tartantuano. De rest van het gebruikelijke kermisspul bestond uit een heel scala aan kleinere attracties als waarzegstertentje, schommel, koek- en gebakstalletjes, fotografietentje, eenvoudiger draaimolen en ‘galanterie’ kramen met de onvermijdelijke kermisprullaria. Ditmaal stond er zoveel, dat de Grote Markt te klein was en dus ook de Houtmarkt helemaal gevuld was, zo meldde het nieuwsblad Zelandia. Een inmiddels vaste klant, de grote en populaire attractie ‘Grand Cinematograaf’, de reizende kermisbioscoop van Anton Wegkamp, zou ook gekomen zijn, ware het niet dat deze op de laatste dag van de kermis in Terneuzen tot de grond toe afbrandde met alle decors en de hele collectie films.
Het onverwachte wegvallen van de cinema was een buitenkansje voor een eveneens in Terneuzen staand wilde beestenspel van een Duitse exploitant, waarin de Gentse dierentemster onder de artiestennaam ‘Mademoiselle Ludewiska’ de zweep eronder had. Te elfder ure kreeg dit circus een vergunning voor een plaatsje op de Houtmarkt. Door deze speling van het lot haalde de gemeente onvermoed en onbedoeld een attractie in huis, die geen vier dagen, maar ruim twee maanden zou duren. 

In het nummer van 29 september 1906 van Zelandia, het nieuws- en advertentieblad voor Zeeland, stond een advertentie voor het ‘wildebeestenspel’ van Mademoiselle Ludewiska.  Vier dagen lang kon het ‘geëerd publiek’ naast wilde dieren ook genieten van een vrouw als dierentemmer, een uniek fenomeen! Direct na afloop van de kermis wachtte het circus een vervelende verrassing met een slechte afloop. De eerste keer dat dit ‘wildebeestenspel’ in Hulst stond zou meteen de laatste keer zijn.

Een conservatoir arrest

Terwijl het personeel op woensdag 3 oktober de tent aan het opladen was voor het vertrek, werd de directeur met een heel onaangenaam bezoek geconfronteerd. Geassisteerd door enige marechaussees verscheen deurwaarder August Poppe ter plaatse met in zijn kielzog een grote schare nieuwsgierigen. Circuseigenaar Herman Geissler kreeg persoonlijk een exploot21overhandigd met de eis om onmiddellijk een uitstaande schuld van fl. 406,50 te betalen. De eiser van deze vordering, de N.V. Nederlandsche en Indische Verlichtingmaatschappij uit Den Haag, had via een advocaat de rechterlijke macht ingeschakeld omdat de circusdirecteur na een aantal “orderbilletten met protestkosten (aanmaningen)“ vijf rekeningen voor geleverde verlichtingsapparatuur voor zijn circustent niet had betaald. Toen de advocaat daarbij ontdekte, dat deze “kermisgast en dierentemmer” nog meer schulden had uitstaan, vond de Verlichtingsmaatschappij het de hoogste tijd voor een bezoekje van de deurwaarder in Hulst aan schuldenaar Geissler. 
Het uitreiken van de officiële kennisgeving maakte de circusbaas automatisch tot de gedaagde en hij had daarom het recht zich ter plaatse tegenover deurwaarder Poppe te verweren tegen de vordering. Maar Herman Geissler verdedigde zich niet, erkende de genoemde schulden als de zijne, bevestigde formeel de sommatie tot betaling van Poppe ontvangen te hebben en bleek vervolgens niet in staat om te betalen. Hiermee kwam voor de directeur van de menagerie abrupt een einde aan de periode van straffeloze wanbetaling, want het  hele circus werd op staande voet in “conservatoir arrest”  gehouden, d.w.z. dat de beslaglegging als het ware iemands bezittingen als onderpand ‘conserveert’ voor de eisende partij. Een rechter kan op verzoek van een schuldeiser hiertoe overgaan – het liefst als verrassingseffect – als de kans groot is, dat de schuldenaar

onderduikt met medeneming of verkoop van zijn eigendom. In dit geval was een vlucht niet denkbeeldig, omdat Herman Geissler al een langere geschiedenis van wanbetaling kende en als kermisreiziger geen vaste woon- of verblijfplaats had.
Het duurde even tot de consequenties van de inbeslagname bij de betrokkenen doordrongen, maar toen het besef kwam, verzetten de eigenaar, zijn dompteuse en het verdere personeel zich hevig tegen het beslag. De marechaussees waren niet voor niets meegekomen en het talrijke publiek kreeg nog een gratis voorstelling. Van de kant van de circusmedewerkers werd iedere  medewerking  

                                                                                                                                                                                                                                 deurwaarder.com

geweigerd, inclusief de verzorging van de nogal schamele bezetting van de – circus dieren: een leeuw, een leeuwin, een hyena, een grote beer, een kleine beer, een miereneter, een wolf met drie poten, twee lama’s en een condor. De gemoederen liepen zo hoog op, dat burgemeester Frans van Waesberghe erbij werd gehaald om te bemiddelen. De woedende circuslui lieten zich uiteindelijk vermurwen om de dieren die dag te voeren, maar alleen tegen betaling. Of het genoeg was valt te betwijfelen, want de nacht van 3 op 4 oktober verliep verre van rustig. De omwonenden in de wijde omtrek van de locatie van de menagerie op de Houtmarkt, deden geen oog dicht. De dieren gingen zo vreselijk tekeer, dat het centrum van Hulst veel weg had van de dierenverblijven in het Colosseum in het Oude Rome aan de vooravond van gladiatorengevechten. De volgende ochtend waren de rapen gaar en kwam het tot  opstootjes van geërgerde inwoners. Er kwam pas een einde aan de emoties, nadat de veldwachter ervoor had gezorgd, dat de luidruchtige beestenboel naar de Statiebuurt werd verplaatst. 

Impressie van een stoet transportwagens van een circus van weleer, dat van kermis naar kermis trok.  Op de foto hebben alle wagens paardentractie. Vooraan rijdt een getraliede dierenwagen. Veel kermiscircussen waren bescheiden van omvang en uit de beschrijving van de faillissementsboedel bleek, dat  dit ook gold voor de menagerie van directeur Herman Geissler en dompteuse mademoiselle Ludewiska. Dit circus beschikte over slechts één wagen voor dieren én bagage. Erg veel soeps zal het niet voorgesteld hebben.

(historisch-kermistransport.nl)

De failliete circusboedel

Nu de sommatie van deurwaarder Poppe en de beslaglegging niet tot betaling had geleid, zat er voor de N.V. Nederlandsche en Indische Verlichtingmaatschappij niet anders op dan haar geld terug zien te krijgen door de beestenboel van Herman Geissler failliet te laten verklaren.
Daartoe gaf het bedrijf op 23 oktober 1906 aan advocaat Johannes Adriaanse de opdracht om een dergelijk verzoek in te dienen bij de Arrondissementsrechtbank te Middelburg. Deze verklaarde de volgende dag“Herman Geissler, kermisgast en dierentemmer, rondreizend zonder vaste woonplaats in Nederland, thans verblijvende te Antwerpen”  in staat van faillissement,  omdat “genoemde persoon verkeert in den toestand dat hij heeft opgehouden te betalen”.
Tegelijkertijd werd mr. Adriaanse voor het afhandelen van het faillissement als curator22aangesteld en werd Ph. J. Callenfels aangewezen als rechter-commissaris voor het toezicht op de afwikkeling van het bankroet door de curator.
Vervolgens moest in het belang van de schuldeiser de hele inventaris van de menagerie worden opgemaakt en getaxeerd en dus kon August Poppe weer aan de slag. Als curator begaf mr. Adriaanse zich op 24 oktober naar Bergen op Zoom, waar op de kermis een woonwagen stond, behorend bij de ‘glijbaan’-attractie Tobogan van de eveneens failliet verklaarde kermisexploitant, Cornelis Huygens Janvier. Op 2 oktober, de dag voor de beslaglegging van het beestenspel door August Poppe in Hulst, had Herman Geissler op een openbare veiling deze bruin gelakte woonwagen met gele letters gekocht. Het zegt genoeg over de mentaliteit van de man om ondanks een reeks uitstaande schulden, met contant geld op een openbare verkoping een kermiswagen aan te schaffen. Het verklaart ook waarom hij daags daarna geen geld had om in Hulst deurwaarder Poppe te betalen voor zijn betalingsachterstand aan de Verlichtingsmaatschappij uit Den Haag. Machiel de Groot, die Adriaanse als deskundige ter zake had meegenomen, taxeerde de woonwagen op fl. 250,- . Na overleg met deurwaarder Herman Ponne te Bergen op Zoom nam Adriaanse dit rollend materieel als deel van Geissler’s boedel in beslag. Vier dagen later bezocht de curator  deurwaarder Poppe, die intussen de inventarislijst van de beestenboel in Hulst had opgemaakt.

Kermisfoto’s uit het begin van de 20e eeuw zijn zeldzaam en beperken zich veelal tot grote attracties in grote steden. Aan een foto van het schamele beestenspul van Herman Geissler hoeven we niet te denken, laat staan een kiekje van van de in 1906 op de kermis te Bergen op Zoom door Geissler aangekochte woonwagen van de kermisfamilie Janvier. Een goede indruk van de door kermisexploitanten gebruikte woonwagens uit het begin van de 20e eeuw is dit kiekje van de mobiele behuizing uit 1903 van de familie Turner.

(locatie beeldbron onbekend)

Uit de inventarisatie van de menagerie  bleek dat de levende have vergeleken met de omvang en de kwaliteit van de inrichting een behoorlijke waarde had.  Het circus beschikte over slechts één kermiswagen, waarin alle dieren verblijf hadden. Als de hele inventaris eveneens met deze wagen vervoerd kon worden, was de attractie maar een armzalige bedoening. De circustent met interieur werd dan ook heel laag geschat en nauwelijks in detail omschreven. Geissler had wel een dure woonwagen in Bergen op Zoom gekocht, maar deze stond nog in die stad, toen het beslag in Hulst werd gelegd. Waar  ‘Mademoiselle Ludewiska’ en het verdere  personeel dan al die tijd hebben geslapen? Desondanks kwam Poppe uit op een onwaarschijnlijk  hoog taxatiebedrag van ruim fl. 6500,- . Zijn inschatting van de waarde van ongeveer fl. 5780 (bijna 89% van het geheel!) van de gedresseerde dieren alleen, was wel erg riant. Op 8 december 1906, de vastgestelde dag van de openbare verkoop, zou blijken of het beestenspel zoveel waard was als Poppe had geraamd.

De dompteuse en de directeur flikken een kunstje

Al was Hermann Geissler door het conservatoir arrest op 3 oktober 1906 in Hulst volkomen verrast, samen met dompteuse Ludewiska broedde hij in de volgende weken een doortrapt plan uit, “waarmee beide dachten aan faillissement te kunnen ontkomen en zo hun menagerie te behouden”. Om uit de greep van de rechterlijke macht te blijven, maakte de circuseigenaar eerst, dat hij uit Nederland wegkwam. Hij koos Antwerpen als wijkplaats om zodat hij dicht genoeg in buurt was van zijn dierentemster.  
Op 14 november wist de Arrondissementsrechtbank te Middelburg wat de dompteur en de dompteuse hadden bekokstoofd, toen de griffie een officieel verzoek tot vernietiging van het faillissementsvonnis kreeg. Heel listig voerde Geissler het enige punt op, dat hij bij de beslaglegging niet had toegegeven: het circus zou niet zijn bezit zijn, maar dat van Beatrix Mathilde Pleunis, de werkelijke naam van ‘Mademoiselle Ludewiska, afkomstig uit Gent. Krachtens de aangevoerde argumentatie had mevrouw Pleunis als eigenares geen schulden, was de verklaring van het faillissement dus onjuist en moest daarom worden vernietigd. Authentiek uitziende documenten, waaronder een eigendomsakte en een contract, waaruit bleek dat Geissler alleen maar ‘Geschäftsfϋhrer’(bedrijfsleider)’was, moesten als wettig en overtuigend bewijs dienen. Ter verdere ondersteuning kwamen er ook nog buitenlandse rekeningen op naam van Beatrix Pleunis als eigenaresse van de menagerie ter tafel.

                                                                                              Zeeuws archief, gedeelte uit het faillissementsdossier van Herman Geisler.

Hoewel rechter-commissaris Callenfels niet in de slinkse valkuil trapte en het faillissementsvonnis schriftelijk herbevestigde, hadden de twee intriganten wel tijdwinst geboekt, want de rechtbank kon pas tot de openbare verkoop van de circusboedel besluiten als de bij het verweer aangedragen papieren op echtheid waren geverifieerd. Toch deed het duo Geissler-Pleunis met deze  machinaties zichzelf de das om. Iedere dag, dat het beestenspel als gevolg van het inbrengen van het pseudo-bewijsmateriaal langer in Hulst stond, werd de kans, dat de eigenaar en het personeel van het circus er goed vanaf zouden komen, kleiner.

Het vijfsterren circusdierenpension in Hulst

De gedwongen verlenging van het kermisvermaak haalde al snel de landelijke pers, die de abonnees als ware het een feuilleton op hoogte hield van de verwikkelingen.
Omdat Beatrix Pleunis en Herman Geissler zich aan de verzorging van de dieren niets gelegen lieten liggen, moesten er bewakers worden gezocht voor zowel de beveiliging van de dieren als voor de bescherming van de altijd aanwezige en niet steeds voorzichtige bezoekers. Het viel niet mee om voor deze surveillance van steeds twee man, zowel overdag als ’s nachts, personeel aan te trekken. Het vinden van oppassers om de hokken schoon te maken en de dieren te voeren was, gezien het veiligheidsrisico, nog veel moeilijker en lukte alleen tegen zeer hoge vergoedingen. Dat een behoorlijk gevarengeld gerechtvaardigd was, bleek eind november. 

Bij het voeren kwam een oppasser met zijn hand tussen de tralies, wat hem een diepe wond door de klauw van een van de leeuwen opleverd. Door de bijkomende bloedvergiftiging zette eerst de hand en daarna de arm zozeer op, dat de arts geen andere remedie zag dan amputatie van de hele arm. Overigens werd de beestenboel waarschijnlijk beter gevoed dan onder het verantwoordelijke kermisduo het geval was. De Middelburgse Courant en Het Amersfoorts Dagblad memoreerden, dat het voederen iedere dag om vijf uur ’s middags plaatsvond en op een grote belangstelling kon rekenen. De leeuwen bleken flink in gewicht aangekomen en zagen er “steeds gezonder en mooier om aan te zien” uit. Dit kostte wel een lieve cent, maar de veiling van circusdierentuin zou dit (deels) kunnen bekostigen, zo werd gedacht.
Kwamen de dieren in hun natje en droogje niets te kort, de huisvesting was een ander verhaal. De kermiswagen was dermate krakkemikkig, dat er meerdere vloerplanken vervangen moesten worden en de wand van de leeuwenkooi was allesbehalve stevig. Naast de personeelskosten voor algemene surveillance, concrete verzorging en de uitgaven voor voeding en noodreparaties, liepen de kosten nog verder op, omdat trawanten van Herman Geissler en Beatrix Pleunis gedreigd hadden hun menagerie heimelijk weg te voeren. Om dit te voorkomen patrouilleerden iedere nacht twee marechaussees met geladen karabijn. Het was geen overbodige maatregel, want deze militaire politie hield de trawanten van de eigenaar meerdere keren succesvol op afstand, maar de langdurige bewaking kostte handenvol geld.

Beestenspellen op kermissen met dompteuses kwamen regelmatig voor, al was het geen gemeengoed. Vrouwelijke dompteurs gaven aan de voorstellingen met wilde dieren in ieder geval een extra dimensie. Dat het circusje met een dierentemster in de persoon van ‘Mademoiselle Ludewiska’in een stadje als Hulst optrad was wel een unicum. 

(delcampe.net)                     

Het kluwen van bedrog ontrafeld

Het protest, dat de kermisgasten Pleunis en Geissler bij de Arronissementsrechtbank in Middelburg hadden ingediend tegen  het uitgesproken faillissement, betekende niet alleen een behoorlijke vertraging in de afwikkeling ervan, maar ook veel extra werk voor Johan Adriaanse, die in zijn functie als curator het ingediende bewijsmateriaal moest zien te ontkrachten. Hij maakte daarvoor “onder talrijke bezwaren (problemen) wijd en zijd in het buitenland” dienstreizen naar Gent, Deinze en Kruishouthem om op de kermissen aldaar inlichtingen in te winnen over het contract, dat Beatrix Pleunis tot eigenaresse van het circus zou hebben bestempeld.
Een door hem speciaal uitgezonden detective onderzocht de aard van een aantal kwitanties, die eveneens als bewijs waren opgevoerd, om aan te tonen dat de uitgevers van de rekeningen door het illustere duo waren misleid.
Na enkele vergeefse pogingen werd op zaterdag 1 december 1906 de bewijslast gevonden en de pers smulde van “het gevecht om de beesten tusschen de curator eenerzijds en den gefailleerde met een pseudo-eigenares aan den anderen kant. De laatsten hebben het moeten afleggen, omdat het gespannen kluwen van leugen en bedrog totaal ontrafeld is(…)
De dame, die eerst haar rechten als eigenares staande hield, alsof ze tegenover de quaestieuse beestjes (de betwiste leeuwen) zelf stond, viel spoedig uit haar rol en bekende, in presentie van de commissaris van politie, al snikkend het feit”.

Hiermee was het verzet, dat tegen het faillissement was aangetekend, definitief van de baan en kon de rechter-commissaris toestemming geven tot de openbare verkoop.

Openbare verkooping eener menagerie met wilde en tamme dieren te Hulst

Eene zeldzame vendutie

Ruim twee maanden na het einde van de najaarskermis stond op 5 december 1906 nevenstaande advertentie in de kranten uit de regio, in enige landelijke dagbladen en in een paar specifieke kermisbladen, zoals De Komeet en het vakblad Ons Belang. De openbare veiling op zaterdag 8 december 1906 was volgens het Amersfoortsch Dagblad “eene zeldzame vendutie“, waarvoor ongetwijfeld veel belangstelling zou bestaan.
Een ongewone vertoning werd het inderdaad, niet alleen omdat een deel van de boedel uit levende have bestond, maar meer, omdat de veiling allesbehalve vlekkeloos verliep. Zaterdagochtend rond tien uur was het op de Statie een drukte van belang, maar dat betrof vooral veel kijkgraag publiek dan serieuze kopers. Voor de circusdieren waren op de condor en de driepotige wolf na geen gegadigden. De afslager riep voor de andere dieren bij herhaling ‘liefhebbers’ op, maar de hamer viel niet. Deze gang van zaken was op zijn minst verdacht.
Het veilen van de ‘niet levende’ kavels verliep beter. De in Bergen op Zoom staande woonwagen, geschat op fl. 250,- ging voor fl. 300,- van de hand en de armoedige inventaris van de menagerie bracht samen toch nog fl. 389,- op. Omdat geen van de hoger geprijsde dieren verkocht bleek, was de opbrengst van de veiling onthutsend laag. Direct na afloop bleek, dat hier iets niet in de haak was. Bij de veilingmeester – Poppe was weer de pineut – diende zich een groep koopgrage kermisexploitanten aan, die  wel degelijk waren komen opdraven, maar weinig voor individuele actie voelden. Als een heus kartel (“combinatie” of “conclave”) had men elkaar vooraf

geïnformeerd voor welke dieren veel interesse bestond en vervolgens de afspraak gemaakt op die beesten niet te bieden. Na het einde van de verkoping kon dan onderhandeld worden met de veilingmeester om de beestenboel onderhands in bezit te krijgen. Zo omzeilde men niet alleen de prijsopdrijving bij opbod, maar ook de opslag van de veilingkosten. Niet zo’n frisse handelwijze – niet voor niets is kartelvorming nu verboden – maar de gelegenheid was dan ook zeer bijzonder, omdat men misbruik kon maken van het feit, dat de in de veiling niet verkochte dieren niet langer in Hulst konden blijven. Immers, zolang het proces van faillissement nog liep, konden de – niet geringe – kosten van onderhoud bij de schuld van de eigenaar worden opgeteld en waren ze als het ware afgedekt door de te verwachten opbrengst van de veiling. Dit was een effect van het bedrog van Herman Geissler en Beatrix Pleunis, dat hen kennelijk was ontgaan. Hoewel de beraadslaging de zaterdagavond en nog een deel van de zondag in beslag nam, was het geen verrassing dat de dierentuin vér onder de geschatte waarde verkocht werd:
– de twee leeuwen niet voor fl. 3000,- maar voor fl. 240,-
– de menageriewagen met hyena en een beer in één koop voor fl. 67,50 in plaats van fl. 1460,-
– de twee lama’s geen fl. 400,- maar fl. 70,-
– de mogelijke opbrengst van de miereneter verviel door het ontijdige heengaan van het beestje.

De Gärtnerstrasse in Hamburg rond 1920, waar tussen 1886 en 1938 op nr. 72 de  handel in exotische dieren van August Fockelmann was gevestigd. Herman Geissler had bij dit bedrijf voor fl. 1000,- aan dieren voor zijn menagerie gekocht, maar nooit betaald. Meerdere grote schulseisers , onder wie  Fockelmann, konden naar hun geld fluiten.  Door de grote kosten en de bijzonder lage opbrangst van de openbare verkoop in Hulst van de failliete circusboedel van Geissler bleef er veel te weinig over om alle crediteuren schadeloos te stellen.

(hamburg-bildarchiv.de)

De eindrekening

De totale opbrengst van de failliete boedel beliep volgens de door de curator opgemaakte “uitdeelingslijst” fl. 1073,- en dat was veel minder dan de inschatting van fl. 6500,- , maar toch behoorlijk meer dan de schuld van Herman Geissler aan de Nederlandse en Indische Verlichtingmaatschappij, die het faillissement had aangevraagd. Voor alle betrokkenen was dit bedrag intussen helaas flink opgelopen. Toen de rechter-commissaris in het kader van dit proces met behulp van advertenties andere schuldeisers opriep zich te melden, bleek de schuldenlast vele malen groter te zijn dan de oorspronkelijke fl. 430,- die door langdurige aanmaningen al verhoogd was naar fl. 485,-. Nadat zich crediteuren uit Maastricht, Winschoten en Hamburg hadden gemeld, was het bedrag opgelopen tot ruim fl. 2300,-. Vooral de nota van August Fockelmann uit Hamburg voor – niet nader genoemde – geleverde dieren was met fl. 1000,- een grote post. Niet alleen werd nu het totaal aan achterstallige betalingen onderdeel van het faillissement, maar ook alle onkosten sinds het “conservatoir arrest” op 3 oktober. Het scala aan administratieve uitgaven was erg hoog opgelopen: de proceskosten zelf, advertenties, telegrammen, papier en drukwerk van de rechtbank, het salaris van de curator en de deurwaarder, een beloning voor de taxateur, reis- en verblijfkosten van de uitgezonden detective namens de curator en ‘last but not least’ de langdurige  verzorging en voeding van de dieren van de menagerie, die uiteindelijk meer dan fl. 500,- bedroegen; volgens dezelfde uitdeelingslijst fl. 1078,- in totaal.

Per slot van rekening kende dit bankroet vrijwel alleen verliezers: Hermann Geissler verloor met de veiling van zijn menagerie  zowel zijn bezit als zijn inkomstenbron; dompteuse Mademoiselle Ludewiska en ander circuspersoneel waren hun baan kwijt en – gezien de beroerde financiële positie van de baas – mogelijk ook achterstallig loon. Omdat de openbare verkoping door de onderhandse verkoop van de meerderheid van de dieren veel minder had opgebracht, dan gehoopt,  visten alle schuldeisers achter het net.
De rechter-commissaris en curator kregen wel netjes betaald, maar zij moesten hiervoor veel extra arbeid verrichten door het protest dat de dompteur-directeur en zijn dompteuse tegen het faillissement hadden ingediend. Met name het recherchewerk was tijdrovend en ingewikkeld geweest. Voor de lokale leveranciers, die aan de maandenlange verzorging van het beestenspul hadden verdiend was er uiteraard alle reden tot tevredenheid.
Content waren ook omwonenden van de statie. Zij hadden van lieverlee meer dan genoeg gekregen van de gevaarzetting door de twijfelachtige staat van de dierenkooien in de menageriewagen. Van het gedeelte met de hyena moesten al meerdere malen planken vervangen worden en de achterwand van het leeuwencompartiment was allerminst stevig23. Volgens de pers slaakten zij op zondag 9 december 1906 na afloop van de onderhandelingen in de onderhandse verkoop en het daaropvolgende wegvoeren van de hele mikmak, een gezamenlijke zucht van verlichting.

In de loop van januari 1907 verscheen bovenstaande kleine advertentie in meerdere landelijke kranten. In ‘Het Vaderland’ van 26-01-1907′ was deze annonce opgenomen in een overzicht van afgesloten rechtszaken. Her kon niet symbolischer. Hoewel zijn nering als gevolg van het afgewikkelde faillissement  was geëindigd, verdween hij uit de openbaarheid. Mocht hij immers ergens gesignaleerd worden, konden zijn bezittingen in (on)roerende  goederen en geld te allen tijde door zijn schuldeisers worden geconfisceerd.

Geraadpleegde bronnen

– Zeeuws Archief, arrondissementsrechtbank Middelburg 1906, civiele rechtspraak, faillissementsdossiers.

– Hulsterblad nr.2162 (15-09-1906), nr. 2163 (22-09-1906), nr. 2164 (29-09-1906), 2165 (06-10-1906), nr. 2168 (27-10-1906), nr. 2174 (08-12-1906), nr. 2175 (15-12-1906).

– Zelandia 29-09-1906, 03-10-1906, 03-11-1906, 01-12-1906, 05-12-1906, 12-12-1906

– Amersfoortsch Dagblad 08-12-1906

– Haarlems Dagblad 08-10-1906, 07-12-1906, 29-01-1907

– Middelburgsche Courant 15-11-1906, 05-12-1906, 10-12-1906, 11-12-1906, 27-12-1906, 11-01-1907.

– Nieuwe Zeeuwsche Courant 09-11-1906. – Vlissingsche Courant 30-11-1906.

Deel van een anonieme pentekening met het vertrek van het Spaanse garnizoen na de inname van Hulst door Frederik Hendrik in 1645

Een beeld van een aftocht

Inleiding 

In dit artikel wordt de uittocht van het Spaanse garnizoen als gevolg van de verovering van Hulst door Frederik Hendrik in 1645 besproken aan de hand van drie typen primaire bronnen uit of net na 1645.


1. De capitulatievoorwaarden betreffende het Spaanse garnizoen van Hulst.

2. Twee oggetuigenverslagen:
  – een van een legerpredikant die het beleg meemaakte.
  – een anoniem handschrift met een beknopte rapportage van het beleg.

3. Drie pentekeningen met een impressie van het vertrek van het Spaanse garnizoen van Hulst.

Afbeelding 1

Het begin van een anoniem,  ongefolieerd 24en ongedateerd handschrift met een verslag in kroniekvorm van het beleg van Hulst in 1645.


Het verslag vangt aan met:
Verclaringe van de meeste ende notabelste geschiedenissen voorgevallen gedurende de eenendertigh dagen belegh der stadt hulst (…) 

(Zeeuws Archief Middelburg, Handschriftenverzameling nr. 4146)

Indeling van het artikel.

Hoofdstuk 1.
Plaatst de aanval op Hulst in het historisch kader van de Nederlandse Opstand.
Hoofdstuk 2.
Bespreekt het toenmalige gebruik van de overwinnaar om de verliezer vrij en eervol weg te laten trekken.
Hoofdstuk 3.
Bevat het hoofdonderwerp: de vrije uittocht van het Spaanse garnizoen uit Hulst.
Hoofdstuk 4.
Zet ter vergelijking de capitulatievoorwaarden bij de inname van Hulst in 1794 tegenover die in 1645.

Hoofdstuk 1    Nu is de haag verschrikkelijk door de hulst 25.

Johannes Looff had sinds 1634 een vaste betrekking in Middelburg als stempelsnijder bij de Munt van het gewest Zeeland in de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Afbeelding 2

Voorbeeld van de onderkant van een muntstempel, bestaande uit een cilindervormig stuk staal. De stempelsnijder of graveur heeft met een graveerstift letters (in spiegelschrift) en een randversiering verdiept uitgesneden, in dit geval ‘stad utrecht 1710’. Met deze muntstempel zijn zo veel munten geslagen (gestempeld), dat het geplette metaal aan de slagzijde (achterkant foto) uitstulpt.

(collectienederland.nl, Centraal Museum, Utrecht)

Het inkomen van Looff uit zijn betrekking bij de Zeeuwse Munt was dermate bescheiden, dat hij regelmatig historische gedenkpenningen ontwierp en verkocht in eigen beheer. Op deze wijze speelde hij handig in op de opzienbarende successen van Frederik Hendrik, Prins van Oranje, in het eindstadium van de Nederlandse Opstand tegen de wettige landsheer, de koning van Spanje.

Afbeelding 3

De beeldzijde van de door Johannes Looff gegraveerde herinneringspenning van de inname van Hulst in 1645. Bovenaan op de banderol (het tekstlint) staat de Latijnse tekst ‘nunc sepes horrida rusco’ (nu is de haag verschrikkelijk door de hulst), vrij vertaald: nu draagt ook de vesting Hulst als een haag van hulst bij tot de verdediging van de Republiek. Onder deze titelspreuk houden twee putti (mollige naakte baby’s) het stadswapen vast. In het midden het profiel van de stad achter een dubbele wal met links van het midden de Gentse Poort met een ravelijn ervoor. De markante gebouwen zijn uitvergroot en met grote precisie gegraveerd. Onderaan de munt wemelt het in Frederik Hendrik’s hoofdkwartier van de militairen, inclusief de prins te paard, bevelen gevend met de commandostok in de linker arm. Links midden en onderaan braken een aantal vurende batterijen veel rook uit. Linksboven is een fors projectiel met een boog onderweg naar de stad. Alsof er van een strijd geen sprake is, kijken rechtsonder twee paarden van dichtbij naar het geschut, terwijl de overal in de polders aanwezige ganzen onverstoorbaar grazen: oorlog en idylle naast elkaar!

 (Teylersmuseum, Haarlem, collectie Pieter Teyler van der Hulst, objectnr. TMNK 00505)

Als opperbevelhebber van het ‘Staatse Leger’ slaagde Frederik Hendrik er tussen 1625 en 1645 in om het relatief kleine grondgebied van de Republiek aanmerkelijk uit te breiden met de inname van een indrukwekkende reeks steden in het huidige Limburg, Noord-Brabant en Zeeuws-Vlaanderen.
De verovering van vestingen ten zuiden van de Scheldemonding gaf de Republiek de mogelijkheid om deze rivier van twee kanten te beheersen. Zo kon de zeehandel van Antwerpen, dat tot het grondgebied van de Spaanse koning behoorde, worden beheerst en desgewenst belemmerd. In geval van oorlog was een blokkade vóór de Scheldemonding voldoende om militaire bevoorrading en versterking ten bate van de vijand(en) over het water onmogelijk te maken.
Alleen de sterke vesting Hulst ontbrak nog als laatste schakel in de strategische ketting. Tussen 1637 en 1645 liepen de aanvallen op deze stad liefst vier keer spaak. Bij de vijfde campagne van de Prins van Oranje gaf Hulst zich na een zware strijd van een krappe maand op 4 november 1645 over. Het was, zoals uit onderstaande argumenten blijkt, echt op het nippertje!
De koude maand november maakte het voeren van oorlog bijna niet meer mogelijk. In het Duitse Münster waren inleidende vredesonderhandelingen begonnen om een aantal oorlogen in Europa tegelijk te beëindigen. De Republiek zou twee maanden later, in januari 1646, bij deze onderhandelingen aanschuiven. Met de verovering van Hulst had men bij de besprekingen meer ‘munitie’ m.b.t. de aanspraken op het grondgebied. Het gewest Holland, dat verreweg het meeste geld bijdroeg aan de oorlogvoering, wilde zo snel mogelijk van deze hoge kostenpost verlost zijn. De langdurige campagne had de gezondheid van Frederik Hendrik danig ondermijnd. 

Afbeelding 4

 (Rijksmuseum, Amsterdam, objectnr. SK-A-254)
Schilderij uit ca. 1632 uit het atelier van Johan Jansz. van Mierevelt (1566-1641).

De admiraliteit (marine) bestelde voor zijn raadkamer in Rotterdam bij Johan van Mierevelt een schilderij van Frederik Hendrik. Hetmoest natuurlijk een representatieve voorstelling zijn van een zelfverzekerde en krachtige legerleider. Het eerste werd bereikt door de gezichtsuitdrukking, het tweede door de Prins te steken in een pronkharnas, met de commandostaf in de rechterhand. Ten tijde van het vervaardigen van het schilderij moest de zegetocht van Frederik Hendrik nog beginnen. 

De zwaar bevochten inname van Hulst was een dankbaar object voor kunstenaars om dit illustere en aan Staatse kant luid bejubelde feit te vereeuwigen, ieder vanuit zijn vakgebied en interpretatie. Bij Johannes Looff was het kunstvoorwerp – zoals we zagen – een herdenkingsmunt met  als beeldenaar een impressie van Hulst in het heetst van de strijd (afb. 3 met bijschrift). Kunstschilder en graveur Jan Martszen de Jonge gaf een prent uit met als thema de vrije uittocht van het Spaanse garnizoen uit Hulst, daags na de overgave. Hij volgde voor zijn impressie nauwkeurig de door Frederik Hendrik opgelegde capitulatievoorwaarden, op grond waarvan het vertrek van de militaire bezetting van de vestingstad was toegestaan. 
Nog drie andere prenttekenaars hebben eigen illustraties vervaardigd, die mogelijk naar het voorbeeld van het (niet meer bestaande) origineel van Martszen de Jonge gemaakt zijn. Deze pentekeningen zijn in dit artikel gebruikt. Zij geven op aanschouwelijke wijze samen ‘Een beeld van een aftocht’.

Hoofdstuk 2     Een capitulatie met etiquette

De gevechten van 5 oktober 1645 tot 4 november 1645 om het bezit van Hulst tussen de militaire commandant van de stad, gouverneur Jacques de Haynin, seigneur du Cornet en Frederik Hendrik van Oranje, waren voor de strijdende partijen en voor de burgerbevolking een ware verschrikking. Het aantal gesneuvelden en gewonden was buitengewoon groot, de voedselvoorraad in de vesting gerantsoeneerd en opnieuw trof Hulst het drama van een deels in puin geschoten stad:

De Stadt is seer gheschent (insonderheydt ’t Klooster vande Recolletten) van ’t schieten van ’t Canon/en vande Granaden. wordt gheseyt dat gheduerende dese Belegheringhe uyt het Quartier van sijn hoogheydt (boven de Granaden in grooten ghetale) seven duysent acht hondert en vijfenveertigh Canon schoten met vierentwintigh Stucken en uyt het Quartier van de heer van Brederoode vijf duysent ses hondert en twee-en-vijftigh schoten met thien Stucken zijn ghedaen. Een Granaedt vallende in de Stadt heeft wech ghenomen een Burgher met sijn Vrouwe en vier kinderen[ note]Beuckelaer, ongefolieerd; Cornelius Beuckelaer maakte als veldpredikant in het leger van de Prins van Oranje in 1645 de belegering  van Hulst mee.[/note].

Op 2 november stuurde Frederik Hendrik een trompetter naar gouverneur De Haynin met de sommatie om Hulst op alle redelijke en eerlijcke conditien over te geven 26. De koerier werd weliswaar met alle egards ontvangen, maar keerde toch onverrichterzake terug; een capitulatie werd resoluut van de hand gewezen. Maar al in de vroege ochtend van de volgende dag, toen de  verdedigers het Staatse leger van alle kanten zagen naderen voor een massale stormaanval, werd wijselijk alsnog ‘de chamade geslagen’27. In de loop van de middag maakte een delegatie uit de stad zijn opwachting in het kampement van Zijne Hoogheid. De afvaardiging kwam niet onvoorbereid ter vergadertafel, want de gouverneur had op 28 oktober in het geheim aan het stadsbestuur verzocht een verlanglijstje op te stellen voor de eventuele capitulatiebesprekingen:

(…) heeft den heere gouverneur in stilte ontboden aen de schepenen deser stede dat sij souden willen beginnen te stellen poincten en artickulen van t gene sij nu toecomende tijden souden willen int parlement proponeren (…) 28.

De afvaardiging bestond uit kapitein Montamon namens het garnizoen, pastoor-deken Heyndrick Hesius namens de r.k. geestelijkheid en baljuw François van der Burgh namens het stadsbestuur. Na 24 uur onderhandelen was het op 4 november rond het middaguur duidelijk, dat de overwinnaar de capitulatievoorwaarden had gedicteerd. De stad werd beschouwd als bezet gebied en kwam daarom onder het directe gezag van de Republiek te staan. De hervormde kerk werd de bevoorrechte godsdienst. De bepalingen betreffende het garnizoen was echter een heel ander hoofdstuk. Hier was de naar huidige maatstaven een wat vreemde vorm van etiquette toegepast, waarbij de overwinnaar aan de militaire bezetting van een stad een vrije en eervolle aftocht kon verlenen. Dit  was tactisch gezien een nadeel, omdat de overwonnen militairen zich weer bij de vijand aansloten. Toch kwam deze geste zeer regelmatig voor en werd ingegeven door het principe dat de onfortuinlijke, maar strijdbare tegenstander de krijgseer verdiende.  Blijkbaar heeft de deputatie uit Hulst de onderhandelingsruimte in dit opzicht ten volle benut, want Frederik Hendrik gunde het garnizoen de meest ‘ridderlijke’ aftocht, die binnen dit gebruik mogelijk was. De wijze, waarop en de volgorde waarin het garnizoen de stad zou verlaten, was in een ‘ceremonie protocollair’ nauwkeurig  vastgelegd volgens de betreffende capitulatieartikelen.

Op 5 november, daags na het ondertekenen van de overgave, blies de Spaanse militaire bezetting van Hulst de aftocht!

Hoofdstuk 3   Een enkeltje Gent en een enkeltje Antwerpen

Eerder al, op 12 oktober 1645, een week na het begin van het beleg van Hulst, was op een veel bescheidener schaal hoffelijk een vrije doortocht verleend. Gouverneur Jacques de Haynin had desgevraagd van Frederik Hendrik toestemming gekregen om zijn echtgenote Anne met hare jonckvrauwen (hun  kinderen) uit de stad te laten vertrekken. Opdat dit veilig kon gebeuren werden de vijandelijkheden gewoon even stilgelegd, zodat Ma Dame met hare suyte (gevolg) ende dry waghenen Bagagie veilig de stad kon verlaten en dwars door de stellingen van het Staatse leger naar Gent kon afreizen 29. 

Afbeelding 5

Het wapenschild  van het geslacht De Haynin, een rood getand kruis op een gouden achtergrond.

Het heraldisch blazoen symboliseert niet alleen adellijke macht, aanzien en rijkdom, maar ook de daaruit voortvloeiende verplichtingen en fatsoensnormen, zoals bijvoorbeeld het toestaan van een eervolle aftocht van een verslagen garnizoen. In dit geval van de edelman Van Oranje ten opzichte van de edelman De Haynin.

Noblesse oblige: adel verplicht!

Zoals het Frederik Hendrik als een goed edelman betaamt, kreeg Jacques de Haynin op de dag van de aftocht van het garnizoen van Hulst een voorkeursbehandeling en kon de kroniekschrijver optekenen, dat den Gouverneur/met sijn Bagagie en suite/ is vertrocken naer Gendt, waar hij zich bij zijn echtgenote kon voegen 30.
Op hem was niet het eerste capitulatie-artikel van toepassing, dat de militaire bezetting van Hulst uitsluitend toestond te marcheren naer de Stadt van Antwerpen door den regten weg 31. De pentekenaars, die de aftocht van het garnizoen afbeeldden, waren kennelijk goed op de hoogte, want op geen van de prenten komt De Haynin voor.
Op de vroege zondagmorgen van 5 november konden de legeronderdelen op meerdere locaties naar kerkdiensten te velde. Na afloop van de godsdienstoefeningen liet Sijne Hoogheyt eene Orangie Vlagge aan het kruis van de kerktoren bevestigen door een schaliedekker, als een voor ieder zichtbaar symbool van de nieuwe machthebber 32. Aansluitend groepeerde de complete ruiterij zich op zijn bevel in vol ornaat ten zuidoosten van de stad en stelde de bevelhebber zelf zich met zijn officieren daar tegenover op om het Spaanse garnizoen tussen hen door te laten afmarcheren.

Hett lange lint van het vertrekkende garnizoen vertoont zich in de sterk uitvergrote detailweergaven als een stripverhaal, zij het zonder de verhaaltrant in tekstwolkjes.

Afbeelding 6 (anonieme prent) 33.

Een gedeelte van de ‘Ruyterye van sijn Hoogheyt’  (= Frederik Hendrik), ‘gheheel inde wapenen’ opgesteld als erewacht voor het langs trekkende Spaanse garnizoen

Afbeelding 7 (prent atelier Visscher)

Tegenover de ruiterij had Frederik Hendrik zich met het militaire kader geposteerd. Hij wijst met de commandostaf, het teken van zijn macht en waardigheid, naar het voorbijtrekkende garnizoen. Rechts van hem (Pr. Wilhelmus) zijn zoon, de latere stadhouder Willem II, die hem sinds het Beleg van Breda in 1637 op zijn veldtochten begeleidde.

De beroepshalve aanwezigen en spontane toeschouwers kregen een lange en gevarieerde colonne voorgeschoteld, inclusief muzikale omlijsting, ten gehore gebracht door koperblazers en trommelslagers van het Staatse leger..

Afbeelding 8 (prent atelier Visscher)

In de pentekeningen zijn ter vergroting van de feestvreugde overal langs het parcours  klaroenblazers afgebeeld.  CornelisBeuckelaar, dominee te velde in het leger van de prins, betoonde zich uitermate tevreden over de trompettisten van het korps:
‘En dewijl het Garnisoen voorby onse Ruyteren op de heye passeerden wierden onse Trompetten gheblasen en maeckten soete accoorden / daer onder wierden ook de ketel-trommels vanden Rhijn-Grave gheroert / welcke een seer aenghename melodye maeckte’.
De door Beuckelaer genoemde, maar op de prent niet afgebeelde keteltrommen, waren halfronde met een tromvel bespannen pauken, die (onderling verbonden) aan weerszijden van een paard hingen. Blijkbaar beschikte het cavalerieregiment van Rijngraaf Frederik van Salm over trommelslagers te paard, die samen met de trompetters muzikale hulde brachten.

Afbeelding 9 (prent atelier Visscher).

Zelfs de onderdelen, die ver achteraan en dus heel klein in de stoet zijn afgebeeld, geven nog veel details. Het inzoomen is zo groot, dat de beelden iets onscherp worden. Op deze twee uitgelichte voorbeelden is te zien, dat er vóór de als erewacht aangetreden ruiterij bazuinblazers opgesteld waren. Zij droegen met hun lange blaashoorns het hunne bij aan het muzikale geschetter.

De organisatie van de uittocht van de militairen, waarvoor maar krap één dag beschikbaar was, moet een een logistiek hoogstandje geweest zijn. Bij de capitulatie op 4 november was vastgelegd, dat alle de Soldaten des selven Guarnisoens, soo te voet als te Paerde (…) met Wapenen ende Bagagie (…) met hare Meubelen en de Bestiael (dieren), van wat soorte die ook sijn naar Antwerpen mochten afreizen. Daar kwam ook nog een aantal stuks zwaar artilleriegeschut met bijbehorende munitie bij, alsmede zieken- en gewondentransport. Om deze omvangrijke lading en mensen te vervoeren bepaalde het akkoord, dat Wagenen ende Paerden, genoegsaam om hare voorsz. Bagagie te voeren, siecken en gequetsten tot Antwerpen (…) van sijn Hoogheyt (…) voorsien sijn 34. 
De prinselijke toezegging in dit capitulatieartikel vergde binnen de beschikbare tijd een haast onmogelijke hoeveelheid rollend materieel. Niettemin, den 5e novem waren s morgens alhier binnen gecomen 600 hollandsche wagens ome het guarnisoen uijt te voeren 35. Naast dit rollend materieel waren er ook karren met voerlieden uit Hulst gevorderd. Al deze benodigdheden werden door de overwinnaar betaald. De op de prenten genoemde aantallen zijn lager, dan in de schriftelijke bronnen, maar belopen nog altijd toch tussen de vier- en vijfhonderd voertuigen. Zowel de tekst- als beeldbronnen bevatten overeenkomsten, waaruit de vermoedelijke formatie van de stoet kan worden afgeleid. De verschillende onderdelen waren gelijkelijk over de colonne verdeeld: militairen te voet en te paard, rijdend oorlogstuig, specifieke legereenheden, het grote arsenaal aan karren en wagens (open en overhuifd, opgetast met alleen bagage, alleen met personen of een combinatie van beide), koetsen, escorterende militairen te paard van het leger van Frederik Hendrik en een keur aan individuele burgers.

Afbeelding 10 (Gemeentearchief Hulst, Stadsarchief, stadsrekening  A 241, folio 21).

Detail uit de stadsrekening van 1645-1646 met de bij de magistraat van Hulst binnengekomen nota van de heer ‘wagenmeester-generaal Onaert ‘ voor de levering van wagens met voerlieden voor het transport van bagage van het ‘conincx guarnisoen’.

Om alle afzonderlijke onderdelen van de lange stoet in één tekening goed in beeld te brengen, maakten de tekenaars hun prenten heel breed en smal.
De uittocht werd weergegeven als een lange slingerlijn door het landschap.  

Afbeelding 11a
(prent atelier Visscher).

Een van de drie pentekeningen, die als bron voor dit artikel zijn gebruikt. Aan de naden is te zien dat de prent uit drie afzonderlijke delen bestaat, die samengevoegd zijn. Dit is de enige van de drie tekeningen, die op de achtergrond met topografische herkenningspunten gemarkeerd is om de werkelijke route – in zuidelijke richting – aan te geven.

Afbeelding 11b (prent atelier Visscher)

Met de kwaliteit van de foto’s van het Rijksmuseum lukt het om zelfs de kleinste elementen van de prenten goed zichtbaar uit te vergroten. Hierboven vier topografische locaties op de tekening uit het atelier van Visscher. 
Bovenaan de kapel van Onze Lieve Vrouw Ter Eecken in Kapellebrug; midden links De Klinge; midden rechts Stekene; onder Voorhoute, dit is de locatie van het voormalige kasteel Voorhoute bij Stekene, waar nu de Voorhouthoeve ligt (direct naast de N 403/Voorhout).

Afbeelding 12
(prent atelier Visscher).

De honderden twee- en vierwielige voertuigen met paardentractie waren over de hele optocht verdeeld en  vormden daarin eindeloze clusters. Behalve voor vrachtgoed dienden de transportmiddelen ook voor de echtgenoten en kinderen van soldaten, gewonden en zieken; ook zij mochten krachtens de capitulatievoorwaarden de stad verlaten.
Midden in de lus van de stoet gaat het dagelijks leven gewoon door; mama is er even bij gaan zitten om haar kind te voeden, haar man staat naar haar toe gebogen. Dit intermezzo  zal verre van comfortabel zijn geweest, want het vroor toen overdag flink.

Afbeelding 13 (anonieme prent)

Als sterk uitgelicht detail komen op de afbeelding prominent in beeld:

links (vrnl) de voerman op de bok, de ruiter te paard, beide achter een colonne van huifkarren .

rechts de open wagen met opgetaste huisraad en dame met kind prominent . 

De vele honderden karren en wagens vereisten evenveel voerlieden en het aantal paarden overtrof dat van de voertuigen, omdat de grotere karren meer dan één trekdier hadden. Daar kwam nog bij dat in de capitulatie was bepaald, dat de vertrekkende militairen sullen met hun voeren twee halve Cartouwen, ende den grooten Mortier, ende Munitie van Oorloge daer toe nodigh, om met elcx drie scheuten (schoten) te doen: Ende tot dien eynde sullen van sijn Hoogheyt met peerden voorsien sijn, ende suffisante equipagie , omme die te brengen tot Antwerpen voornoemt 36.
Het was voor een overwonnen garnizoen een grote krijgseer als de in de bepalingen van de overgave was opgenomen, dat zwaar artilleriegeschut met enige munitie en verdere benodigdheden meegenomen mocht worden. Deze genereuze geste van de overwinnaar impliceerde wel veel extra paardentractie.

Afbeelding 14 (prent atelier Visscher).

Voor de twee halve kartouwen links boven en de grote mortier rechts onder zijn in de tekening samen zo’n dertig paarden ingespannen 37. Het vervoer van grof geschut op zware affuiten over onverharde, vaak natte ondergrond, vereiste de nodige paardenkracht en zweepslagen van de wagenvoerders.

Van het aantal van ongeveer 1300 militairen van het Spaanse garnizoen bij het begin van het beleg was bijna de helft gesneuveld. Voor de overlevende manschappen, die de vesting Hulst mochten verlaten, was de wijze van de eervolle aftocht te voet of te paard tot in detail in de overeenkomst beschreven. Zij mochten wapenen ende Bagagie, vliegende Vendelen, Cogels in de Mont, brandende lonten aen beyde de eynden, ende hare Musquetten op de schouderen ende volle Bandeliers; Item met hare Meublen ende Bestiael meenemen 38.

Afbeelding 15

(rijksmuseum.nl, object. nr. BI-B-FM-008-3). J. de Gheyn, Wapenhandelinghe 39

Het laden van een musket was een tijdrovende bezigheid, omdat het kruit, de kogels en de afsluitprop via de loop moesten worden aangebracht en met een laadstok aangestampt. Daarna werd een stuk brandende lont in de geweerhaan geklemd en dan was het geweer schietklaar. Het toestaan van musketten op de schouder, kogels in de (vuur)mond, volle bandeliers 40 en brandende lonten voor de ontsteking was de meest uitgebreide versie van een eervol wegtrekken van een verslagen strijdmacht. De soldaten waren op deze wijze immers ‘in staat van paraatheid’, klaar om te vuren.

De voetsoldaten liepen aaneengesloten per vendel 41, te herkennen aan de wapperende (‘vliegende’) vaandels 42. De eerste vendels in de stoet behoorden tot de regimenten van kolonel Gerardijn, de graaf Van Mouscron en Philips van Lannoy, graaf van La Motterie. Zij mochten vóór de andere vendels in de optocht paraderen, omdat zij erin geslaagd waren vlak voor het begin van de belegering van Hulst, vanuit Antwerpen in de vesting  binnen te komen 43. Op de pentekeningen zien we ze niet als herkenbare eenheden, maar volgens dominee Beuckelaar, die als veldprediker de belegering van Hulst en de aftocht van het garnizoen meemaakte, liepen er veel jongens uit Hulst en omgeving mee, die het prachtig vonden om een tijdje mee te mogen marcheren en wapens en ander gerief van de infanterie te dragen.

Afbeelding 16 (anonieme prent).

Op de pentekeningen van de uittocht herkent men de afzonderlijke vendels aan hun vliegende vaandels. Volgens de legenda van deze prent hoort bij de letter F een vendel musketiers. Met de musketten over de schouder. lopen zij als een gesloten blok rond de fier omhoog gestoken vaandels van hun vendel. De directe achtergrond wordt gevormd door een woud aan lange lansen, de pieken van de piekeniers.

Afbeelding 17 (anonieme prent)

Het regiment van de graaf van Mouscron, in de impressie van de tekenaar een groep zwaar geharnaste ruiters, rijdend met gesloten vizier.
De voorste ruiter met hoed en pluim was overigens niet de graaf van Mouscron zelf, die zwaargewond in de koets werd vervoerd (zie de bijschriften bij de afbeeldingen 18 en 19).

Afbeelding 18 (prent Pieter Nolpe).

De aftocht van de graaf van Mouscron was noch eervol noch heldhaftig. In plaats van fier gezeten te paard aan het hoofd van zijn ruiterafdeling, zat hij met een doorboorde schouder in een koets (op de afbeelding boven de koets staat ‘Colonel Mouscrō gequest’). Op 30 oktober, slechts vijf dagen voor het staakt het vuren, was hij  door een musketkogel geveld. Het luxe vervoer mocht niet baten, want de graaf overleed enige dagen later in Antwerpen aan de gevolgen van zijn verwonding. Op deze ets van Pieter Nolpe kijkt de kolonel door deuropening naar buiten; de andere prenttekenaars onttrekken hem aan het zicht met een geheel geblindeerde koets (zie afbeelding 19 hieronder)

Afbeelding 19 (anonieme prent)

Links achter bij de letter K komen de musketiers van  het regiment van de graaf van La Motterie aanzetten . Op de voorgrond een andere versie van het rijtuig van de gewonde graaf van Mouscron (letter P). De tekenaar van deze prent heeft de koets met zwaar doek geblindeerd weergegeven. De koetsier is erg goed ingepakt en dat is geheel in overeenstemming met de weersgesteldheid van 5 november 1645, de dag van de aftocht: het vroor, dat het kraakte.

Afbeelding 20
(atelier Visscher).

Het regiment Duitsers in Spaanse dienst onder kolonel de Gerardijn trekt voorbij. Op de voorgrond lijkt een zittende  toeschouwer te wijzen naar de rechtse figuur bij de letter L, een individueel met de militairen meelopende katholieke geestelijke. Bij de gereformeerden was ‘paep’ het gangbare scheldwoord voor de r.k. geestelijkheid, afgeleid van de aanroeping van de paus (Papa). Voor hen was er geen eervol vertrek. Artikel II van de capitulatie bepaalde, ‘dat de Gereformeerde Religie ende geene andere in de selve Stadt publycquelijck sal werden geexerceert’ 44. De katholieke clerus werd daarom zonder pardon meteen de stad uit gejaagd.

Afbeelding 21

Op alle drie de prenten zijn verspreid over de optocht individuele r.k. geestelijken afgebeeld, die de stasd verlaten.

De afmars mocht nog zo genereus zijn, hij was allerminst een vrijblijvende aangelegenheid. Een militair escorte te paard van de Prins van Oranje moest erop toezien, dat heel het krijgsvolk in Antwerpen aankwam, zoals bij de overgave was bepaald. Als waarborg hield men in Hulst twee legerkapiteins van het Spaanse garnizoen in ostagie (in gijzeling) tot het escorte en de gevorderde transportmiddelen en voerlieden zouden zijn teruggekeerd. 

Afbeelding 22

Her en der zijn langs het slingerende parcours ruiters van het begeleidende militaire escorte ingetekend.

Het achtste artikel van de capitulatie-overeenkomst voorzag in het vrije vertrek van burgers uit de regio, die om verschillende redenen gedurende de belegering in de stad zaten opgesloten. Het luidde:
Alle de Huys-luyden van ’t Landt van /waes, die gecommandeert sijn geworden voor de Belegeringe, om op de Wagt te komen in de voorsz. Stadt met haere Wapenen, ende daer in sijn geslooten geweest, sullender vry uyt mogen gaen, met haere voorsz. Wapenen ende Bagagie, een yder na sijn Dorp, alsoock alle andere Huysluyden die daer henen gevlucht sijn 45. Kennelijk was een aantal van hen gesommeerd geweest om werk te verrichten ten bate van de verdediging van de stad, terwijl anderen hun heil in de vesting hadden gezocht, bang voor de naderende legermacht van Frederik Hendrik. Niet dat het zo veilig was in een belegerde stad, maar waar moest je anders heen?
De prenttekenaars hebben zich uitgeleefd met een bonte schakering aan burgers, die samen met het garnizoen de stad verlieten.

Afbeelding 23 (prent Pieter Nolpe).

Onder de vluchtelingen, die Hulst nu mochten verlaten, waren heel wat boeren uit de omgeving, die met al hun vee de stad waren binnengekomen. Met hun grote voorraad vers vlees vormden zij een bijzonder welkome aanvulling voor de proviandering van de flink toegenomen bevolking van de stad. Door de vooraf goed georganiseerde rantsoenering kon de magistraat een uithongering voorkomen. Het aantal stuks hoornvee, dat op 5 november 1645 huiswaarts keerde was uiteraard behoorlijk afgenomen.

De afbeeldingen 24 t/m 30: details uit de verschillende pentekeningen.

Afbeelding 24 

Een gezin van man, vrouw en kind (bovenste prentfragment) en twee vrouwen met ieder een kind (onderste twee fragmenten) keren huiswaarts. Waar de figuren hun gezichtsuitdrukking tonen, is de doorstane ellende goed aan te zien.

Op de aftocht van het Spaanse garnizoen uit Hulst waren van heinde en verre veel mensen afgekomen om niets van dit spektakel te missen. De overweldigende belangstelling was erg opmerkelijk, omdat de capitulatie op 4 november was getekend en de uittocht aansluitend op 5 november plaatsvond. Het nieuws moet zich dan over de korte, maar ook grotere afstand als een lopend vuurtje hebben verspreid. Volgens van Lansbergen (…) heeft opstont en al eer de Spaensche uyttogt nog gebeurde, d’oogen der Nieusgierige soo uyt Zeelandt, Brabant als andere Plaetsen, in groote menigte herwaerts gebracht (…). De nieuwsgierige toeschouwers kwamen dus ook van veel verder weg en dat terwijl het bar koud was. De tekenaars hebben in hun artistieke vrijheid van de publieke belangstelling een zondagmiddaguitje in een pastorale sfeer gemaakt.

Afbeelding 25

Er werd gezellig gekletst…

Afbeelding 26

…liggend en zittend op de grond een meerschuimend pijpje gerookt…

Afbeelding 27

…vanuit de eigen reiswagens naar de optocht gekeken onder toeziend en goedkeurend oog van – naar het lijkt – de  ceremoniemeester…

Afbeelding 28

…een bierkroes geleegd bij het mobiele café…

Afbeelding 29

…een dansje gewaagd…

Afbeelding 30

…en een kaartje gelegd.

Na afloop van de manifestatie  kwam er voor veel toeschouwers een vervelende ontnuchtering. De toeloop van mensen was zo groot, dat velen in de stad geen logies konden krijgen om de nacht door te brengen. De dag, die al erg koud geweest was, werd gevolgd door een nog koudere nacht, waarin sommigen zelfs doodvroren (…)die by honderden, als van geen Logijs konnende voorsien werden, op de straeten moesten vernagten, in groote koud’ en ongemack, door de felle Vorst die ’s nachts nae gemelte uyttocht begon 46. De onherroepelijke gevolgen van het gedwongen kamperen in de open lucht bleven niet uit: (…) des nachts onder blaeuwen hemel/en onder de wagenen inde groote koude en vorst hebben moeten blijven leggen/daer van menichte t huys komende in sware sieckten zijn ghevallen en eenighe ghestorven 47.

Hoofdstuk 4   Een capitulatie zonder etiquette

Anderhalve eeuw later, op 23 oktober 1794, verscheen er weer een groot leger voor Hulst,  kreeg de vestingcommandant ook weer de sommatie zich over te geven en ook nu capituleerde de stad. Van een vrije aftocht van het garnizoen van Hulst was ditmaal helemaal geen sprake, maar de omstandigheden waren dan ook totaal verschillend.
De in 1789 begonnen Franse Revolutie was volkomen geradicaliseerd en vocht met toenemend succes tegen zowat alle Europese machten een verwoede oorlog uit. Deze grootschalige oorlogvoering was mogelijk geworden door een recente, uit nood geboren, Franse vondst: de invoering van de massale dienstplicht. De anti-Franse coalitie van Europese vorsten, die nog met huurlegers vocht werd dan ook relatief snel overweldigd.
Aan de Franse revolutionaire legers waren ‘politieke commissarissen’ toegevoegd, die de krijgsmacht en met name het militaire beroepskader scherp in de gaten hielden. De Franse commandanten wisten donders goed, dat de instructies uit Parijs stipt uitgevoerd moesten worden en waagden zich niet aan hoffelijkheden tegenover de vijand. Het gebruik van een eervolle vrije aftocht van de militaire bezetting van een stad was voltooid verleden tijd.

Afbeelding 30 (veilingcatalogus gazette-drouot)
Portret van Claude Ignace François Michaud door Louis Leopold Boilly

De generaals van de Franse revolutionaire legers hadden, in tegenstelling tot Frederik Hendrik  in 1645, geen enkele speelruimte  voor welke coulance tegenover de vijand ook. Er moest gewonnen worden en daar paste het terugsturen van militairen, die zich hadden overgegeven, niet in. Iedere afwijking van de orders van het revolutionaire regime werd streng gestraft. Een capitulatie met etiquette was met de Franse Revolutie passé. Claude Michaud, een van de divisiecommandanten onder generaal Pichegru, die krachtens zijn oppercommando over het Armee du Nord de aanval op de Republiek leidde, gaf zijn ondergeschikte commandanten dan ook strenge capitulatievoorwaarden mee voor de in te nemen steden. 

De wijze, waarop de militaire bezetting van Hulst zich in 1794 overgaf, verschilde hemelsbreed van die in 1645, toen de vesting was voorzien van een groot en goed toegerust garnizoen en pas capituleerde na een maand van hevige strijd.
In 1794 echter waren na de inname van Sluis de militaire bezettingen van Terneuzen, Axel en Hulst zo goed als weggehaald en de vestingen daarmee feitelijk al opgegeven.
De pas 29-jarige vestingcommandant Felix Abraham Cassa maakte zich geen enkele illusie en ging met het hem overgelaten schamele restant van garnizoen en geschut geen gevecht aan met de grote Franse strijdmacht.
Op 23 oktober 1794 liet Christophe Merlin, de adjudant 48 van Claude Michaud, divisiegeneraal van het Armée du Nord onder het bevel van Jean-Charles Pichegru, zich bij commandant Cassa in Hulst aandienen. Voor beleefde plichtplegingen kwam hij niet en onderhandelingsruimte gaf hij niet. Namens generaal Michaud confronteerde hij Cassa met de schriftelijke eis tot overgave, inclusief een opgave met de exacte omvang van het minimale garnizoen en de uiterst beperkte verdedigingsmiddelen, waarover de militaire bezetting in Hulst beschikte. De luitenant kon zich daarom maar beter overgeven, want si vous refusez d’obeir à ma sommation (…) je ferai peser sur la Guarnison ma vengeance de la Republique, mes mesures sont si bien prises qu’aucun Militaire ne scauroit m’echapper 49.
(als U weigert aan mijn bevel te gehoorzamen, zal de wraak van de Franse Republiek het garnizoen zwaar treffen en geen enkele militair zal aan mijn voortreffelijke maatregelen in dezen kunnen ontsnappen).

Afbeelding 31 (anoniem, 19e eeuw)

Adjudant Christophe Merlin was bevoegd om namens generaal Michaud te onderhandelen over de capitulatievoorwaarden met gedelegeerden van de stad Hulst. Zijn instructies ter zake waren echter zo strikt gesteld, dat feitelijk alleen een door de generaal opgesteld dictaat mocht worden getekend.

Voor de vorm mocht er een wensenlijstje aan de Fransen worden overhandigd. Dat had het stadsbestuur van Hulst vooraf al opgemaakt en heel netjes verdeeld in twee kolommen, links de in het Frans gestelde voorstellen en rechts de ruimte voor het Franse antwoord. Uit vraag en antwoord van artikel 1 bleek al direct, dat er van serieuze onderhandelingen totaal geen sprake was.

Afbeelding 31 (GAH SA 19)
Gedeelte van de capitulatievoorwaarden tussen de Franse adjudant Merlin en de vestingcommandant van Hulst, Felix Cassa eind oktober 1794.

transcriptie voorstel Hulst:
Le commandant remettra les clefs de la ville à condition, qu’il sorta de la ville avec sa Trouppe, Armes, et Bagages, appartenants, et qu’on lui fournisse dans 24 heures, au plus tard les barques necessaires à Walzoorden, pour etre conduit à l’Isle du Sud Beveland, ou par faute des Barques par un autre chemin convenable

antwoord van Merlin:
Le commandant de la ville de Hulst remettra dans le courant de la Journée aux Trouppes Françaises la ville de Hulst et toutes les postes.

vertaling voorstel:
De commandant zal de sleutels van de stad overgeven op voorwaarde, dat hij de stad mag verlaten met zijn troep, wapens en bijbehorende bagage en dat men hem binnen ten laatste 24 uur voorziet van de noodzakelijke boten in Walsoorden om naar het eiland Zuid  Beveland te varen of bij gebrek aan vaartuigen via een andere geschikte weg.

vertaling antwoord:

De commandant van de stad Hulst zal in de loop van de dag de stad en alle gevechtsposten overgeven aan de Franse troepen. 

Met zeer summiere antwoorden torpedeerde Merlin vrijwel alle capitulatievoorstellen van de stad Hulst en waar hij dat in een enkel geval niet deed, voegde hij er aan toe, dat de toezegging nooit in strijd mocht zijn met de belangen van de Franse Republiek. 

BRONNENLIJST

1.
Pentekeningen van de vrije aftocht van het Spaanse garnizoen.

1a.
Atelier van Claes Jansz. Visscher (II), Amsterdam, Den tocht van t ‘Spaens guarnesoen uyt Hulst den 5. November M.VIeXLV.
Pentekening naar een origineel van Jan Martszen de Jonge (vermeld op tekening).
Rijksmuseum, objectnr. RP-P-OB-81.565.
1b.
Anoniem, toegeschreven aan Jan Martszen de Jonge, Afbeeldinge op wat wyse het Spaens Garnisoen uyt de stadt Hulst is vertrocken. Den 5 November 1645, linkerhelft en rechterhelft, gedrukt Breda, 1646.
Rijksmuseum, collectie RP-P-OB-81.556E/F.
1c.
Pieter Nolpe, Uyt Toocht der Stadt Hulst. Amsterdam, 1645, linkerhelft en rechterhelft.
Rijksmuseum, objectnr. RP-P-OB-81.566a/B

2.
Anoniem,
Verclaringe van de meeste ende notabelste geschiedenissen, voorgevallen gedurende de eenendertigh dagen belegh der stad Hulst binnen deselve stadt.
Handschriftenverzameling Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, 1400-1999, nr. 4146, Zeeuws Archief, Middelburg.

3.
Gemeentearchief Hulst, Stadsarchief, nr. 19 (GAH SA 19),
Resolutieboek der Stad Hulst, begonnen den 23ste oktober 1794. Ten tijde dat deeze stad en jurisdictie van dien, onder de beheering der Fransche Republiek is gekoomen, eindigende den 28 december 1795.

Literatuurlijst

Beuckelaer, Cornelius,
Schrick van Vlaenderen en Brabandt, Middelburg 1646.

Bizot, Pierre,
Medalische Historie der Republyk van Holland, Amsterdam 1690.

Kernkamp, G.W.
Prins Willem II, Amsterdam 1963.

Lansberghe, Jacob van,
Beschryvinge van de stadt Hulst (…), ’s Gravenhage, 1687.

De Man, M.G.H.,
Het leven en de werken van Johannes Looff, stempelsnijder en graveur te Middelburg, Middelburg 1925, ongefolieerd.

Orden, G. van (e.a.),
Algemeen overzigt der penning- en muntverkoopingen in Nederland van 1839 -1842  in:
P.O. van der Chijs (ed.), Tijdschrift voor algemeene munt en penningkunde 1557-1667, Tweeden Deels, 1e en 2e Stuk.deel 2, 1839-1841.

Het kunstje van pater Fezant

Ontsnapt aan het kloosterleven

In de zitting van de gereformeerde kerkenraad van Hulst van 4 juli 1759 verraste de ‘scriba’ 32 de vergaderde leden met de heuglijke mededeling, dat de 29 jaar oude pater Engelbert Fezant, afkomstig uit een fatsoenlijke Brusselse familie, het Karmelietenklooster te Mechelen ontvlucht was en over wilde gaan tot de gereformeerde religie. Na het eerste gesprek met de uitgeweken pater was  de scriba er al van overtuigd, dat de vlucht op goede gronden en uit een oprecht beginsel was ingegeven 35. Meteen ontstond er in de vergadering een soort hoerastemming, want de berichten, die in dit verband op de kerkenraadsvergaderingen binnen kwamen, betroffen gewoonlijk juist het weglopen van eigen geloofsgenoten naar het katholieke geloof. Dit voorval was dus iets aparts en dat het hier een katholieke monnik betrof, maakte het zelfs uniek!
Fezant werd dan ook als een Sinterklaas binnengehaald en kreeg een vip-behandeling. De diaconie 38 zou zorgen voor andere kleding, zodat de bedelmonnikspij aan de wilgen kon worden gehangen en volgens de vergadering moest direct voor kost en inwoning worden gezorgd. Met dit laatste had de scriba trouwens al rekening gehouden. Meester Kroock, de protestantse onderwijzer, had desgevraagd toegezegd de ex-pater in pension te nemen en hij stond al buiten de deur van de vergaderkamer te wachten op uitsluitsel. Na zijn binnentreden kwam men al snel overeen, dat de schoolmeester wekelijks vier gulden zou ontvangen voor het logies, het waschen daaronder gerekend.

Zicht vanuit de Frederik de Merodestraat op het (niet meer bestaande) Carmelus Mechiliniensis (Karmelietenklooster) in Mechelen  rond 1790. In dit kloostercomplex was Engelbertus Josephus Fezant ingetreden in de orde van de ‘geschoeide karmelieten’. Dit was de wat minder strenge tak van de bedelorde, want zij droegen tenminste nog schoeisel. Evengoed had Pater Philippus a Sancta Maria, zoals Fezants kloosternaam luidde, al snel genoeg van een leven bestaande uit bidden en werken in armoede. Aan de  verleidingen buiten de muren kon hij geen weerstand bieden. Toen hij zich bij de gereformeerde kerkenraad in Hulst meldde, was het al  de vierde keer, dat hij uit het klooster was weggelopen.

(J.B. de Noter, gravure, stadsarchief Mechelen, regionale beeldbank,  beeldnummer sme 001001390).

Foute Boel

In tegenstelling tot het protestantse kerkbestuur was baljuw47Gerrit Otto Rauwertz, helemaal niet opgetogen, maar integendeel juist heel  wantrouwig. Hulst werd immers regelmatig geconfronteerd met lieden van buiten, die bij het stadsbestuur en de gereformeerde diaconie allerlei zielige verhaaltjes ophingen om gemakkelijk liefdegiften binnen te halen. Om zeker te weten of er ook nu een bedrieger aan het werk was, stuurde Rauwertz per omgaande een brief aan het Karmelietenklooster in Mechelen.
Op 5 juli, daags na de vergadering van de gereformeerde kerkenraad, kreeg de baljuw onverwacht bezoek uit Brussel van twee zwagers van Fezant. Zij wilden hun familielid overhalen om naar zijn klooster in Mechelen terug te keren en zagen graag, dat Rauwertz bij het gesprek aanwezig was. Beide heren waren niet alleen verdacht vlug op de hoogte van de huidige verblijfplaats van hun verwant, maar er ook als de kippen bij om hem hier weg te krijgen. Waren zij wellicht door het klooster in Mechelen ingeseind? Hoe dan ook, de weerspannige Karmeliet liet zich niet ompraten en de twee ‘ijlboden’ konden onverrichterzake huiswaarts keren. Baljuw Rauwertz was verbaasd, dat beide hoge heren tijdens het kortstondige bezoek niets a charge (ten laste) bij hem hadden ingebracht tegen hun uit het klooster weggevluchte familielid. Maar dit was eigenlijk wel begrijpelijk; de vuile was van de familie hing je niet zomaar buiten en toch zeker niet tegenover een gerechtelijk opsporingsambtenaar. Kwam Rauwertz van Fezant’s zwagers niets te weten, de uitleg uit het Mechelse klooster, die de baljuw ’s anderendaags (6 juli) al ontving liet aan duidelijkheid niets te wensen over. In een uitgebreid vertoog sabelde vicaris 50 Aloysius a Sancta Catharina het gedrag van monnik Fezant ongenadig neer.  Het schrijven ging linea recta naar naar de scriba van de gereformeerde kerkenraad, die het twee dagen later in de  vergadering van 8 juli 1759 integraal voorlas.

De tekst hierboven is de aanhef van de afgeschreven kopie van het aan baljuw Rauwertz gerichte antwoord uit het Karmelietenklooster te Mechelen. Alle binnenkomende correspondentie betreffende ‘de zaak Fezant’ werd door de scriba integraal of in samenvatting in de notulen van de vergadering van de gereformeerde kerkenraad opgenomen. Dankzij deze, tot in details uitgewerkte, verslaglegging, kunnen we ‘de kwestie Fezant’ in de periode dat de uitgeweken pater in Hulst verbleef, op de voet volgen.

(Gemeentearchief Hulst, stadsarchief, inv.nr. 81,  notulen gereformeerde kerkenraad).

De gedetailleerde reactie uit Mechelen plaatste de aftocht van pater 51 Philippus in de aanhef al meteen in een duidelijk perspectief. De vicaris omschreef hem als eenen ongelukkighen Religieus, dienende tot groote droefheyt van syn ouders, meerdere verergernisse van syn order (de orde der Karmelieten). Zijn vluchtmotief was niet zijn wens om protestant te worden (gheen overtuyginge van syn gemoet dat hy syne religie wilt verlaeten), maar om frank en vrij te kunnen genieten van de vele verlokkingen van het leven (een ongebonde leven, soekende sonder oordeel ofte verstandt), niet in de laatste plaats het seksleven (syne naturelyke lusten). Het uitstapje naar Hulst was nu al de vierde keer, dat Fezant het klooster onrechtmatig had verlaten en de oprechtheid van zijn berouw (met beloften van beternisse drymael is te rugh gekeert) was daar inmiddels volstrekt ongeloofwaardig geworden. Steeds immers ging hij na het uitzitten van zijn verdiende straf (naervolghens de wet van syn religie geboet te hebben) er weer als een haas vandoor (wederom is gaen vlughten).  Op zijn plezierreisjes wist Fezant met overtuigend klinkende mooie praatjes (door versierde leughenen) verschillende individuele personen en kerkenraden geld afhandig te maken. De gulle gaven werden hem des te gemakkelijker gegeven, omdat hij voorwendde, dat zijn ouders voor hem financieel garant stonden (syne eerlyke ouders, op welkers crediet hy het gevraeght hadde). Iedere keer, dat de schuldeisers zich bij de ouders meldden, als zoonlief hen weer voor een voldongen feit had geplaatst, leidde dit tot grote ruzie (veelle contestatien) in het gezin, maar vanwege de familie-eer werd er steeds braaf betaald.

Museumrotterdam.nl, vaste collectie.
Een van Fezants plezierreisjes ging naar Schiedam. Dat deze stad destijds vergeven was van de jeneverstokerijen en dito taphuizen was hier vast niet vreemd aan. 

Vicaris Aloysius staafde zijn beschuldigingen met concrete voorbeelden. In ’s Hertogenbosch had de gereformeerde kerk zich laten tillen voor een relatief groot bedrag, bijeengebracht in een algemene inzameling (een publike collecte voor hem geschiet). De gehaaide pater had zijn gulle gevers om de tuin geleid met het voorwendsel om met de opgebrachte gelden in Leiden zijn studie voort te zetten (van naer Leyden syne studien te gaen vervoorderen), maar in plaats daarvan trok hij naar Schiedam, waar hij lustig en losbandig (in ondeught) aan de zwier ging. Toen het geld erdoor gedraaid was, vertrok hij naar Amsterdam. Vicaris Aloysius wist niet goed wat Fezant in deze stad had uitgespookt, maar het was wel duidelijk, dat hij hier niet veel geld van argeloze weldoeners afgetroggeld had, noch zelf de kost had weten te verdienen. Naar verluidt zou hij vergeefs gepoogd hebben een baantje over zee te zoeken, maar had hij de stad ten slotte verlaten wegens gebrek aan subsistentie (levensonderhoud).
Platzak (verteirt synde) keerde hij in arren moede terug naar Mechelen en klopte deemoedig en vol berouw (te rugh is gekeert naer syn clooster om vergiffenisse te vraeghen van syn misdaden) bij zijn klooster aan om voor de zoveelste keer om genade te smeken. Aan het slot van zijn betoog gaf de vicaris aan de gereformeerde kerkenraad in Hulst de uitdrukkelijke waarschuwing mee, dat Fezant door geveynstheyt en versierde leughenen het publieck van Hulst soude gerne bedrieghen en dat deze volmaeckten deugeniet het alleen maar verdiende als een bedriegher van het Publieck weghgejaeght te worden.

Scheepvaartmuseum Amsterdam, replica VOC-schip De Amsterdam (1747),  benedendek.

Volgens vicaris Aloysius wilde Fezant in Amsterdam zijn geluk beproeven met een baantje in de grote vaart. Op zich zou hij met zijn religieuze achtergrond Gods woord aan boord wel kunnen verkondigen en bovendien zaten schepen naar de Oost vaak zonder predikant. Maar zonder universitaire opleiding en promotie en bovendien van katholieke komaf kwam Fezant hiervoor niet in aanmerking.  Dat gold ook voor de  functie van ‘ziekentrooster’, die aan boord bij gebrek aan een dominee in de essentieel geachte zielzorg van de bemanning voorzag.  Een behoorlijke kennis van de geloofsleer voldeed voor deze baan als de gegadigden vooraf een examen hadden afgelegd. Ook daaraan voldeed Fezant niet, als hij al het door hem ontvluchte schamele bestaan als bedelmonnik zou inruilen voor een hachelijk, ongezond en slecht betaald leven benedendeks tussen de hangmatten. 

In de slachtofferrol

De lijst met misdragingen in het onverbiddelijke ‘vonnis’ uit Mechelen was voor de kerkenraad ernstig genoeg om de pater, die nu ook in Hulst zorgeloos op kosten van de diaconie vegeteerde, met de zware beschuldigingen te confronteren. Diep verontwaardigd over deezen impertinenten brief, opgepropt van lasteringen, kroop de spijtoptant meteen in de slachtofferrol. Het spelen van de vermoorde onschuld is een gebruikelijk trucje om zich bij gebrek aan tegenargumenten vrij te pleiten, maar de pater slaagde hier nauwelijks in. Hij betoogde nooit in zijn klooster blijken van de minste ondeugendheid gegeven te hebben, maar dit had de vicaris hem in zijn brief dan ook niet verweten. Hij beweerde in de afgelopen vier jaar niet vier, maar één keer (en anders uit zijn klooster niet is geweest)  weggelopen te zijn, maar moest tegelijk toegeven nu en dan eens op het landgoed van zijn zwager te hebben doorgebracht zonder permissie van den oversten 52. Hij beriep zich op door hem geschreven brieven aan de gereformeerde kerk in Den Bosch en Schiedam met dankbetuiging voor hunne weldaaden, maar dit was op zich geen bewijs, dat hij het in goedgelovigheid gegeven geld ook rechtmatig had besteed. Zeer onwaarschijnlijk was het verweer, dat de abt van het klooster hem na zijn terugkeer in de beslotenheid van de orde allerlei beloften van meerdere vrijheid en toegeeflijkheid had gegeven. Met het belonen van het overtreden van de kloosterregel en het verstrekken van een privilege, dat regelrecht indruiste tegen de collectiviteit van de kloostergemeenschap zou de abt een precedent van jewelste hebben geschapen.  

Bij hoog en bij laag hield Fezant staande, dat hij zijn klooster de rug had toegekeerd om des Religie wille (nml. het overgaan van het katholieke naar het protestantse geloof) en alleen was teruggekeerd vanwege de geduurige tedere aandrang en bloedtraanige brieven van zyne moeder en gansche familie. In deze samenhang klonk het aan het slot van Fezants verdedigingsrede wel heel vreemd, dat hij beweerde  persoonlijk vergiffenis te hebben hebben gekregen van de paus, de hoogste gezagdrager van de door hem nu zo verguisde katholieke kerk.

Portret van paus Benedictus XIV door Christian Friedrich Fritzsch, 1751), rijksmuseum.nl object. nr.RP-P-1908-872. 

In zijn weerwoord ter rechtvaardiging van zijn escapades, haalde Fezant er zogenaamde ‘eigenhandige pardonbrieven’ van paus Benedictus XIV bij, waarin hem vergiffenis was verleend. Het was toch erg curieus, en ongeloofwaardig, dat de tot de gereformeerde religie bekeerde pater, het hoofd van de katholieke kerk hiervoor als opperste genadeheer nodig had. Fezant kon trouwens de absolutiebrieven niet als bewijs aan de gereformeerde kerkenraad in Hulst laten zien. 

 

Er kwam ook nog een  voorbeeld voorbij van den priester Mauritius, die ook om zijn geloof het klooster had verlaten en doorslaande blijken van zijn oprechtheid tot zijn dood toe heeft gegeven. Van eerlijkheid had Fezant echter tot dan toe nog bitter weinig laten zien. 
Het pleidooi werd afgesloten met de conclusie, dat zijne overtuiging, die hij van de waarheid (d.w.z. het gereformeerde geloof) had, hem altoos is bijgebleven en dat hij alléén daarom zijn klooster, zijne aanzienlijke familie en vrienden en alles heeft verzaakt.

Een rondje langs de speelvelden 

De geestdrift van de kerkenraad was als gevolg van de concrete aanklachten in het schrijven van de vicaris van het Karmelietenklooster in Mechelen en de zeer zwakke repliek van de beschuldigde  danig getemperd.  Curieus genoeg sloeg het kerkbestuur niettemin de waarschuwing uit Mechelen in de wind. Fezant werd niet de laan uitgestuurd en mocht voorlopig zelfs zonder beperkende voorwaarden verder zijn gratis kost en inwoning genieten. Om met alle Voorzichtigheid te werk te gaan en niet misleid te worden besloot de kerkenraad tot een schriftelijk informatierondje ‘langs de speelvelden’ van de gewezen pater in Den Bosch en Schiedam.
Namens de gereformeerde kerkenraad te ‘s Hertogenbosch stuurde predikant Joachim Mobachius een erg lang(dradig) rapport naar zijn ambtgenoten in Hulst. Hij liet zich in woord ogenschijnlijk uitermate sympathiek uit (ik beklaag hem, handelt zachtkens met dien jongeling) en betoonde zich erg positief over het gedrag van Fezant tijdens diens verblijf in Den Bosch (zolang, zich hier heeft opgehouden, niet ’t minste ten zijnE. nadeel). Net als in Hulst was de gereformeerde kerk aldaar kennelijk erg met Mechelse ex-pater ingenomen, want  Mobachius noemde hem meerdere keren netjes de Heer E. Fezant en zelfs zijnE. (de afkorting van ‘zijn Edele’).
Dat deze klaploper zich in ‘s-Hertogenbosch voorbeeldig gedroeg is overigens logisch, want alleen dan kon hij geld voor zijn escapades binnen harken. Na een succesvolle speciale collecte ten zijnen gunste was hij snel met eenige liefdegaven, bedoeld om hem tot Predikant te laten studeren, vertrokken. Met de welgevulde  geldbuidel ging de reis niet richting universiteit van Leiden, zoals hij beloofd had (de toeleg was), maar naar de ‘jeneverhoofdstad’ Schiedam.

 kerkinisrael.nl

Portret van Joachimus Mobachius, predikant te ’s Hertogenbosch, bij wie Engelbert Fezant op veel sympathie en medewerking kon rekenen. In zijn brief aan de gereformeerde kerkenraad in Hulst bleek wel waarom. De toon in zijn schrijven was fel anti-katholiek; hij noemde onder meer het klooster in Mechelen ‘Babel’ 53 en het katholieke geloof ‘die afgodische religie’. Bij zo’n diepe afkeer van het katholicisme bij de predikanten, was het voor een opportunist als Fezant een koud kunstje om voor te wenden om theologie te gaan studeren voor het overgaan naar ‘de ware religie’ en vervolgens met het daarvoor bestemde collectegeld in Schiedam de bloemetjes buiten te zetten. In Hulst was de blik van de gereformeerde kerkenraad  eensgelijks getroebleerd.

Uit het vervolg van het schrijven van Mobachius blijkt, dat hij contact gehad had met de geloofsbroeders in Schiedam, maar toch liever niets over het frivole leven van de pater in de ‘jeneverstad’ kwijt wilde (In Zyne onvoorzichtigheid te Schiedam laat ik mij niet in). Niettemin kwam hij toch met enige informatie over de brug; de ergernis won het blijkbaar van de tegenzin.  Fezant liet het in Den Bosch afgepingelde geld in Schiedam lekker rollen (een splendiet leven), waarmee hij flink achter de meiden aanzat (Zyne bijzondere fout; uitgekomen op vryagien). Of de kerkenraad in Schiedam ook geld voor de pater-klaploper had ingezameld, schrijft Mobachius niet. In ieder geval heeft men daar op enig moment het contact met Fezant verbroken (de hand van hem heeft afgehouden) en hem zonder referenties de laan uitgestuurd (wegens het gepasseerde geene nadrukkelijke attestatiën54. Evenals vicaris Aloysius uit Mechelen memoreerde ook Mobachius, dat Fezant daarna te Amsterdam getragt heeft een bestaan te vinden, waar niets van terecht kwam (hebbende een en andermaal gesmaakt, hoe bitter hem zo eene vlugt zeer opbreekt).

Gemeentearchief Hulst, Notulen van de gereformeerde kerkenraad, archiefnr. 81. 
Het slot van het  antwoord van predikant Joachim Mobachius uit ’s Hertogenbosch.

Dit schrijven, ofschoon minder uitgebreid en gedetailleerd dan de brief uit Mechelen van vicaris Aloysius, bevestigde het op ondubbelzinnige wijze de feiten en meningen in de Mechelse brief. Desondanks eindigde het betoog  met het vergoelijken van Fezants gedrag. Er bestond blijkbaar veel coulance om deze ontspoorde pater bij het zo verfoeide katholieke geloof weg te houden en voor ‘de ware religie’ te behouden.

Uit Schiedam was er ook  antwoord gekomen. Dominee Remko Haijens wilde maar weinig woorden aan de kwestie vuil maken. Hij memoreerde alleen,  dat gemelde Fezant mij en anderen te Schiedam in perzoon wel bekend is en dat deze zich in het begin zeer stigtelijk, maar daarna zo stigtelijk niet meer had gedragen. Verreweg het grootste gedeelte van het schrijven bevatte het gebruikelijke gefoeter op de valsche leere in ’t Pausdom (het katholicisme) en het verheerlijken van de leere der waarheid (de gereformeerde godsdienst). 
De gereformeerde kerkenraad in Hulst vond, dat dominee Haijens zich er wel erg gemakkelijk van had afgemaakt. De vergadering van 29 juli 1759 besloot daarom de predikant uit Schiedam nogmaals aan te schrijven en nader elucidatie (opheldering) te verzoeken voor de zinsnede maar daarna zo stichtelijk niet meer. Deze passage, zo schreef men, was  zeer duister en onbepaald, en dus gansch niet voldoende. Dat hielp! Nu heette het in het antwoord, dat de Mechelse ex-pater zich onder ons zich wat te libere (te vrij) gedragen heeft, meer naalatig in de betragting (in acht nemen) van den uitwendigen Godsdienst. Fezant had zijn seksuele aandrang niet in de hand kunnen houden (de jongelingsdriften vrij ruim den toom gevierd) en zich overgegeven aan ongepaste vrijpartijen (eene ontijdige en voor hem, dies tijd, niet voegzame vrijagie). Tegenover de kerkenraad in Schiedam had hij de scharrelpartijen eerst ontkend en daarna wel bekend (ook de zwakheid gehad van die vrijagie bij een mijner Collegen te ontkennen en daarna bij een ander van mijnen Collegen te bekennen). Dat was in tweede instantie een heel duidelijk antwoord en geheel in lijn met de ervaringen van het klooster in Mechelen en van de kerkenraad in Den Bosch.

Gevangen in geloofsijver

Nu zou je verwachten, dat de drie gelijkgestemde bevindingen uit Mechelen, Den Bosch en Schiedam voor de gereformeerde kerkenraad in Hulst meer dan genoeg waren om Fezant zonder pardon de stad uit te jagen, maar het gebeurde niet.
Wel nam het kerkbestuur het besluit definitief te bepalen, wat er met de frivole profiteur moest gebeuren, maar dit werd niet ingegeven door de ontvangen respons. De enige reden was de financiële wissel, die het verblijf van de weggelopen monnik op de kas van de diaconie trok. De logeerpartij had inmiddels al een maand geduurd en kon niet met het onderhoud van gemelden Heer Fezant langer bezwaard worden. Tevens was er voor hem geen enkel zicht op een kerkelijke functie of andere baan (hier ter plaatze ook geen bestaan voor hem te verwachten). De zitting van de kerkenraad van 26 augustus 1759 kwam daarom overeen om Fezant met een recommandatie aan eenige bekende vrienden te adresseeren na (te sturen naar) Middelburg. Deze recommandatie (aanbevelingsbrief) was vervat in een erg lang epistel, een duidelijke getuigenis van het positieve gevoelen tegenover de gewezen priester. De informatie uit Mechelen, Den Bosch en Schiedam werd afgedaan als een poging om Fezant in een kwaad daglicht te stellen (men zoekt hem alleenlijk haatelijk te maaken). Ook vond men de  geschetste ernst van de misdragingen ongeloofwaardig (hebben bevonden onwaarheid te zijn) en werd het losbandige leven gebagatelliseerd tot den schijn van eenige onvoorzichtigheeden, die gewoon toe te schrijven waren aan de onbedachtzaamheid der jeugd. In Hulst was Fezant’s gedrag zonder alle opspraak en stichtelijk geweest en het vervullen van zijn godsdienstplichten voorbeeldig (den openbaaren Godsdienst gezet en naarstig heeft bijgewoond). De leugens, die de voormalige kloosterling overal had rondgestrooid, bleken helemaal niet mee te tellen.
Uit alles bleek, dat de geloofsijver om de gevluchte katholieke kloosterling voor ‘de ware religie’ te behouden niets aan kracht had ingeboet. Vanuit deze subjectiviteit werden alle ingewonnen, voor Fezant belastende, inlichtingen als vals  bestempeld en diens scheve schaatsen met de mantel der liefde bedekt. Hoewel indringend bekend was, dat Fezant op slinkse wijze in Den Bosch en Schiedam geld had losgekregen om er lekker mee aan de rol te gaan, trapte de gereformeerde kerkenraad van Hulst er willens en wetens ook in.  Men vroeg aan en kreeg van de magistraat  toestemming voor twee collectes geschiedt voor den Heer Fezant. De inzamelingsactie bracht het niet geringe bedrag  

(Footo.nl, 19-12-2007, door Cobra)

op van honderd en een gulden, drie stuivers en acht penningen, nog vermeerderd met een gift van de diaconie van Sint Jansteen ad 20 gulden.
Om tot zijne reize na Middelburg bevorderlijk te zijn werd het kapitaaltje  aan Fezant zelf ter hand gesteld en dat was natuurlijk de kat op het spek gebonden. Het was gewoon  wachten op het moment, dat de gulle gaven er weer doorheen waren gedraaid. Na ruim drie maanden was het zover. Op de vergadering van de gereformeerde kerkenraad in Hulst van 5 december 1759 memoreerde de voorzitter, dat predikant Jacob Wichmans een brief uit Middelburg had ontvangen van zijn moeder, juffrouw De Superville. Uit dit schrijven bleek, dat de ex-pater-flierefluiter na zijn vertrek uit Hulst naar Engeland was overgestoken en onlangs uit armoede en gebrek uit Engeland geretourneerd zynde, zich bevind te Vlissingen 

ten huize van een koopman Der Moise, die hem ookniet langer wil houden, en heeft laaten weeten, dat hij hem naa Hulst wil te rug zenden.

Eindelijk dan was bij de kerkelijke weldoeners in Hulst nu het punt bereikt de naïeve goedgelovigheid te vervangen door nuchter verstand. De vergadering oordeelde tenminste hem hier voor de tweede maal niet konnen accepteren. Maar om er dan toch weer meteen aan toe te voegen met de uiterste compassie met den man aangedaan te zijn. Dus werd er weer een andere notabele in Vlissingen benaderd in de persoon van schepen Leonard van Sonsbeeck, met het verzoek om dit ongelukkig onderwerp (d.w.z. de persoon Fezant) aan te bevelen in zijn goedgunstigheid (aan zijne goede recommendatie) 55. Ook werd met vier pond Vlaams 56 nog maar eens de beurs getrokken als blijk van onze goede geneegenheid, welk bedrag niet aan het berooide  subject zelf, maar in handen van juffrouw De Superville in Middelburg werd gesteld.  Beurtschipper Kleinzwager, als diaken tevens lid van de gereformeerde kerkenraad in Hulst, ging het financiële extraatje in Middelburg afgeven. De schipper verscheen op 9 december met voorspelbaar nieuws in de kerkenraadsvergadering. Er deden nadeelige geruchten de ronde over genoemde Fezant, die zich inmiddels niet meer in Zeeland zou bevinden. Het laatste werd bevestigd in een schrijven van Leonard van Sonsbeeck, die van koopman Der Moise had vernomen, dat Fezant ten tweede male naar England was afgereisd.
Hier eindigde voor de gereformeerde kerkenraad in Hulst de bemoeienis met Engelbertus Josephus Fezant. Gedreven door een niet te bedwingen geloofsijver had men de notoire losbol tot op het laatst financieel gesteund om zijn losbandig leven op andermans kosten voort te zetten.

Het lijkt erop, dat er ten slotte toch nog iets ten goede keerde. Een klein jaar later werd op 20 november 1760 in Londen het huwelijk voltrokken tussen Jane Baker en Engelbert Joseph Fezant in de kerk van Saint Anne in de wijk Soho. Nog later maakt een kerkelijk akteboek op 12 januari 1776 melding van een Joseph Fezant als curate 57 in de parochie van Wapping, een district in Londen58.

(pinterest.com.au) Saint Anne Church in Soho, ca. 1810. In deze kerk trouwde Engelbert Fezant met Jane Baker.

De laatste rit van Daniel Janssen

Een inkijkje in een 18e eeuws strafrechtelijk onderzoek

De van St Jansteen geboortige Maria Katharina de Nijs was op 9 juni 1749 in Hulst in het huwelijk getreden met de uit Kemseke in België afkomstige weduwnaar Andries Schuurman. In het huwelijksregister is bij haar naam ‘j.d.’ vermeld, de afkorting van ‘jonge dochter’, wat destijds in dit verband de geijkte term was voor niet eerder getrouwde vrouwen. Het kwam vroeger nogal eens voor, dat jongedames een (veel) oudere man huwden en daardoor grote kans hadden binnen afzienbare tijd weduwe te worden. Als dit gebeurde moesten de achtergebleven vrouwen zich financieel maar zien te bedruipen. Het was ook Maria de Nijs overkomen en ze probeerde met een kleine hofstede in Kapellebrug met één boerenknecht in dienst in haar onderhoud te voorzien.
Deze werkkracht, de bij haar inwonende Daniel Janssen uit Belsele (B), had zich op zondag 5 november 1786 van het loon voor zijn zesdaagse werkweek opsettelijk op een allerbeestagtigste wijze ten huyse en herberge van Judocus Geldhof in Clinge een flink stuk in zijn kraag gedronken 59. Uiteindelijk was hij zo onmenselijk bedrankt geworden, dat hij buyten staat en als beroest geraakt zijnde was neergevallen.
De straalbezopen drinkebroer moest op de een of andere manier thuis zien te geraken en enige behulpzame cafébezoekers boden zich aan om Daniel Janssen in een kruiwagen van Clinge naar Kapellebrug te transporteren.

www.erfgoedinzicht.be, object. nr. 2011-002-514
Centrum agrarische geschiedenis, www.cagnet.be, object nr. 00014031

De grove houten boerenkruiwagens met bak of open laadvlak waren uitermate geschikt om grote zware lasten rond te kruien, maar niet voor het vervoer van het ‘dode’ gewicht van een nagenoeg bewusteloos lichaam. Het hotsende en botsende tochtje over een achttiende eeuws dorpsweggetje vol gaten en kuilen had mogelijk bijgedragen aan Daniel Janssens’ fatale laatste rit.

Bij aankomst op zijn logeeradres vertikte zijn bazin Catharina de Nijs het om haar laveloze werknemer binnen te laten brengen, waarop de reis werd voortgezet naar de nabijgelegen hoeve van Pieter de Dauw, die de zuipschuit ter ontnuchtering in zijn lege varkenskot liet kieperen. De volgende morgen trof men Daniel Janssen aan met het aangesigt voor over in het stro of mest en bleek de onfortuinlijke knecht ontslapen te zijn in plaats van uitgeslapen. 
In tegenstelling tot heden ten dage was de procedure met betrekking tot een verdacht overlijden destijds in handen van de lokale magistraat, die zowel tot bestuur als rechtspraak bevoegd was. De verantwoordelijkheid voor opsporing en vervolging lag – vanaf de Middeleeuwen al – bij de baljuw.
Omdat Daniel Janssens de geest had gegeven in het rechtsgebied van Hulsterambacht 60, diende zich in de ochtend van 6 november een zware delegatie aan in het varkenshok, allen aangetreden om volgens de procedure het lichaam van de onfortuinlijke overledene te schouwen:
– burgemeester Otto Obreen als plaatsvervangend baljuw.
– de schepenen Johan van Vlissegem en Isaac Tegelberg namens het gerecht.
– griffier J. Paris voor de minutieuze verslaglegging.
– Isaac Henry Gallandat en Pieter François Nolson, resp. medicinae doctor (arts) en chirurgijn (heelmeester) als ‘patholoog-anatomen’ voor Hulsterambacht.
Het ter plaatse uitgevoerde uitwendig onderzoek van het stoffelijk overschot gaf geen uitsluitsel over de positive oorzaak van het overlijden, omdat er aan dit lighaam uitwendig geen sijmptomata te zien waren. Zomaar aannemen, dat overmatig gebruyk van Drank de grote boosdoener was geweest vond men een te gemakkelijke, zo niet voorbarige, conclusie en dus werd besloten tot een capitaal schauwing en exact ondersoek, d.w.z. een autopsie. Dus stond de volgende ochtend om tien uur dezelfde personele bezetting paraat in den Gerechtshuize van den Lande van Hulsterambacht in de Steenstraat in Hulst.

Het uitvoeren van een sectie in een gekoelde ruimte van een forensisch mortuarium met gespecialiseerde artsen was eind 18e eeuw nog toekomstmuziek.

Lijkopeningen vonden plaats in het gebouw, waar een plaatselijke overheid zetelde, zoals in het ’s Landshuis in de Steenstraat in Hulst voor het Hulsterambacht.

Een van de ruimten fungeerde in de letterlijke betekenis van het woord als ‘schouwtoneel’. De autopsie werd bijgewoond door de baljuw als ‘officier van justitie’ en een delegatie van twee schepenen van Hulsterambacht in hun hoedanigheid van rechterlijke instantie en door de griffier.

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl, inv.nr. 112820)

Formeel was er toentertijd een groot verschil in status tussen Gallandat, die als medicinae doctor de doodsoorzaak moest vaststellen en Nolson, die als chirurgijn alleen maar zou mogen snijden. Uit het uitvoerige verslag van de lijkschouwing blijkt echter, dat beiden hier collegiaal samenwerkten in het openen van de twee holligheeden van Borst en Buik. Het is te hopen, dat het aanwezige gezelschap niet te uitgebreid ontbeten had, want uit eene dunne Chijmus in de maag van de overledene welde na het snijden een onmiskenbare reuk op, die duidelijk een voorgegaan gebruik van sterken drank te kennen gaf. Deze constatering was slechts een bevestiging van wat de vorige dag bij de eerste uitwendige lijkschouwing al was gebleken. Naarmate se sectie vorderde raakte de overmatige alcoholconsumptie als meest waarschijnlijke doodsoorzaak steeds verder uit beeld. Het bleek immers dat in tegendeel de maag, zoo wel als de leever de milt en verdere ingewanden er in statu naturali (volkomen normaal) uit zagen en ook het hart en de longen zonder eenige extravasatie (bloeding) of kwetzing in derselver natuurlijken staat waren.

Gedeelte uit het officiële rapport van Gallandat en Nolson (Gemeentearchief Hulst, Hulsterambacht nr. 1185, lijkschouwingen, 07-11-1786)

Wat dan wél met zekerheid tot het schielijk overlijden had geleid, was medisch niet vast te stellen en Gallandat en Nolson hielden het op een fatale samenloop van omstandigheden. Het was huns inziens goed mogelijk, dat de kruiwagenrit een algemeene verstijving van en een verhinderden omloop des bloeds in het ‘dode’ gewicht van Daniel Janssens had veroorzaakt. En omdat hij daarna met zijn gelaat naar beneden in het varkenshok had gelegen, was er een belette respiratie (ademhaling) en eindelijk suffocatie (verstikking) op gevolgd, zo was de redenering.
Burgemeester Obreen, in zijn functie van plaatsvervanger voor de afwezige baljuw, kreeg deze interpretatie dan ook als conclusie in de officiële verklaring te lezen, maar hij vond deze zodanig problematicq, dat hij op den toedragt dezer zaak eenig nader en nauwkeurig ondersoek wilde doen. Zijn recherchewerk leverde echter geen nieuwe gezichtspunten op. Alle getuigenverklaringen kwamen nog steeds hierin overeen, dat den gesegde Daniel Jansen alleen als de oorsaak van het funest toeval werd gezien en dus waarschijnlijk aan de gevolgen Zijner dronkenschap was overleeden.
En ofschoon Gallandat en Nolson in hun verslag de hobbelige kruiwagenrit als een mishandeling kwalificeerden, die mogelijk mede tot de dood had geleid, kon Pieter de Dauw met zijn consorten alleen worden verweten, dat zij beeter en voorsigtiger hadden gedaan, van den opgemelden janssen in den staat waar in hij zig bevondt in de voorsz. Herberge te laaten verblijven.
Er was geen sprake van opzet, hooguit van ongelukkig handelen vanuit de beste bedoelingen en dus verviel iedere grond voor verdere strafrechtelijke stappen. Hiermee zat de taak van Obreen als openbaar aanklager er voor dit incident op. Officieel kwam ‘de kwestie Janssen’ nog ter sprake als agendapunt in de vergadering van de magistraat van Hulsterambacht op 13 november 1786.
Dit college besloot na het mondeling rapport van voorzitter Obreen deeze zaak buyten verder onderzoek te laaten en de verklaring van des ambagts doctor en chirurgyn te doen seponeren.

Vrouwe Justitia

Geheimmiddelen in Het Hulsterblad

1.   De illusie van de wondermiddelen

Kranten verschijnen in Nederland al meer dan vierhonderd jaar, maar zij waren tot halverwege de 19e eeuw vooral voorbehouden aan de elite. Toen in 1869 de overheidsbelasting op kranten, het zgn. ‘dagbladzegel’, werd afgeschaft, halveerde de prijs en was dit nieuwsmedium ook voor de massa beschikbaar. Handige zakenlieden speelden hier op in met advertenties, gericht op het aanprijzen van hun eigen producten voor deze specifieke doelgroep. Het meest in het oog lopend, zowel in aantal als in verkooptechniek, waren advertenties voor zogeheten ‘geheimmiddelen’, commerciële nepmedicijnen, waarvan de recepten zorgvuldig geheim gehouden werden. In gewiekste reclameboodschappen werd een heel scala aan drankjes, poeders, zalfjes, pillen en capsules aan naïeve kopers aangesmeerd als remedie tegen werkelijk alle kwalen, variërend van ernstige ziekten tot hinderlijke ongemakken. In deze eerste periode van de moderne marketing konden producenten zich ongestraft te buiten gaan aan overdrijven en misleiden, omdat regelgeving van overheidswege ontbrak61. Hierdoor was natuur- en scheikundig onderzoek naar de nutteloosheid of juist de grote risico’s van de werkzame stoffen in de wondermiddelen hoegenaamd niet mogelijk. Door de afwezigheid van regulering en de aanwezigheid van een onuitputtelijke klandizie opende zich voor de professionele kwakzalvers een winstgevende ‘big business’. Slechte arbeidsomstandigheden in fabrieken, zwaar veldwerk in de landbouw, kinderarbeid, lage inkomens, eenzijdig voedsel, ondervoeding, krotwoningen, gebrek aan hygiëne en dure, dus onbereikbare reguliere medische zorg, zorgden voor genoeg potentiele klanten onder de lagere klassen. Een belangrijk kenmerk van de moderne reclame bestond uit het frequent aanprijzen van producten in alle kranten: landelijke, regionale en lokale. Om deze reden komen we de advertenties met geheimmiddelen ook tegen in Het Hulsterblad, een plaatselijke krant, die tussen 1866 en 1949 in Hulst werd gedrukt en uitgegeven62.

Het Hulsterblad, 21 september 1874, blz. 2

Weekblad van Haarlemmermeer,  4 april 1873, blz. 3.

Het drukwerk van Het Hulsterblad (afbeelding links) was geruime tijd van een vrij inferieure kwaliteit; donkere onduidelijke illustraties, geringe lettergrootte, slordige opmaak, slechte leesbaarheid en met de druk meegekomen ongerechtigheden. Dat het beter kon, blijkt op de afbeelding rechts, waarop de illustratieve boodschap van de producent veel zichtbaarder is. De pillen van Holloway zijn de ‘vriend van iedereen’; volgens de tekst op de wereldbol kent iedereen dit product (known in all parts of the world) en is dit middel de alles omvattende oplossing (here’s your remedy). De wijze waarop Holloway adverteerde was destijds  revolutionair.

Thomas Holloway adverteerde tussen 16 oktober 1869 en 15 oktober 1892 in bijna iedere wekelijkse aflevering van het Hulsterblad. De opmaak van de reclame was bijna altijd gelijk: een functionele illustratie, de naam van het product prominent onder de afbeelding, een pakkende titel en een uitbundige aanprijzing van het wondermiddel. In de tekst van de advertentie linksboven heten de ‘Pillen Holloway’ het beste product te zijn (niets overtreft), want zij zijn werkzaam, waar andere middelen falen (laatste redmiddel), geschikt voor liefst alle kwalen (welk de ziekte zij), ongeacht de oorzaak (waar zich de zetel er van ook bevinde). De wijze, waarop Holloway  destijds reclame maakte voor zijn nepgeneesmiddelen, was revolutionair.

2.    The English ‘quack-professor’ Thomas Holloway

De grootste charlatan onder de 19e eeuwse fabrikanten van geheimmiddelen was ongetwijfeld de Engelse ‘quack’ (kwakzalver) Thomas Holloway.  Alsof hij een hoge onderzoeks- en doceerfunctie had aan een

Edgehammuseum.org/online-exhibitions, june 2019

Alsof hij een hoge onderzoeks- en doceerfunctie had aan een universiteit, mat hij zich – ten onrechte – de titel ‘professor’ aan om bij het koopgrage publiek geloofwaardig over te komen. Zijn in 1838 opgezette fabriek voor zogenaamde geneesmiddelen produceerde tot aan de sluiting in 1892 slechts één soort zalf en één soort pillen, maar die waren beide – het liefst in combinatie natuurlijk – dan ook overal goed voor. Dankzij Holloway’s zakeninstinct en vernieuwende visie op het aan de man brengen van zijn creaties, wist hij het grootste ‘geneesmiddelenimperium’ van de 19e eeuw te verwezenlijken. Als een echte ondernemer durfde hij het risico aan om steeds meer te investeren (van 5000 £ in 1842 naar 50.000 £ in 1883) in een wijze van reclame maken , die tot dan toe ongezien was63. Omdat de krant destijds het belangrijkste reclamemedium was, adverteerde hij wereldwijd in zowat alle kranten  en bereikte daarmee vrijwel alle mogelijke kopers. De grootschalige marketing was een enorm succes en maakte Holloway tot multimiljonair. 

Het Hulsterblad, 7 januari 1882, blz. 4.

De zakenman, die de markt verkeerd inschatte of wiens reclamecampagne niet aansloeg, kon in grote financiële problemen raken. De advertenties van Thomas Holloway waren echter op meerdere onderdelen zo vernieuwend, dat zij tientallen jaren lang succes garandeerden. In plaats van de toen gebruikelijke saaie, zakelijke aankondigingen voor thee, boeken en wijn, ruimde Holloway de helft van de advertentieruimte in voor een aanschouwelijke prent. Direct daaronder kwam een grote diapositieve balk met de merknaam, zoals hier: ZALF HOLLOWAY64. Voor ons is een handelsnaam, waaronder artikelen worden verkocht, zeer gewoon, maar toen was dit echt een novum. Consumenten waren niet anders gewend dan bij de plaatselijke winkelier hun product te kopen zonder te weten van welke fabrikant het afkomstig was. Onder illustratie en naambalk volgde een uitgebreide uiteenzetting van het eminente belang van de koopwaar. De teksten, waarin de potentiële klant direct werd aangesproken, waren nooit hetzelfde, zodat het leek alsof er steeds andere nieuwswaarde werd aangeboden. Daarentegen was de boodschap, die werd uitgedragen, wel altijd identiek: de producten van Holloway konden alle aandoeningen met zekerheid genezen, iets beters was er niet! Ter geruststelling eindigde deze advertentie met de garantie, dat de ingrediënten van het geheimmiddel volkomen onschadelijk waren (geen kwikzilver of eenig ander schadelijk bestandeel). Deze waarschuwing was geen reclameslogan zonder meer, want er waren genoeg fabrikanten, die gevaarlijke stoffen door hun maaksels mengden.

De illustratie van het deksel van een zalfpotje (Holloway’s ointment) op de afbeelding rechts is ongeveer hetzelfde als die uit het Hulsterblad erboven en heel wat duidelijker, dan die uit de krant. Een gezeten vrouwelijke gedaante, gekleed in een ‘peplos’, het vrouwenkleed bij uitstek in het oude Griekenland, rust met haar linkerhand op een zuil. In haar rechterhand houdt zij een drinkschaal, die veel weg heeft van een oud-Griekse kylix65. Om de zuil links kronkelt zich de esculaap, het herkenningsteken van de arts en ook dit embleem is ontleend aan de beschaving van het oude Griekenland66. Ook het (half)naakte kinderfiguurtje, dat vaak als ornament in de kunst voorkomt, ontbreekt hier niet. Het wijst op een langwerpig bord met het adres van Holloway’s fabriek en met informatie over de verschillende doses, waarin de zalf verkrijgbaar was.

chertseymuseum.org 67.

Het Hulsterblad, 16 oktober 1869, blz. 6.

De eerste advertentie van Holloway in het Hulsterblad pakte direct uit met een vernieuwende advertentie-indeling: een grote functionele illustratie, een kanjer van een balk met merknaam en de aanprijzing van het wondermiddel. De mindere zichtbaarheid en leesbaarheid van afbeelding, cq de tekst, ligt minder aan de kwaliteit van de digitale foto, dan aan de  drukwerk kwaliteit van het Hulsterblad. De prent toont een groep zichtbaar zieke mensen. Een aantal van hen heeft krukken, midden onder wordt een half op de grond liggende ellendige ondersteund. Aller ogen zijn wanhopig en hoopvol gericht op de centrale figuur met baard , die als een echte messias ruimhartig pillen uitdeelt ’ter verlossing van alle kwalen’.
In vrijwel alle advertenties hadden de verklarende teksten een titel (hier: Een zeker geneesmiddel voor ziekten der vrouwen). In ieder krantnummer was deze aanhef anders, omdat er steeds andere aandoeningen werden genoemd, waartegen zalf of pil een probaat middel was. Omdat Holloway wereldwijd in kranten reclame maakte en zijn middelen verkocht, had hij duizenden agenten in dienst. Niet alleen als landelijke en regionale depothouders, maar ook om de inhoudelijk steeds wisselende teksten te maken en in de betreffende talen te vertalen. 

Het Hulsterblad, 5 juni 1875,  blz. 2.

Het duurde niet lang of andere fabrikanten – en niet alleen die van geheimmiddelen –  begonnen de advertenties van Holloway te imiteren, met als gevolg kranten vol pagina’s met reclameboodschappen. Ter illustratie hiervan een advertentiepagina uit 1875, met een zestal – voor de duidelijkheid  ingekleurde – voorbeelden. We onderscheiden in rood Urbanuspillen, in rose dr. Popp’s tandmiddelen, in geel Theophile’s haarproducten, in bruin Zickenheimer’s druivenborsthoning, in blauw Holloway’s pillen en in grijs de teercapsules van Guyot. Hoewel sommige concurrenten Holloway’s  model benaderden of zelfs overtroffen, gold dat nooit voor de kwantiteit. het aantal geplaatste advertenties bleef altijd (ver) achter bij de ‘uitvinder van de moderne reclamecampagne’.

Op 15 oktober 1892 stond de laatste advertentie van James Holloway in het Hulsterblad, ongewoon kort van tekst en zonder illustratie. Holloway was toen al bijna negen jaar overleden (26 december 1883) en zijn erfgenamen hadden het bedrijf op dezelfde wijze als de stichter voortgezet. Eind 1892 verdwenen ineens de advertenties uit de kranten en loste het bedrijf als het ware in het niets op. Onafhankelijk onderzoek bracht later aan het licht, wat miljoenen mensen een halve eeuw lang goedgelovig hadden geslikt. Specifiek giftig waren de pillen niet, maar evenmin helemaal ongevaarlijk. De  voornaamste bestanddelen waren varkensvet, olijfolie, hars en het sap van de vetplant aloë vera. De oplossing tegen alle kwalen was een sterk laxeermiddel geweest.

3.   Andere pillen en pillendraaiers

James Holloway was beslist niet de enige, die zijn nepmedicijnen succesvol wist te slijten. In zijn kielzog vertoonden zich tientallen andere pillendraaiers met wondermiddelen voor specifieke kwalen of werkzaam bij alle aandoeningen. Als handelsmerk gebruikten zij hun eigen naam, een verwijzing naar het doel van het product of een fantasie-term, zoals de ‘pink pills for pale people’ (roze pillen voor bleke mensen). Vergeleken met de Engelse reclamegigant adverteerden zij, in het Hulsterblad althans, minder frequent en over een kortere periode. Bij vrijwel iedere advertentie werden de verkooppunten in Hulst genoemd. Naast winkeliers fungeerden opvallend genoeg als distributeur ook apothekers, die hun winstoogmerk blijkbaar prefereerden boven het ethisch principe om alleen maar reguliere geneesmiddelen te verkopen68. Sommige farmaceuten gingen nog een stap verder en verkochten door henzelf in elkaar geknutselde nepgeneesmiddelen, het toppunt van kwakzalverij!

3a.   Engelsche Gal-, Slijm- en Maagpillen

Het Hulsterblad 1 december 1877 blz. 2. De laatste advertentie van de ‘Engelsche gal-, slijm- en maagpillen van apotheker J. Schreuder. Vanwege de slechte drukkwaliteit is de advertentie sterk vergroot weergegeven.

Apotheker J. Schreuder adverteerde een relatief korte periode, van 1 mei 1869 tot 1 december 1877, in het Hulsterblad met zijn vooral op maagkwalen gerichte foppillen. Ze werden in deze achteneenhalf jaar onder verschillende namen (Engelsche gezondheidspillen; Slijm- en maagpillen; Engelsche Gal-, slijm- en maagpillen) aangeboden bij verschillende winkeliers, die steeds een monopolie op het product van Schreuder hadden. In de volgorde van tijd waren dat in Hulst Lodewijk Brand in de Gentsestraat, Theo Annaert in de Bierkaaistraat, de ‘gezusters mejufvrouwen’ Rodrigo en Jan Borghstijn. De pillen kon men ook aanschaffen bij – achtereenvolgens – de  apotheker-depothouders Johan Nederveen in de Steenstraat en Leonard Enters in de Bierkaaistraat.

.

3b.   Urbanuspillen

Het Hulsterblad van 12 oktober 1872, blz. 2., eveneens sterk uitvergroot voor de leesbaarheid.

In de advertenties voor de Urbanus -Pillen werd de lat meteen al in de merknaam heel hoog gelegd. Zijne Heiligheid paus Urbanus VIII  zou het oorspronkelijke recept van dit middel hebben vervaardigd en de verbinding met diens naam was zeker niet bedoeld om de hoogste kerkvorst tot kwakzalver te bestempelen. Reclame voor deze namaakgeneesmiddelen stonden tussen 20 maart 1869 en 2 december 1876 in het Hulsterblad  Deze pillen waren ongetwijfeld in de regio erg bekend, want in de meeste advertenties – zoals  in het voorbeeld hierboven – stonden de toepassingen niet eens genoemd.

Portret van paus Urbanus VIII (1623-1644) uit 1627; Pietro da Cortona (museicapitolini.org ,inv. nr. PC 153, Rome).

Naar de normen en waarden van onze tijd was Urbanus VIII verre van een waardige bekleder van Heilige Stoel. Met de belangen van kerk en gelovigen liet hij zich weinig in, met de macht en rijkdom van zichzelf en zijn familie des te meer. Hij vergrootte het grondgebied van de kerkelijke staat, waarin zijn familie zich via ambten schandelijk kon verrijken. Voor de nodige oorlogvoering bezat hij een eigen wapenfabriek, hij veroordeelde de oude Galileo Galilei  vanwege diens wetenschappelijke bevindingen tot levenslange verbanning met huisarrest en hij stond bekend om zijn uitgebreide bras- en schranspartijen voor grote groepen genodigden. Om zijn buitensporige activiteiten te bekostigen, hief hij liefst 63 belastingen. Tot overmaat van ramp werd zijn persoon ook nog verbonden aan en gebruikt als merknaam voor het nepmiddel Urbanuspil. De kwakzalverij kan echter van zijn ‘prestatielijst’ worden geschrapt. De Urbanuspil is weliswaar erg oud, maar gaat niet verder terug dan ongeveer 1760. De in Vierlingsbeek (Noord-Brabant) praktiserende arts Jacobus Antonius Hoctin zou rond deze tijd met de productie zijn begonnen. De authenticiteit van het middel staat overigens niet vast, want in 1786 claimde Margaretha Vermaten het enige echte recept in 1764 te hebben ontwikkeld69. In de 19e eeuw beweerden vervolgens de fabrikanten Peters (door huwelijk verbonden aan de familie Hoctin) en de ‘Weduwe Kuenen & Zoon, chemisten te Haerlem’  beide in advertenties de echte Urbanuspillen te vervaardigen. Bovendien waren er nog veel meer imitaties in omloop, die alle onder de naam Urbanus-pillen verkocht werden. Wie de merknaam heeft bedacht en om welke reden is onmogelijk te achterhalen. Hetzelfde geldt voor het verband tussen de reclameboodschappen en paus Urbanus VIII . 

Het Hulsterblad van 9 november 1872, blz. 2.

De advertenties voor Urbanus-Pillen in Het Hulsterblad waren afkomstig van de firma Keunen (of Kuenen) in Haarlem. De concurrentie was blijkbaar moordend, want het grootste deel van de tekst gaat over een waarschuwing tegen namaak. Het is echter zeer de vraag – zoals we eerder zagen – of de ‘Weduwe Keunen en Zoon’ over ‘ het aloude en echte recept’  beschikten, zoals in deze reclame wordt beweerd. In de praktijk maakte het trouwens weinig uit of er een Holloway, een Engelsche of een Urbanus-pil werd geslikt, want alle balletjes waren vooral laxerend. In het aanprijzen van hun producten waren de Engelsche gal-, slijm- en maagpillen en de Urbanusillen identiek aan elkaar. Hun werking zou heilzaam zijn voor de maag en de spijsvertering en waren een beetje laxerend. Dit laatste was echt een verhullend taalgebruik, want de werking van deze laxeermiddelen was behoorlijk sterk.
Vergeleken met alle andere pillen heeft de Urbanuspil de twijfelachtige eer meer dan twee eeuwen onder deze merknaam  gefabriceerd te zijn. En zelfs nu nog…?

Toch een blijvertje?

Zelfs nu nog (januari 2022) – of in ieder geval tot voor kort was dat het geval – komen de Urbanuspillen in reclameboodschappen voor, niet meer als advertentie in de krant, maar online op twee heel algemene websites voor drogisterij-artikelen. De manier van aanprijzen lijkt nog aardig op die uit de 19e eeuw. Volgens het bijschrift op drogist.nl behoren de Urbanuspillen van het merk Meenk tot de voedingssupplementen. Als dit waar is, moeten zij bestaan uit geconcentreerde vitaminen, mineralen of andere voedingsstoffen. Maar net als bij de geheimmiddelen destijds mag de koper niet weten wat de samenstelling is. We lezen hierover de wat cryptisch-tegenstrijdige uitleg: ‘Helaas ontbreekt voor dit product uitgebreide informatie. Wij doen ons uiterste best om alle producten van goede informatie te voorzien’. Bij drogisterij.net is dit product uitverkocht en komt niet meer op voorraad. Hier heet de Urbanuspil een laxeermiddel te zijn, met een uitgekiende samenstelling van natuurlijke kruiden, gunstig voor de darmwerking. Deze volzin

zou in de reclame voor geheimmiddelen in de 19e eeuw niet misstaan. Tijdens het lange voortbestaan van de Urbanuspillen zal de samenstelling van dit nepmedicament beslist gewijzigd zijn. Verschillende onderzoeken wezen uit, dat de argeloze consument grote kans liep op vervelende bijwerkingen, omdat de hoofdbestanddelen sterk laxerend waren, zoals het sap van de aloë, sennablad en  zoethout- of dropwortel ; de gedroogde gemalen schors van de cascaraplant; de wortel van rheum officinale (Chinese rabarberplant). Als vul- en bindmiddel werd het mineraal calciumcarbonaat (kalk) en aardappelmeel gebruikt. Uit analyses in de jaren 70 van de 20e eeuw bleek, dat veel purgeermiddelen, waaronder de Urbanuspillen, het chemisch preparaat oxyfenisatine bevatten, dat tot ernstige leveraandoeningen kon leiden. Dit was des te gevaarlijker, omdat afwijkingen pas veel later konden optreden, wat het aantonen van het verband  met de laxeerpillen moeilijk maakte 70.

3c.   De teercapsules en teersiroop van Louis Guyot 

La Belle Epoque (lett. het mooie tijdperk) is de gebruikelijke term voor de periode tussen de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) en het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914). Een tijd van optimisme in Europa en met name in Frankrijk volgend op een gruwelijke oorlog, gekarakteriseerd door economische en artistieke bloei en een frivool en decadent leven van de kapitaalkrachtigen. La belle epoque was ook de periode van het grandioze succes van de ‘Goudron Guyot’ (de teer van Guyot). Louis Guyot, apotheker te Parijs, had met een ‘pastille’ en een ‘liqueur’ een remedie bedacht voor het genezen van alle veel voorkomende en gevreesde long-, luchtweg- en ademhalingsziekten. Onder zijn portret  op de binnenkant van een pillendoosje met zijn product matigde de maker zich met twee verschillende woorden (docteur en médecin) de titel van arts aan. Al was het hoofdbestanddeel ’teer’ in zijn merknaam en reclame niet geheim, zijn niet geheel ongevaarlijke maaksels  behoorden wel degelijk tot de ‘geheimmiddelen’. 

(lebonheurvintage.com)

Portret van Louis Guyot op de binnenzijde van een doosje met zijn teercapsules.

Het Hulsterblad 20 januari 1877, blz. 1.

Monsieur Guyot had de durf om veel en op een opvallende manier te adverteren goed van James Holloway afgekeken. Hij plaatste in het Hulsterblad af en toe grotere artikelen op de voorpagina (dat deed Holloway niet eens) om zijn waar aan te prijzen en pakte ook op de advertentiepagina nog uit met een flinke reclameboodschap. Waar Holloway beweerde, dat zijn pillen en zalf overal goed voor waren, beperkte Guyot zich tot de borstkwalen, maar ook hieraan was geen gebrek, zoals bronchitis, pleuritis, astma, tuberculose, catarre en longontsteking. Waar andere ‘allround’ middelen in hoofdzaak bestonden uit laxerende bestanddelen, bestond de capsule van Guyot maar uit één ingredient: ‘zuivere Noorweegsche teer’ 71, vanwege de gore smaak omgeven met een laagje gelatine. De argeloze gebruikers slikten dezelfde substantie, waarmee de houten scheepswanden al eeuwenlang als duurzaam conserveermiddel werden ingesmeerd.  De Vereniging tegen kwakzalverij en het Pharmaceutisch Weekblad  vonden het innemen van de ‘pekpillen’ en -likeur’ allesbehalve veilig. Menige inname van de ‘Goudron de Guyot’ leidde tot braken, een natuurlijk veiligheidsmechanisme van het lichaam om de maag te ontdoen van iets wat niet goed is. Ook bracht het allengs steeds geavanceerder scheikundig onderzoek giftige en kankerverwekkende elementen aan het licht72.

Het Hulsterblad 13 maart 1875. blz. 2.

Louis Guyot adverteerde in het Hulsterblad tussen 20 maart 1875 en 24 mei 1884. Vanaf het begin pakte hij uit met grote advertenties, zoals hier in het nummer van 13 maart 1875. Hij steekt hier zijn rivaal Holloway qua omvang naar de kroon met bijna een hele kolom tekst, omkaderd door een opvallende sierlijke omlijsting, de cartouche73. Tegen het advertentiegeweld van de concurrentie valt de bescheiden reclame voor de Stollwerk’sche borstbonbons helemaal in het niet.
Guyot’s advies voor het gebruik van zijn capsules vertoonde een gevaarlijke inconsequentie. In nevenstaande advertentie  in het Hulsterblad las de potentiele gebruiker – ongeveer in het midden – ‘Bij ’t gebruik van één of twee capsules op ’t oogenblik dat men gaat eten(…)’. Maar een Fransman las op een doosje ‘pastilles du docteur L. Guyot’  (zie de afbeelding hieronder) de raad om ‘vingt à trente pastilles par jour’, d.w.z. twintig tot dertig capsules per dag (!) in te nemen. Volkomen onverantwoord!

(lebonheurvintage.com)

Buitenkant van een pillendoosje van Louis Guyot. Anders dan bij de verpakkingen van zijn concurrenten stonden de belangrijkste ingrediënten gewoon op het deksel , waaronder het hoofdbestanddeel ‘Goudron’: teer.

3d.  Brilmans-Pillen

Het Hulsterblad, 19-08-1871 blz. 2 .

Tussen 19 november 1870 en 23 december 1871 beloofde ook de reclame voor de Brilmans-pillen als ‘allernuttigst voorbehoed middel’ allerlei kwade stoffen af te drijven en het bloed te zuiveren. Aanvankelijk was in Hulst dit preparaat alleen verkrijgbaar bij Pieter van den Broek, vishandelaar in de Bierkaaistraat; later uitsluitend bij apotheker Leo Enters aan de Houtmarkt 74.

3e.   Dr. Airy’s specialiteiten

Het Hulsterblad, 13 januari 1877, blz. 2

Evenals de Brilmans-Pillen was de duur van de advertenties voor de ‘specialiteiten’ van Dr. Airy beperkt tot slechts één jaar (23 december 1876/10 november 1877) 75. Deze wondermiddelen werden op de markt gebracht door de Duitse firma Richter (oorspronkelijk een kousenfabrikant!), die een ankertje als logo voerde. De brouwsels van ‘de met roem bekende’, maar geheel verzonnen Dr. Airy, waren zeer gevaarlijk voor de gezondheid. De ‘pain expeller’ (pijnverdrijver) bevatte onder meer de schoonmaakmiddelen ammonia en spiritus. In de pillen zat naast meer onschuldige plantenextracten een niet definieerbaar bitter en werd ijzerpoeder aangetroffen 76. De firma kreeg het aan de stok met de Leeuwarder broers Vitus en Bernardus Bruinsma, resp. scheikundige en arts 77. Het onderlinge bekvechten in landelijke bladen en voor de rechtbank viel uiteindelijk in het nadeel van alle fabrikanten van geheimmiddelen uit. De gebroeders Bruinsma kwamen op enig moment in de strijd op het idee om zich te organiseren. In 1881 ontstond de Vereniging tegen de Kwakzalverij , de nog steeds bestaande grote kwelgeest van alle onbevoegde wonderdokters en geheimmiddelfabrikanten.

3 f   De wonder-Malz van Johann Hoff

De Berlijnse fabrikant Johann Hoff had de ontkiemde en gedroogde gerstekorrel, ofwel ‘mout’, verheven tot het summum van de gezondheidsproducten. Ruim twee jaar lang (van 8 april 1871 tot 14 juni 1873) konden de lezers van het Hulsterblad zich gelukkig wanen in de zogenaamde heilzame werking van een aantal vondsten, waarin deze kwakzalver mout had verwerkt. Van zijn ‘Malz-Pommade’ gingen je haren groeien, met de ‘Malz-kruidenzeep’ werd je huid als nieuw, longaandoeningen verdwenen door het zuigen op ‘Malz-borstbonbons’ en het smikkelen van ‘Malz-chocoladeflikjes en het drinken van zijn ‘Malz-extract’ zorgde voor het afdrijven van kwalijke stoffen uit het lichaam.

Het Hulsterblad, resp. 13-07-1872, blz. 2; 09-03-1872, blz. 2; 20-05-1871, blz. 4; 08-07-1871, blz. 2

Het ‘Johann Hoff’sche Malz (mout) Extract’ was niets anders dan een bruin biertje, waaraan een kleurstofje (van de vuilboom- of wegedoornbast) en een bittertje (van de waterklaver) was toegevoegd. Om de suggestie te wekken, dat dit wonderpreparaat slechte stoffen afdreef was er zoals bij veel geheimmiddelen laxeermiddel toegevoegd. voor deze doortrapte manipulatie betaalde de naïeve consument wel vijf keer zoveel als een ‘gewoon’ flesje bier. In alle advertenties (zoals rechtsboven) werd deze gezondheidsdrank niet met bier geassocieerd, op eentje na (rechtsonder), waarin sprake is van gezondheidsbier. 

Het Hulsterblad 22-04-1871 blz. 4

Het Hulsterblad 15-02-1872, blz. 2

oldschoolwarehouse.com

Ook Johann Hoff kon het niet laten om in het kielzog van de concurrenten het waarheidsgehalte van zijn pretenties te verhogen met een lange lijst met persoonsnamen (zie de advertentie hieronder). Waar anderen vaak kozen voor gelukzalige uitspraken van als bij toverslag genezen patiënten, voerde Hoff een indrukwekkend overzicht op van met name genoemde artsen die een bruin biertje gelijk zouden stellen aan een werkzaam geneesmiddel. Critici van dit soort kwakzalverspraktijken, die  regelmatig zulke persoonsnamen natrokken, konden ze meestentijds niet identificeren of ze stuitten op depothouders van het bewuste wondermiddel. Overigens kwam het inderdaad voor, dat gezaghebbende deskundigen voor financieel gewin meewerkten aan de nepreclames of zelf nepgeneesmiddelen verkochten.

Het Hulsterblad 03-05-1873, blz. 2

Onder alle advertenties van de Malz-producten van Johann Hoff (zoals ook hierboven) werd vermeld, dat zij in Hulst verkrijgbaar waren bij apotheker Leo Enters. Omdat de wetgeving in Nederland destijds nog geen definitie van ‘geneesmiddel’ omschreef, konden de laat-19e eeuwse apothekers hun financiële belangen laten prevaleren boven hun wetenschappelijke ethiek. Wel was de inrichting van apotheken bij wet gereguleerd, maar daarop waren uitzonderingen van toepassing. Met de nodige inventiviteit laveerden de farmaceuten door de mazen van het net om zonder grote kans op een boete de lucratieve geheimmiddelen te kunnen verkopen 78. Leo Enters was in ieder geval een enthousiaste verkoper van wondermiddelen, zo blijkt uit een opsomming in het Hulsterblad van 16 mei 1874. In dit nummer bericht hij ‘aan Zijne Stad- en Landgenooten’, dat in zijn apotheek verkrijgbaar zijn Slijm- en Galpillen, Urbanuspillen, maagpillen van Wismith, wormkoekjes van Santomme, Cales borstsiroop en Broomkalt tegen vallende ziekte.

3g.  En de rest van het wonderspul

De hierboven gesignaleerde geheimmiddelen bevatten de advertenties van fabrikanten, die in het Hulsterblad een aantal (en soms tientallen) jaren voor hun producten reclame gemaakt hebben. Voor het complete beeld sluit dit artikel af met een paragraaf over de rest van de nepmedicijnen en aanverwante artikelen, die slechts korte tijd – soms maar een enkele keer – via advertenties in dit lokale blad te koop werden aangeboden.

Het Hulsterblad, 02-02-1884 blz. 4.

Tussen 4 september 1869 en 21 juni 1884 stonden er op onregelmatige tijden advertenties voor heilzaam katoenpluis tegen spierpijn in het algemeen en reumatiek in het bijzonder: de ‘echte Abshaubbin’s Anti-Rhumatische Watten’. Wie Abshaubbin moest voorstellen, welke firma dit product maakte en welk wondermiddel er ‘in de watten gelegd’ was, bleef in alle advertenties onbekend.
In Hulst verkocht Godeliva van der Heijden de wonderwatten 79. 

Slechts drie keer, in november en december 1877, verscheen er in Het Hulsterblad een advertentie van L.G. Moessinger uit Frankfurt am Main voor zijn Moessinger’sche middel tegen jicht en reumatiek. De onfortuinlijke lijders aan aan de zeer pijnlijke gewrichtsontstekingen moesten een heel verhaal lezen (of laten voorlezen). Wie de inhoud tot zich had genomen, had eindelijk een fabelachtige remedie gevonden volgens de Duitse firma. De uitvinding had ‘ongeloofelijke moeite’ gekost, maar het resultaat was onovertroffen. De kromme en knobbelige gewrichten werden ’tot den vroegeren toestand’ hersteld en het helend effect was al na één dag merkbaar. Bij ‘jicht in het hoofd’ (volgens deze advertentie was zelfs in het hoofd een gewrichtsontsteking mogelijk!) was het genezend proces al na één minuut waarneembaar! Iedereen van jong tot bejaard kon dit middel nemen. Ronduit bespottelijk was de waarschuwing om dit nepmedicijn niet te verwarren met ‘bedriegelijke kwakzalverij’. Het wordt uit de reclametekst niet duidelijk of het medicament bestond uit een pil, een drank, een zalf, een poeder of anderszins en kennelijk kon het preparaat alleen in Frankfurt am Main zelf besteld worden.

Het geheimmiddel van een zekere pater Bonhijver werd in de maanden november en december 1877 zes keer in Het Hulsterblad gepropageerd. Het nepmiddel was in die zin klassiek, omdat het zeer uiteenlopende kwalen zou genezen. De advertentie was in alle kranten hetzelfde en even summier. Het feit, dat de niet nader toegelichte  remedie bij slechts één buitenlands verkooppunt gekocht kon worden, verklaart wellicht de zeer korte adverteerperiode in het Hulsterblad.

Een vreemde eend in de geheimmiddelen-bijt was de zogenaamde ‘Galenische inspuiting’. Vanwege de koppeling van de medicinale nepdrank aan de naam Galenos, een Grieks-Romeinse arts uit de tweede eeuw na Chr., lijkt een kruidenbrouwsel voor de hand liggend. De kwaal ‘uitvloeiingen der waterlossing’ en de toepassing ‘inspuiting’ komen vreemd en onverklaarbaar over. De advertentie  van M. Holtz uit de Lindestraat te Berlijn verscheen slechts éénmaal in het Hulsterblad.

De handelsonderneming W. Zickenheimer te Mainz plaatste in Het Hulsterblad van 17 maart 1877 liefst drie advertenties (de afbeelding links en de twee hieronder) voor haar product ‘Rijnlandse druivenborsthoning’. Deze in Hulst bij J. Borghstijn verkrijgbare zogenaamde honingdrank bevatte geen druppel honing, maar werd wel als zodanig aangeprezen voor -uiteraard – ALLE borstkwalen, zoals kinkhoest, keelpijn, astma, heesheid, opgeven van bloed, kortademigheid. Van 14 maart 1874 tot 10 november 1877 stonden advertenties voor de druivenborsthong vrijwel wekelijks in Het Hulsterblad. De tekening hieronder was groot op een aparte pagina afgedrukt met op het tekstlint de onvermijdelijke opmerking, dat alleen de druivenborsthoning uit Zickenheimers fabriek in Mainz de echte was. De onderste reclame, die nagenoeg een halve pagina besloeg (de drukkwaliteit laat weer sterk te wensen over), gaf een compleet overzicht van alle depothouders in de drie zuidelijke provincies.

De lezers van Het Hulsterblad uit het laatste kwart van de 19e eeuw, voor wie alle bovenstaande geheimmiddelen nog niet genoeg waren, konden zich in hun krant verder verlekkeren aan baard- en haargroeimiddelen (van Theophile, Amerikaanse balsem, Eau Philocome en Idiaton-droppels), Oud-Cartagena’s Bergplanten-oliën,  maagzout van Gimborn en van Bullrich, de gehoorolie van doctor Robinson, pijnstillend tandpoeder van J.G. Popp,  Stolwerk’sche borstbonbons en Stolwerk’sche gezondheidschocolade, de de aromatische bitter- en elixerkruiden uit de winkel van Felix Verwilghen in de Gentsestraat. Al deze wondermiddelen haalden Het Hulsterblad en zij zouden gemakkelijk met een veelvoud van andere nepmedicijnen uit andere kranten aangevuld kunnen worden. De grote vraag naar en het grote aanbod van de bedrieglijke geheimmiddelen hield elkaar lange tijd in stand, want ‘Mundus vult decipi, ergo decipiatur’: 

de wereld wil bedrogen worden, dus wordt zij bedrogen.

De Heilige Kindsheid

Jezus’ heilsboodschap

Het Christendom was vanaf het begin een missionaire godsdienst. Jezus zou in de korte tijd tussen zijn herrijzenis uit het graf en zijn hemelvaart de uitdrukkelijke opdracht (missie) aan zijn leerlingen hebben meegegeven om zijn heilsboodschap te verkondigen. De christelijke kerk interpreteerde deze instructie heel ruim als basis én rechtvaardiging om ongelovigen en andersgelovigen in de hele wereld tot christen te maken. Met name het Rooms-Katholicisme, de grootste stroming binnen het Christendom, zond zijn van zendingsdrang vervulde geestelijken (missionarissen) over de aarde uit om de laatste wil van Jezus uit te dragen. De katholieke missie kende een zeer intensieve periode in Afrika en Azië gedurende het tijdvak van het ‘Moderne Imperialisme’ (1879-1914), toen een handjevol West-Europese landen deze werelddelen voor het overgrote deel in bezit nam in de vorm van koloniën. In het kielzog van de kolonisten zwermden steeds meer missionarissen uit naar deze verre wingewesten. Het steeds grootschaliger missiewerk vereiste een meer efficiënte, gecentraliseerde organisatie, maar dat kostte handen vol geld. Naast de talrijke particuliere en kerkelijke, per land georganiseerde, verenigingen om de missionering financieel te steunen, bestonden er drie ‘bovennationale’ pauselijke missiegenootschappen:
– Het Genootschap tot Voortplanting des Geloofs (opgericht in 1822), dat rechtstreeks geld bij gelovigen ophaalde.
– Het Liefdewerk van de Heilige Petrus (syn. St. Petrus Liefdewerk, opgericht 1889), dat specifiek gericht was op de opleiding van inlandse priesters.
– Het Genootschap van de Heilige Kindsheid (opgericht in 1843).

In dit deel van de serie ‘Hulst Historisch Kort’ wordt tegen de achtergrond van het ontstaan en van de algemene kenmerken de afdeling van de ‘Heilige Kindsheid’ in de parochie Hulst besproken.

Portret van Marie Pauline Jaricot (1799-1862)
(ompdecolombia.org)

Het geesteskind van Marie Pauline Jaricot

Marie Pauline Jaricot (1799-1862) was de jongste dochter van een rijke Franse lakenkoopman in Lyon. Opgroeiend in een welgesteld, liefdevol en diep gelovig katholiek gezin mocht het meisje zich verheugen in een onbekommerde jeugd. Aan dit onbezorgde leventje kwam in 1816 een abrupt einde toen zij als gevolg van een val (tijdelijk) gedeeltelijk verlamd raakte en in hetzelfde jaar ook nog haar moeder overleed. Deze tragische gebeurtenissen brachten bij de 17-jarige Marie Pauline een radicale innerlijke verandering teweeg. Een donderpreek over ijdelheid in een heilige mis in de kerk van St. Nizier in Lyon reikte haar een doel en instrumenten aan. Voortaan zou zij zich alleen nog wijden aan het bijstaan van behoeftigen in haar directe omgeving en aan het verkondigen van het Evangelie door het ondersteunen van de katholieke missie door gebed en met geld.Gedaan was het met de uiterlijke opsmuk en het mondaine leven. Marie Pauline ging alleen nog als arbeidster gekleed en ze hing het huwelijksideaal aan de wilgen.

Het door haar bedachte systeem van geestelijke en materiele hulp aan de missionarissen was al even eenvoudig als visionair. Een groep van tien volwassenen diende dagelijks een (deel van de) rozenkrans bidden en wekelijks een klein bedrag inleggen. Ieder lid van de groep moest proberen om anderen een nieuwe groep te laten vormen, zodat er ten slotte een Europees omvattend netwerk zou komen. Deze ‘rosaire vivant’ (de levende rozenkrans), zoals zij haar geesteskind noemde, was een klapper van jewelste. Het was de eerste grootschalig gestructureerde organisatie voor de financiering van de missie. Het unieke van de vondst van Marie Pauline Jaricot was, dat veel kleine bijdragen leidden tot een aanhoudend grote geldstroom. De aanpak van Jaricot inspireerde de bisschop van Nancy in 1843 tot de stichting van een soortgelijke organisatie, de ‘Heilige Kindsheid’. Hierin zouden niet de volwassenen, maar de kinderen voor de geestelijke en financiële ondersteuning van de katholieke missie zorg dragen.

 

De navolging door Charles de Forbin-Janson

Portret van Monseigneur Charles Auguste Marie Joseph De Forbin Janson (1785-1844), bisschop van Nancy.
(www.biographi.ca)

De bisschop van Nancy, Charles de Forbin-Janson etaleerde zich liever als een rondreizend evangelieprediker, dan als bestuurder van zijn Franse bisdom. Hierdoor kwam hij in aanraking met Marie Pauline Jaricot en raakte hij danig onder de indruk van haar unieke fondsenwerving voor de katholieke missie. De contributie per persoon betrof niet meer dan een paar ‘missiecentjes’, maar door de frequentie van de bijdragen en de grootschaligheid van de organisatie haalde haar missiewerk grote bedragen binnen. Hieruit ontstond een autonome organisatie, de Sacra Congregatio de Propaganda Fide (Het Heilige Genootschap voor de voortplanting van het Geloof), die de katholieke missionarissen in alle werelddelen ondersteunde. In samenwerking met en onder goedkeuring van Marie Pauline kopieerde de bisschop Jaricot’s methode specifiek gericht op kinderen. Hij noemde zijn organisatie de Sainte Enfance, in Nederland de ‘Heilige Kindsheid’ genoemd.

De symboliek kan staan voor ‘de verering van het goddelijk kind Jezus’, die de deelnemende kinderen beschermt en hen  iets van zijn heilgheid meegeeft. Van de drie grote pauselijke missiegenootschappen zou de Heilige Kindsheid de meest succesvolle worden.
Net als de andere katholieke organisaties en activiteiten werd de Heilige Kindsheid via de hiërarchische structuur van de katholieke kerk ingebed in de onderste bestuurslaag, de parochie. In 1858, vijftien jaar na de oprichting van de Sainte Enfance in Parijs in 1843  kreeg de parochie Hulst haar eigen afdeling van de Heilige Kindsheid.

(www.etten-leur.nl)
Foto van Petrus Henricus van Wees als pastoor in Etten.
* 02-06-1830 Temse ( België) – † 10-05-1901 Etten (Noord-Brabant)

Oprichting van de Heilige Kindsheid in Hulst (1858)

Petrus van Wees was na zijn priesterwijding in 1854 te Hoeven drie jaar werkzaam in Oudenbosch als docent op het Klein Seminarie, een vooropleiding voor jongens van 12 tot 18 jaar ter voorbereiding van de eigenlijke priesteropleiding in een Groot Seminarie.
In februari 1857 werd hij door de bisschop van Breda, Joannes van Hooijdonk, benoemd tot kapelaan in de parochie Hulst.
Hier richtte hij met instemming van pastoor-deken80 Augustinus van Hecke op 1 oktober 1858  een afdeling op van het Pauselijk Genootschap der Heilige Kindsheid, het eerste in Zeeland81.
Naar goed katholiek gebruik fungeerde Van Wees als geestelijke als hoogste toezichthouder en kwam het feitelijke werk voor rekening van een behoorlijk aantal parochianen. Al na vier jaar verliet kapelaan Van Wees in 1861 de parochie Hulst, omdat hij benoemd was tot bouwpastoor82, eerst in Axel en in 1871 nogmaals te Etten in Noord-Brabant. Op 24 oktober 1883 keerde hij nog eenmaal terug als eregast bij de viering van het 25-jarig jubileum van de afdeling van De Heilige Kindsheid in de parochie Hulst. Bij deze gelegenheid hield hij in de Solemneele Mis een plechtig en toepasselijk sermoen83(preek)’.
Tijdens zijn periode als hulppastoor in Hulst was Van Wees samen me pastoor-deken Van Hecke ook betrokken bij het werven van fondsen voor de bouw van het Liefdehuis voor bejaarden, gebrekkigen en wezen in de Pottersstraat84.

Vier documenten betreffende de organisatiestructuur van de Heilige Kindsheid in Hulst.

(Gemeentearchief Hulst, Archief H. Willibrordusparochie, archief van de pastoor en het kerkbestuur, nr. 736)

Een bolwerk van ‘Mejufvrouwen’

In het gemeentearchief van Hulst berust (een deel van) de administratie van de Heilige Kindsheid van de parochie Hulst over de periode 1858-1925. Het merendeel van de schriftelijke stukken betreft de nauwkeurige optekening van de inkomsten en in verband hiermee een lange lijst van de bij het genootschap aangesloten kinderen, want het waren de kleintjes, die met hun geregelde kleine bijdragen over de jaren heen een aanzienlijke hoeveelheid geld voor de missie bijeen spaarden.
Naast de financiële stukken zijn er voldoende documenten, die aantonen, dat de organisatie de eenvoud van het Franse model van de ‘Sainte Enfance’ nauwgezet imiteerde.
Kapelaan Petrus van Wees werd na zijn vertrrek in 1861 als geestelijke waakhond van het genootschap opgevolgd door kapelaan Cornelius Hessels. Na diens benoeming tot kapelaan in Princenhage in oktober 1864 bleef het geestelijk voorzitterschap steeds in handen van de respectieve pastoors-deken van Hulst.
Het echte werkvolk van de Heilige Kindsheid bestond ongesalarieerde vrijwilligsters, uitsluitend mejufvrouwen, d.w.z. oudere meisjes en ongehuwde dames. Wie ging trouwen kreeg in de administratie van het genootschap bij haar naam de eufemistische aantekening ‘(eervol) ontslag wegens huwelijk’. De primaire zorg van de gehuwde vrouw lag bij man en (vele) kinderen en daar paste werk buitenshuis niet bij. 
Voor het coördineren van de werkzaamheden was een beperkt management met twee functies voldoende. De werkelijke leiding was in handen van een directrice, ook wel presidente of overste genoemd. Haar belangrijkste functie was die van ‘hoofdkassier’, destijds omschreven met de fraaie – aan het Frans ontleende – benamingen Opper-Thesaurierster, Opper-Tresorierster en Opper-Tresaurière85 werden gebruikt. De eerste directrice was tot aan haar overlijden in 1887 mejufvrouw Clementina Theresia Voet86. Onder de supervisie van de directrice opereerden twee Thesauriersters87. Later waren er soms meer thesauriersters, maar nooit meer dan vier tegelijk.
Deze kleine bestuurskern stuurde de veel grotere groep aan van Zélatrices88 of ‘ijveraarsters’. Deze benaming dekte de lading goed, want de veelomvattende taak vergde heel wat animo en inzet van de dames. Uit de personeelslijsten blijkt, dat meerdere ‘mejufvrouwen zélatrices’ langdurig in functie bleven. Bij de viering van het zilveren jubileum van het genootschap op 24 oktober 1883 waren er drie jubilarissen tegelijk: Eugenie van Turnhout, Petronilla van Mervennee  en Coleta Wageschiet89. 
Wie langere tijd zélatrice was, kwam bij een vacature in aanmerking voor de functie van thesaurierster en thesauriersters konden promoveren tot directrice.

Dat het meeste werk op de schouders van de dames zélatrices terecht kwam, blijkt overduidelijk uit de onderstaande twee geschreven kantjes, zijnde het reglement van de plaatselijke afdeling van de Heilige Kindsheid in Hulst.

Twee beschreven bladzijden uit een schriftje met de titel ‘Werkzaamheden’ diende als simpel reglement van het Hulsterse Genootschap van de Heilige Kindsheid

 (Gemeentearchief Hulst, archief van de pastoor en het kerkbestuur, nr. 736)

De bij de Heilige Kindsheid aangesloten kinderen waren onderverdeeld in groepjes van 12 van dezelfde kunne,  ofwel meisjes en jongens strikt gescheiden. In principe was iedere zélatrice verantwoordelijk voor één twaalftal, maar sommige ‘ijveraarsters’ namen twee of drie groepen voor hun rekening. Een periodiek terugkerende taak was het innen van de verpligte aalmoes (contributie) van 2½ cent per maand bij ieder van de aan de zélatrices toevertrouwde kinderen. De opgehaalde penningen werden door hen ingeleverd bij een van de thesauriersters, die het geld op hun beurt inleverden bij de Opper-Tresorierster. De gezamenlijke opbrengst moest jaarlijks worden ingeleverd bij  de financiële hoofddirectie van de Nederlandse Heilige Kindsheid in Breda.
Tweemaal per jaar vierde het Genootschap feest met een plechtige heilige mis, in februari pro defunctis (voor de overleden leden) en in augustus of september pro vivis (voor de levende leden). De zélatrices waren aangewezen om in hun groepje(s) de gezangen en de te declameren bijdragen voor te bereiden en tijdens de mis bij de onder hun hoede staande kinderen plaats te nemen. Als de jeugd na de feestelijke mis op rijstepap werd onthaald in het Liefdehuis in de Pottersstraat of in het meisjespensionaat in het Baudeloocomplex, was ook daar de inzet van de dames  zélatrices nodig.
Sinds 1908 onderging hun portefeuille een grote uitbreiding door de toevoeging van de gecostumeerde kinderoptocht, die op gezette tijden werd gehouden. Ten slotte moesten de zélatrices ook het tweemaandelijks tijdschrfit Annalen (vanaf 1934 De Kleine Apostel geheten) bij de abonnee’s rondbengen.

Het stereotiepe beeld van Sina in het Westen

Cover van de Annalen van het Genootschap der Heilige Kindsheid

Hoe uitermate belangrijk het katholieke missiewerk in de niet-katholieke wereld was, kregen de beminde gelovigen heel subjectief en indringend voorgeschoteld. De vaste cover van het tijdschrift ‘Annalen van het Genootschap der Heiige Kindsheid’ sprak in dit verband boekdelen. Het niet gelovige en niet katholieke deel van de wereld was zonder meer afgodisch: het vereren van een andere en dus valse god. Dat gold vooral voor Sina (China), dat in de schroomelijke duisternissen van het afgodendom en in de slavernij des duivels90 leefde. Daar heerste een schrikkelijk zedenbederf met als ergste uitwas het ombrengen van pasgeboren kinderen. Duizenden en duizenden kinderen worden er jaarlijks gewurgd, verstikt, verdronken, op allerlei wijzen vermoord.
De katholieke kerk stuurde er veel missionarissen heen om deze afschuwelijke praktijken te verijdelen. Het streven was in eerste instantie om Chinese kinderen vrij te kopen – inderdaad, alsof zij slaven van hun eigen ouders waren – om ze vervolgens in de Christelijke godsdienst op te voeden. Dan zoude Sina al spoedig een groot aantal  christenen tellen!. Als men weeshuizen en scholen kon oprichten zou men priesters en liefdezusters kunnen aankweeken. Heel vaak lukte het alleen om die ongelukkige wichtjes te dopen, voordat ze stierven, maar dan waren ze toch behouden voor de eeuwigheid.

Voor wat, hoort wat

De indringende propaganda miste zijn effect niet. Hoewel ieder katholiek kind vanaf zijn doopsel kon worden ingeschreven (en lid blijven tot zijn twintigste jaar), gaven ouders hun pasgeborenen dikwijls al meteen op. De baby’s kregen dan als bewijs van inschrijving een gezegend speldje op het rompertje  geprikt.
Het lidmaatschap was dus zeer vanzelfsprekend, maar bepaald niet vrijblijvend, want de kinderen hadden nogal wat verplichtingen. Iedere dag moest de jeugd het gebed ‘wees gegroet Maria’ opzeggen en de verzuchting Heilige Maria bid voor ons en voor de arme ongeloovige kindertjes slaken91. Met de arme ongelovige kindertjes waren in principe alle niet-katholieke kleintjes bedoeld, maar met name de kleine Chineesjes, die voor het overgrote afschuwelijke wijze ter dood gebracht zouden worden. Voor het grootschalige missioneringsprogramma om deze kinderen te redden, deden de Nederlandse katholieke kinderen braaf maandelijks 2½ cent in het ‘gezinsmissiebusje’. Naast hun bijdrage in deze reguliere geldstroom waren de kinderen voor extra inkomsten druk in de weer met het verzamelen van aluminium wikkels,  zilverpapier en flescapsules. Twee keer per jaar werd van de meisjes en jongens een actieve ‘acte de presence’ met zang en versjes verwacht bij de speciale heilige missen voor de Heilige Kindsheid. Het hoogtepunt van de activiteiten van de  kinderen voor het genootschap was hun hoofdrol in groepen en op praalwagens van de Heilige Kindheidsoptochten, die vanaf 1908 met enige regelmaat plaats hadden.

Maar voor alle inspanningen van hun ‘goede werken’ kreeg de jeugd ook wat terug: voor wat, hoort wat!
Het bijwonen van de feestmissen werd beloond met een ‘volle aflaat’. Volgens deze, al sinds Maarten Luther zeer omstreden praktijk, konden stervelingen hiermee in het hiernamaals hun eventuele tijdelijke straffen afkopen. Wie trouw de maandelijkse centjes afdroeg, verzamelde in de loop der jaren karrenvrachten aan meer tastbare giften, bestaande uit allerlei Kindsheid-gerelateerde parafernalia, zoals medailles en stichtelijke prentjes. Na afloop van de tweejaarlijks te houden plechtige missen was er voor het jongvolk wat lekkers voorzien. In het meisjespensionaat St. Joseph links achter het stadhuis werd hen een bord rijstepap of chocolademelk met koek geserveerd. 

Foto van een gedeelte van het meisjespensionaat St. Joseph, onderdeel van het Baudeloocomplex92. Hier waren ruimten voorhanden om de honderden kinderen te vergasten na afloop van de feestelijke Eucharistievieringen, die tweemaal per jaar aan de de Heilige Kindsheid werden opgedragen.
(foto: bron onbekend)

De Heilige Kindsheidprocessies

Ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van het genootschap in de parochie Hulst werd op 1 oktober 1908 voor de eerste keer een plechtigen optocht met tallooze vaandels93 gehouden, die in de eigen administratie juichend een prachtig gecostumeerde kinderoptocht heette. Het Hulsterblad94 noemde in een artikel eerst honderden tot het genootschap behoorende kinderen en kwam verderop met een concreet aantal van 960 deelnemertjes. Van deze grote kinderschare was slechts een 44-tal in Chineese pakjes gestoken, begeleid door twee jongens en twee meisjes, die als paters en zusters missionarissen waren verkleed. Volgens de krant  liepen er verder wel tal van maagdekens met bloemen en jongens met banieren mee, maar of ook zij gecostumeerd waren en om welk aantal het ging, werd niet vermeld. De route van de omgang was overigens uitermate beperkt: vanuit de opstelling op het terrein van het meisjespensionaat schreed de processie door de Lange Bellingstraat en Grote Markt naar het katholieke deel van de ‘Simultaankerk’ 95.
De kinderen ondergingen hier een gecelebreerde hoogmis, inclusief een lang overzicht van de geschiedenis van het Heilige Kindsheid-Genootschap in Hulst door Pastoor-deken Johannes Brouwers. Na afloop ging de stoet met een nog kortere route dan de heenweg via de Houtmarkt en Grote Markt direct terug naar het meisjespensionaat.

Veertien jaar later werd er veel grootser uitgepakt. De aanleiding was een missietentoonstelling in Hulst van 3 tot en met 7 augustus 1922 om den missieijver onder onze geloovigen aan te wakkeren96. Het bestuur van de Heilige Kindsheid greep deze manifestatie aan om op maandag 7 augustus voor de tweede keer een kinderprocessie te houden, maar dan veel luisterrijker dan de eerste. Het aantal deelnemertjes moet tussen 1500 en 2000 hebben gelegen, want naast Hulst waren ook de kindsheid-afdelingen van Clinge, Terhole, Graauw, Sint Jansteen, Zuiddorpe, Koewacht en Nieuw-Namen van de partij. Deze plechtige optocht telde liefst 45 groepen en 15 praalwagens, muzikaal omlijst door verschillende muziekkorpsen uit Hulst en de regio. Het eigen verslag laat er geen misverstand over bestaan, dat zulks alleen maar mogelijk was geworden door de inzet van veel parochianen: grootsche plannen werden beraamd, veel werd er beraadslaagd, ruime bijdragen werden geschonken, met groote naarstigheid werd er gewerkt, vooral door de dames zelatricen, en met schitterend succes97.

Tijdens de processie kreeg het – ook uit de omgeving van Hulst – talrijk toegestroomde publiek de collectebus onder de neus geduwd, want het ceremoniele gebeuren was toch vooral bedoeld als bedeloptocht:  hoe meer er werd opgehaald, des te meer was er in kas tot vrijkooping der Chineesche kinderen98. 

De processie van de Heilige Kindsheid 7 augustus 1922 in Hulst

Onderstaande foto’s komen uit een lang niet volledig overgeleverde serie van tenminste 42 opnamen. Een programmaboekje met de indeling van de processie is niet meer voorhanden, zodat de onderdelen alleen maar geinterpreteerd kunnen worden aan de hand van de foto’s zelf. 

1

De fotograaf heeft post gevat op de Vismarkt met zijn statief in de richting van de Bierkaaistraat. De twee Oosters uitgedoste palfreniers met helmen, ieder een papieren waaier in de hand, horen als sluitstuk bij een – hier niet zichtbare – praalwagen (nummer 10 in de processie). Tussen de palfreniers te paard zijn onder de muurlantaarn duidelijk twee veldwachters met elkaar in gesprek te zien. Onderdeel 11 is een groep jongetjes met in een donkere kleur geschminkte gezichten, gevolgd door in het wit geklede meisjes als maagdekens of bruidjes. In het midden steekt een schildje met het groepsnummer omhoog. 

(foto: bron onbekend)

2

De processie van 7 augustus 1922 staat even stil in de Vestdijkstraat richting Houtenkwartier. De fotograaf schiet zijn plaatjes mogelijk uit het gebouw van de ambachtsschool. Op de achtergrond staat links de mouttoren van bierbrouwerij De Halve Maan en rechts hiervan is de molen op de stadswal duidelijk in beeld. Midden achter op de foto steekt het hoge dak van het warenhuis van Wilking boven de lagere bebouwing uit.
Behalve de molen en het huis rechts vooraan (Vestdijkstraat 19) is alle op deze foto getoonde bebouwing vanaf het begin van de jaren ’70 van de 20e eeuw weggesaneerd.
Linksonder is de praalwagen (groep 10) grotendeels zichtbaar met erachter de twee rijknechten van foto 1. Rechts van de wagen heeft het schilddragertje de stok even tussen zijn benen gestoken. De wagen is rondom met bloemenguirlandes  afgezet. Hierop staat een geestelijke in een eenvoudig gewaad met kruisbeeld op een lange stok in zijn rechterhand en met zijn linkerhand een zwart masker voor zijn gezicht houdend. Misschien wordt met deze maskerade een inlandse geestelijke gesuggereerd. De kinderen op de wagen zijn uitgedost in aandoende Oosterse gewaden. Het jongetje rechts vooraan houdt een vierkante, geheel doorzichtige, parasol op zijn rug.
Midden onderaan balanceert een meisje op een van de vierkante verbredingen van de hoge muur van de zogenaamde ‘Hof van Hombach’ om naar de processie te kijken. Deze afscheiding omsloot een tuin van enorme afmetingen, die zich van de Gentsestraat uitstrekte tot de Vestdijkstraat. In de jaren twintig van de twintigste eeuw moest de tuin plaatsmaken voor de gefaseerde aanleg van woningen. Steeds als er een huis werd gebouwd op een locatie, grenzend aan ‘de muur van Hombach’, werd een deel ervan afgebroken. Dit facet wordt hier mooi in beeld gebracht bij het pand rechts: Vestdijkstraat 19.
Verder naar achterende staat het groepje geschminkten met de bruidjes (nr. 11), de praalwagen met de wereldbol (nr. 12); daarachter twee loopgroepen (nrs. 13 en 14), een boerenwagen met een driehoekig bouwsel er op (nr. 15). Helemaal achteraan, vlak voor een stukje hoekmuur van de bierbrouwerij, komt een nog hoger versierd voertuig aanzetten (nr. 16). De opbouw is aan de voorzijde halfrond van vorm en wordt bekroond met een kruis. In de opening staat een in het wit geklede gedaante.

(foto: bron onbekend)

3

Op deze processiedag wordt er uitbundig uit de woningen gevlagd. De plechtige stoet met taferelen uit de missielanden staat op de hoek van de Bierkaaistraat met de Bontehondstraat eventjes stil, zodat fotograaf Van der Biest99 goede foto’s kan maken van de groepen en de praalwagens. 

Op dit kiekje, nummer 17 uit de serie, is uiterst rechts nog een deel van de linkerkant van het meubelmagazijn van Hendrik Ferdinand Morres zichtbaar. Op de scheiding met het pand ernaast hangt een flinke gaslantaarn, waaronder de twee besnorde nors kijkende veldwachters Peter Wijnacker en Edumond Cortvriendt hebben post gevat. De praalwagen met het opschrift ‘Australie-Azie’ is nummer 12 in de stoet. Rondom een uit de kluiten gewassen globe tronen als bedoeienen verklede jongens. Vooraan zitten een in het wit geklede pater en een knaap in een tropenkostuum, compleet met witte helm. Achter de versierde kar komen de groepen 13 en 14 aanlopen en helemaal achteraan is nog net de voorkant van een volgende pronkwagen zichtbaar (onderdeel 15). Geheel links op de foto staat een man in vol ornaat: jacquet, hoge hoed, handschonen. Ook op foto 2 figureren heren in rokkostuum, kennelijk om de processie in stijl te escorteren. Rechts achter de heer met de gelegenheidskleding ontwaren we nog een veldwachter.

(foto: bron onbekend)

4

Op dezelfde hoek Vismarkt-Bierkaaistraat houdt een jongeman als schilddrager een bord omhoog met het groepsnummer 13. Links achter hem heeft een meisje, gehuld in een mantel met wijde lange mouwen, een stok vast met aan het uiteinde een klein vaantje, waarop een kruis is afgebeeld. Beide kinderen introduceren een vast onderdeel van de Heilige Kindsheidoptochten, meisjes met witte jurkjes, grote strikken in het haar of met andere hoofdtooi en soms met witte handschoentjes. De geijkte term voor de aldus uitgedoste meisjes was bruidjes of maagdekens. Degenen onder hen, die hun Eerste Heilige Communie hadden gedaan, konden hun communiejurkje aan, voor anderen moest dit kledingstuk worden gemaakt, wat heel wat tijd en organisatietalent van de zélatrices vergde. De begeleidende dames, links met paraplu en rechts met grote hoed, zijn zonder twijfel ‘zélatrices’. Op de dag van de plechtige omgang escorteerden zij de afzonderlijke groepen, maar het meeste werk staken zij in de voorbereiding. Vooraan dragen drie bruidjes bloemenmandjes, waaruit tijdens de optocht bloemen konden worden gestrooid. Het grotere meisje op de voorgrond in het midden is op haar rug getooid met vleugeltjes. 

Achter de processiebruidjes bevindt groep 13 zich ter hoogte van het pand van landbouwer Frans Michielsen, met drie van luiken voorzien ramen en een snijraam100 boven de voordeur. Onder de gaslantaarn treffen we met de twee veldwachters opnieuw de arm der wet aan.  

(foto: bron onbekend)

Twee details van foto 4

Met een uitvergroting is de volgende groep vrij goed te identificeren. Rechts boven houdt een jongetje het schild met nr. 14 omhoog. Achter hem drie in het wit geklede missiezusters met een mantelkap over het hoofd getrokken. Zij worden verondersteld in Afrika werkzaam te zijn, getuige de kereltjes achter hen met zwart gemaakte gezichten. Als gevolg van de toenmalige godsdienstige en racistische superioriteitsgevoelens waren de kwalificaties voor niet christelijke gekleurde kinderen in programma’s van de processies navenant (kleine nikkers, zwart als roet; heidenkinderen; ongeloovige heidenen).

Om de praalwagen van onderdeel 15 enigszins in beeld te brengen is een verdere en dus nog vagere uitvergroting nodig.
Rechts onder is het schildje met het cijfer 15 tot een vlek gereduceerd; in het midden ontwaren we de onscherpe contouren van het voorbespannen paard; links  onderaan staat een in een wit gestoken vrouwelijke gedaante met grote hoed. Een stuk hoger is rechts onder de driehoekige opbouw – naar de kleding te oordelen – een (missie)zuster te zien. Voor de tekst op het fronton van het bouwsel moet je haviksogen hebben, maar mogelijk staat ter rechterzijde ‘Nieuw Guinea’.

5

Op deze afbeelding lijken meerdere van elkaar gescheiden groepen weergegeven, maar de schilddragertjes om de onderdelen te scheiden lijken te ontbreken. Prominent vooraan schrijdt een gekroonde jongedame met bloemenschaal, gehuld in een lange jurk, waarover een luxe mantel, opgehouden door een slippendraagster. Zij zou  Maria of een prinses kunnen verbeelden. In het clubje van de zes jongetjes achter haar is het laatste drietal oosters uitgedost. Het middelste knaapje draagt een flinke tulband. De obligate bruidjes erachter zouden de (katholieke) overwinning (op het heidendom) kunnen symboliseren, want een aantal meisjes heeft een palmtak bij zich. Achteraan lopen kinderen in witte gewaden met donkere verticale strepen, maar meer is van dat tafereel niet te ontwaren. Rechts zijn de twee veldwachters van hun plek onder de gaslantaarn opgeschoven naar links. De veldwachter aan de linkerkant is ook nog van de partij,  met rechts naast hem een met de optocht meelopende zélatrice met grote hoed.

(foto geplaatst in de facebook-groep ‘Oud Hulst’ 05-09-2015)

6

De muzikanten van het op 4 mei 1894 opgerichte muziekkorps Vlijt en Volharding’ staan prominent in beeld. Vooraan torst de vaandeldrager met zijn rechterarm een meer dan manshoog vaandel, bekroond door twee rijen horizontaal opgehangen prijspenningen, waarboven een bol met staande figuur. Het gewicht van het gevaarte wordt opgevangen door een foedraal aan een riem om het middel, waarvan alleen de diagonale schouderband te zien is. In de linkerhand van de man steekt een lekkere sigaar voor onderweg. De trommelslager achter de Turkse trom heeft het heel wat gemakkelijker dan de drager van dit slaginstrument.
Destijds was er beslist nog geen geld voor een uniform, maar voor de processie werd wel het zondagse pak uit de kast gehaald met als hoofddeksel de onvermijdelijke arbeiderspet of  strooien hoed. Een enkeling is getooid met een deukhoed, zoals de trommelslager en de vaandeldrager. De veldwachter links, nu met de hand in de zij,  is nog steeds op zijn post.

(foto: In Alle Toonaarden, gedenkboek ter gelegenheid van het tweehonderjarig bestaan van de Koninklijke Stedelijke Harmonie van Hulst, 2001, 135

7

Direct achter het muziekkorps torst een door twee paarden getrokken platte wagen een  huizenhoog zeilschip. De boot heeft rondom een versiering, mogelijk golven voorstellend. De slappe mutsen van het bootvolk wijzen op een matrozentenue. Achter het schip komt een processieonderdeel uit Graauw (volgens het bordje). De loopgroep bestaat uit (nog maar eens) bruidjes met onder hen een groot rechthoedig vaandel. Links loopt de onvermijdelijke zélatrice mee.
Achter deze groep nemen we een oerwoud aan dicht op elkaar gedragen banieren waar.

(foto: bron onbekend)

8

Op de met oplopende zuilen geflankeerde praalwagen (onderdeel nr. 2 in de processie) gaan de kinderen zowat schuil achter flinke potten met forse planten tussen en op de witte pilaren. De wagen is onderaan met bloemenslingers afgezet en tussen de zuilen zijn banieren gespannen. 
De hoogste pilaren aan de achterkant van de wagen fungeren door middel van een verticaal gespannen kleed met bovenaan een banderol als afsluiting. Het opschrift op de spreukband is een bekende passage uit de evangeliën van Lucas (18:15-17) en Marcus (10: 13-16): laat de kleinen tot mij komen.
Achter de wagen houdt een jongetje een schild met het nummer 3 omhoog voor een loopgroep met vooraan een gesluierd meisje met bloemenmand tussen twee jongens in. Achter dit drietal een schare van de in dit soort stoeten veel voorkomende bruidjes of maagdekens.

(foto: bron onbekend)

De processie van 31 juli 1927

Getypt velletje met de volgorde van de groepen in de optocht van de Heilige Kindsheid van 31 juli 1927 te Hulst.

 

(Archief van de Sint Willibrordusparochie, archief van pastoor en kerkbestuur, nr. 619)

Na het overweldigende succes van de optocht in 1922 besloot de dolenthousiaste leiding voortaan ieder jaar een Heilige Kindsheidoptocht te houden, maar van dit streven is in de overgebleven administratie niets terug te vinden. De eerstvolgende processie vond plaats op 31 juli 1927. Deze omgang was vergeleken met die van 1922 zeer bescheiden met  7 groepen tegenover 45 en nul praalwagens tegenover 15. Wel kennen we dankzij het op één kantje passende programma de indeling van deze Kindsheidprocessie. stoet. Aan de hand van dit document zijn de thema’s van de groepen twee, drie en vier op de twee van de optocht bewaard gebleven foto’s (nrs. 9 en 10 hieronder) te identificeren..

9

Een derde101 Heilige Kindsheidprocessie in Hulst, die door middel van (archief)bronnen kan worden aangetoond, had plaats op 31 juli 1927.
Volgens het programma opende de Koninklijke Harmonie de stoet en we zien het korps met het vaandel fier voorop hier van links de Steenstraat ingedraaid, komend uit de richting van de Grote Markt. Een deel van het publiek loopt ‘met de muziek mee’ en ‘voor de muziek uit’ en onderaan op de foto staat een deel netjes langs de kant. Achter de harmonie komt het vaandel van de Heilige Kindsheid aanzetten en verder naar achteren in de richting van de bomen op de Grote Markt zijn nog twee vaandels waar te nemen. Volgens het programma werd tussen de vaandels achteraan een ‘beeld van het kindje Jezus’, omgeven door bruidjes, meegevoerd, maar die groep is op deze foto niet meer te onderscheiden.

(foto: In Alle Toonaarden,
Gedenkboek ter gelegenheid van het tweehonderjarig bestaan van de Koninklijke Stedelijke Harmonie van Hulst, 2001, 89.)

10

Na de harmonie en de groep met een beeld van het kindje Jezus heeft de fotograaf in één opname (een gedeelte van) de groepen 2, 3 en 4 kunnen vatten. We bevinden ons nog op nagenoeg dezelfde locatie als die van de vorige foto in de Steenstraat tussen de huisnummers 3 tot en met 11. Ter hoogte van het pand rechts op de foto loopt groep nummer 2, volgens het programma getiteld H. Agnes met twaalf maagden. Het gezichtje met kroontje van het meisje, dat Agnes verbeeldt, is juist zichtbaar links onder de geopende voordeur van huisnummer 11. Agnes van Rome was een martelares van 13 jaar oud, slachtoffer van verkrachting en speelbal van hunkerende mannen. Om haar maagdelijkheid te verdedigen, riep zij in plaats van de Romeinse goden de christelijke God aan. Dat moest zij bekopen met een zwaardstoot in haar nek.  Agnes met een kroontje op haar hoofd is centraal in de groep geplaatst. Van de in het wit geklede en met een hoofdband getooide twaalf maagden, die haar links en rechts van de straat begeleiden, zijn er een aantal te zien. 

(foto: bron onbekend)

10 (detail)

Groep 3 wordt ingeleid met een breed schild, waarop de tekst Maria Koningin der Engelen, een kenmerkende aanroeping van Jezus’ moeder. Direct achter dit bord zijn  over de volle breedte een zevental in het wit geklede meisjes te zien, die ongetwijfeld behoren tot de ‘bruidjes’, die volgens het programma102 de groepen van elkaar scheiden. In het haar dragen zij grote strikken, een band van bloemen of een combinatie van beide. Bij de meisjes aan de rechterkant steken de beugels van de door hen gedragen bloemenmanden deels boven het schild uit. Of Maria deel uitmaakt van de groep is niet te zien, maar haar gevleugelde engelen achter de bruidjes wel. 
De naar de groep neigende dame rechts met hoed is ongetwijfeld een zélatrice in haar escorterende rol.

10 (detail)

Hoe gedetailleerder, des te meer onscherp, maar dankzij het progrmmaboekje is onderdeel 4 van de stoet nog net herkenbaar: een deel van de 
missiegroep ‘Kardinaal Lavigerie met paters en zusters van verschillende missie-orden’. Onderaan is een klein stukje van het brede schild te zien met het laatste fragment van de evangelische zinspreuk ‘Gaat dus heen; onderwijst de volken’103. 
De Franse geestelijke Charles Lavigerie (1825-1892) wijdde zich als aartsbisschop van Algiers tussen 1867 en 1892 volledig aan de katholieke missie in Afrika. Voor dit doel stichtte hij twee geestelijke orden, de congregatie van de missionarissen van Afrika en de congregatie van de zusters missionarissen van Onze Lieve Vrouw van Afrika; in de volksmond heetten zij respectievelijk ‘Witte Paters’ en ‘Witte Zusters’. De Witte Paters lopen hier in groep 4 mee, gestoken in de door Lavigerie voorgeschreven, aan Arabische kleding ontleende gewaden. Een lang wit katoenen onderkleed met lange mouwen (de kandora of gandourah) met daar overheen een boernoes (burnous), een ruime lange witte wollen kapmantel, d.i. een mouwloos gewaad met een grote capuchon.
Aan de rechtzijde zijn drie Witte Paters zichtbaar, naar hun lengte te oordelen uitgebeeld door oudere jongens of volwassen mannen. De figuur links voor het schild zou kardinaal Lavigerie kunnen zijn, maar in dat geval zou je hem achter het bord verwachten.

11

Naast de specifieke Heilige Kindsheid Processies, die periodiek plaatsvonden, namen kinderen van dit genootschap ook met eigen groepen deel aan optochten in het kader van eenmalige manifestaties. Tussen 1931 en 1935 werd de H. Willibrorduskerk grondig gerestaureerd, waarvan de grote steenblokken op de achtergrond duidelijk getuigen. Begin 1933 was het gebedshuis, dat tussen 1807 en 1929 met de gereformeerde kerk gedeeld moest worden, zover hersteld, dat het hele gebouw voor de katholieke eredienst in gebruik kon worden genomen. Hiervoor werd het kerkgebouw plechtig geconsacreerd (ingewijd) door monseigneur Adrianus Hopmans, bisschop van Breda. Een grote processie moest deze ceremonie luister bijzetten. De foto is gemaakt op het moment, dat Koninklijke Harmonie aan het hoofd van de optocht voorbij bisschop Hopmans en zijn collega Honoré Coppieters, bisschop van Gent (beide links staand voor de westgevel van de kerk op een podium achter een kleed), trekt, gevolgd door kinderen van de R. K. meisjesschool. De – hier niet afgebeelde – delegatie van de Heilige Kindsheid liep als negende onderdeel van de 34 (!) katholieke verenigingen uit Hulst mee. Onder de bomen op de Grote Markt staan een paar kramen van de meikermis.

(foto: nationaalarchief.nl)

De regulier bijgehouden administratie van het Genootschap der Heilige Kindsheid te Hulst, die in het gemeentearchief is bewaard, eindigt voor sommige onderdelen in 1899, voor andere in 1925. Van een opheffing was toen nog geen sprake, want als zelfstandige organisatie was het genootschap in Nederland nog actief tot in de jaren ’50 en ’60 van de 20e eeuw. De drie aparte pauselijke hulporganisaties104 voor de missie gingen uiteindelijk op in één vereniging. Het tijdschrift van de Heilige Kindsheid ‘De Kleine Apostel’ werd in 1966 opgeheven.

(Gemeentearchief Hulst, Archief H. Willibrordusparochie, archief van de pastoor en het kerkbestuur, nr. 736)

Veertig jaar veelkleurigheid

De interieurschildering van Remi Goethals in het katholieke deel van de St. Willibrorduskerk te Hulst  (1891-1931) 

In de nacht van 31 augustus op 1 september 1876 sloeg de bliksem op de torenspits van de St. Willibrorduskerk in Hulst en in de daaropvolgende brand verloor het gebouw voor de vierde keer zijn toren (zie op deze website het artikel ‘Het helse hemelvuur’, hfdst. 7.2 en 7.3).

Het godshuis had in 1876 drie eigenaars. De gemeente Hulst had de toren in eigendom en het kerkgebouw, sinds 1806 een simultaankerk of simultaneum (voor gelijktijdig gemeenschappelijk gebruik) was in het bezit van de rooms-katholieke en protestantse kerkbesturen. Op grond van de eigendomsverhoudingen draaide het gemeentebestuur op voor de herbouw van de kerktoren, de protestanten voor het herstel van het middenschip met de zijbeuken en de katholieken voor de koorkerk en de dwarsschepen. Aan het katholieke deel van de kerk was de schade het grootst: het zadeldak van het koor was volledig afgebrand, de schade aan de daken van de dwarsbeuken was aanzienlijk en het kerkmeubilair lag er deels vernield of verbrand bij. Negen dagen na het onheil jammerde het r.-k. parochiebestuur in een brief aan de bisschop van Breda “het is onbeschrijfelijk hoeveel de gewelven door de veelvuldige regen worden beschadigd”. Maar ondanks het geweeklaag maakte het r.-k. kerkbestuur liever maandenlang ruzie met de brandverzekeringsmaatschappij over de hoogte van de schadevergoeding, dan zorg dragen voor een snelle afdichting van de daken.Toen de werkzaamheden voor de overkapping eindelijk begonnen, hadden de gewelven en muren door inslag van de regen al zo veel vocht opgezogen, dat het pleisterwerk in het interieur aan het verpulveren was. Er was zelfs zoveel hemelwater geabsorbeerd, dat in 1880, vier jaar later dus, de “kalk nog als sneeuw naar beneden” viel en de hele bepleistering afgekapt en opnieuw gestukadoord moest worden.
Samen met de verpoederde en afgebrokkelde stuclaag ging de in 1840-1841 door kunstschilder Jodocus van den Abeele uit Gent aangebrachte muur- en gewelfschildering volledig verloren. Het r.-k. kerkbestuur trok de geldbuidel om muren en gewelven opnieuw te laten stofferen met een polychrome (= veelkleurige) schildering. Dit omvangrijke werk werd in 1891-1892 uitgevoerd door (het atelier van) decoratieschilder Remi Goethals uit Gent.
Deze beschildering verfraaide het interieur maar veertig jaar, want het hele schilderwerk verdween in het kader van de grote restauratie van 1931 -1933, als zijnde achterhaald. Sindsdien zijn muren en gewelven in de kerk onbewerkt gebleven.

Tastbare herinneringen aan de decoratie van weleer bestaan alleen in enkele zwart-wit foto’s, een korte beschrijving in de offerte van Remi Goethals en in een veelkleurig concept in gouache (= dekkende waterverf) van de firma Hubertus Bekkers uit Venlo, dat niet is uitgevoerd, maar waarschijnlijk als voorbeeld heeft gediend. De polychrome ontwerptekening, die destijds bij de offerte was bijgevoegd, heeft de tijd helaas niet overleefd.
Deze fotogalerij probeert aan de hand van de overgebleven bronnen en met voorbeelden van nu nog bestaande 19e-eeuwse polychrome kerkschilderingen elders de decoratie van Remi Goethals ‘enige kleur’ te geven.

De in het artikel voorkomende cursieve tekstgedeelten zijn letterlijke aanhalingen uit het parochiearchief van de St. Willibrordus en uit de offerte en rekeningen van Remi Goethals.

Archiefbronnen

Gemeentearchief Hulst

Parochie St. Willibrordus Hulst, inventaris van het archief van de pastoor en het kerkbestuur:
-Inv.nr. 7, Notulen van de vergaderingen van de kerkmeesters 1838-1876.
-Inv.nr. 157, Stukken betreffende het onderhoud van de kerk.
-Inv.nr. 167, Stukken betreffende het beschilderen van de kerk, 1891-1893.

Literatuur

-Bergmans, A. Middeleeuwse muurschilderingen in de 19e eeuw, Leuven 1998.
-Coninck, P. de. Het neogotische oeuvre van decoratieschilder Remi Goethals – ‘Schilderingen in alle slach’, in:
Het Land van Aalst, jrg. 72 (2020), nr. 2, 73-91.
-Maeyer, J. de (ed.), De Sint-Lucasscholen en de Neogotiek, 1862-1914 (Kadoc Studies, 5), Leuven, 1988.
-Peeters, C. De Sint Janskathedraal ’s-Hertogenbosch, ’s-Gravenhage 1985, blz. 291-324.
-Pey, I. De St.-Willibrorduskerk te Hulst in nieuwe luister, Nijmegen 1996, blz. 31-33.
-Pey, I. Herstel in nieuwe luister (dissertatie), Nijmegen 1993, blz. 32.

                                                     Afbeelding 1

Plattegrond van de St. Willibrorduskerk uit 1876, gemaakt door architect Pierre Cuypers.

De horizontale bruinrode balk geeft de plaats aan van de scheidingsmuur in de simultaankerk. De protestanten kerkten in het middenschip met de zijbeuken (het gedeelte onder de bruinrode balk) en de katholieken in het koor en de dwarsbeuken (het gedeelte boven de bruinrode balk). De door het atelier van Remi Goethals aangebrachte muur- en gewelfschilderingen uit  1891-1892 bevonden zich dus alleen in het katholieke gedeelte van de simultaankerk.

(Grondplan 1876, Zeeuws Archief, KZGW, Zeelandia Illustrata II, nr. 2270a)

                                                                                                                                                                                     Afbeelding 2

In januari 1841 besloten de “kerkmeesters der R.K. Kerk te Hulst” de muren en gewelven te laten beschilderen door de regionaal gerenommeerde kunstschilder Jodocus Sebastiaen van de Abeele (1797-1855) uit Gent. Van zijn interieurschildering is niets meer bekend, noch uit archiefstukken, noch uit overgebleven restanten. Het volledige kunstwerk ging verloren als gevolg van de kerkbrand in 1876. Jodocus van den Abeele was tijdens zijn opleiding in Italie gevormd tot neo-classicistisch (= navolging van de Grieks-Romeinse kunst uit de Oudheid) kunstenaar.

Zijn werk in de St. Willibrorduskerk heeft ongetwijfeld dezelfde classicistische  stijlkenmerken en uitstraling gehad als zijn zelfportret hiernaast: een statische houding van personen, rust en eenvoud qua compositie, koele heldere kleuren en gebruik van klassieke elementen.

(Museum voor Schone Kunsten Gent, bron: vlaamsekunstcollectie.be, nr. 1963-A)

                                              Afbeelding 3

Een impressie van de brandschade, zoals Jan Haak die twee dagen na de brand in 1876 schilderde. De torenspits is totaal weggebrand en op de stenen galmruimte ligt achtergebleven verbrande rommel.  Het dak van het koor (rechts) is helemaal in vlammen opgegaan en de daken van het zuidtransept en het middenschip zijn beschadigd. Omdat het r.k. kerkbestuur bleef treuzelen om de open dakgedeelten te laten overkappen of toch minstens tijdelijk waterdicht te maken, kon de regen maandenlang gedurig op de beschadigde gewelven vallen. Het metselwerk zoog het vocht op en gaf het door aan de muren, die zo nat werden, dat de kalk, inclusief de schilderingen van Jodocus van den Abeele uit 1841 nog jarenlang als poedersneeuw naar beneden dwarrelde.
Vijftien jaar later, in 1891,  kreeg  het kerkinterieur van het katholieke gedeelte in het kader van een noodzakelijke restauratie nieuwe muurschilderingen, ditmaal in de neo-gotische stijl.

(Jan Haak en zijn tijd, uitgave van de OHK Hulst, blz. 321)

Afbeelding 4

Briefhoofd van het briefpapier van het atelier van Remi Goethals met de verwijzing naar zijn specialisme ‘schildering van burgerlijke en kerkelijke gebouwen’. Goethals was was opgeleid in Gent aan de katholieke Sint Lucas Academie, die de studenten niet alleen onderwees in vakbekwaamheid, maar vooral in katholieke deugdzaamheid. Hier gold niet het devies van” l’art pour l’art” , de artistieke waarde van de kunst als hoogste doel., maar het overbrengen van de katholieke heilsboodschap.  artistieke waarde.
In de tweede helft van de 19e eeuw werden bij restauraties veel Gotische kerkelijke muurschilderingen ontdekt en als gevolg daarvan kwam het besef, dat veel middeleeuwse kerkinterieurs polychroom beschilderd waren.De nieuwe uit deze ontdekkingen voortgekomen kunststijl met de vanzelfsprekende  naam ‘Neogotiek’ vond snel zijn weg in de kerkelijke interieurschilderkunst.  

                                                Afbeelding 5

Met het ondertekenen van de offerte op 1 maart 1891 kwamen pastoor-deken Theo Hessels en decoratieschilder Remi Goethals overeen om de werkzaamheden voor de interieurschildering in de kerk“uit te voeren volgens gegeven ontwerp” van de kunstschilder. Omdat de bij de offerte bijgevoegde ontwerptekening in kleur  niet meer aanwezig is, ontbreekt een gedetailleerd totaalbeeld van de compositie en van de veelkleurigheid. Wel berust in het gemeentearchief van Hulst  een ‘gouache’ (getekende afbeelding in plakkaatverf) van de firma Bekkers uit Venlo. Uit de bewaarde zwart-wit  foto’s en de omschrijvingen in de offerte blijkt, dat het ontwerp van de firma Bekkers niet is uitgevoerd en dus hooguit tot  inspiratiebron heeft gediend. Wel toont dit concept aan, dat de neogotische kerkelijke schilderkunst , ondanks het vullen van muur- en gewelfvlakken, vooral een afwerking van de architectuur was. Door middel van polychrome schildering werden de architectonisch krachtige lijnen en ornamenten het sterkst benadrukt.

(Parochie St. Willibrordus Hulst, inventaris van het archief van de pastoor en het kerkbestuur, inv.nr. 167.)

                                                                                                              Afbeelding 6

Voor een beeldbeschrijvende reconstructie van de polychrome interieurschildering in het katholieke gedeelte van de toenmalige simultaanerk zijn we vooral aangewezen op een klein aantal zwart-wit foto’s uit het begin van de 20e eeuw. Soms konden niet goed zichtbare componenten nader geidentificeerd worden dankzij de beschrijving uit de offerte van Remi Goethals.

Dit detail van een foto uit 1919 toont het aanzicht van de gewelfschildering boven de halfronde koorafsluiting (zie de plattegrond, afb. 1). De gewelfvlakken waren als een heldere nachtelijke hemel met “goude sterren bezaaid” (A) en de tussenliggende “nervuren” (gewelfribben) kregen een accent d.m.v. “chanfrains”, drie stippellijnen in goudverf (B) per rib. De “voutsleutel” (sluitsteen waarop zes ribben samenkomen) was ook verguld (C). De gedeeltelijk donkere kleur van de zes op de sluitsteen samenkomende ribben wijst eveneens op een verguldsel. In het midden van de gewelfvelden waren in de lengte drie ‘rozetten’ (ronde roosvormige ornamenten) aangebracht (D). De gewelfvlakken werden tegen de ribben afgezoomd met een crête (E), een randversiering van een druivenrank binnen een golflijn.

(beeldbank.cultureel erfgoed.nl nr. 3626, detail)

Afbeelding 7

Hoewel de meeste neogotische kerken van hun vroegere neogotische interieurschilderingen afscheid hebben genomen, zijn er nog genoeg godshuizen, die deze 19e eeuwse stijl grotendeels of zelfs helemaal koesteren. De kathedraal van Saint-Caprais in het zuid-Franse Agen bezit in de gewelfschildering tussen de dwarsbeuken een aanschouwelijk voorbeeld van de polychrome neogotische stijl.

Ter vergelijking.
Net als de koorafsluiting in de Sint Willibrordus destijds bestaat het plafond in de kerk van Agen uit een sterrenhemel. In Hulst gouden sterretjes op een lichte achtergrond, in Agen witt op een blauwe achtergrond. De gewelfribben zijn verguld, wat deze lijnen van de architectuur sterk accentueert.

(fr.wikipedia.org, foto Didier Descouens)

Afbeelding 8

De drie muurvlakken onder de lichtvensters in de koorafsluiting zijn verticaal geaccentueerd door spitsbogen met verdiepte velden daarachter.
De neogotsche schildering deelde de muurgedeelten rond deze spitsbogen door middel van twee horizontale banden (A) in drieën. De ruimte hiertussen (B) had een muurvullende decoratie “afgezet met bloemen en ranken” (B). In de ruimte boven de bovenste band (C) golfden ‘banderollen’ (= spreukbanden) door het florale rank- en bladmotief heen.
De muurvelden in de drie nissen achter de balustrades hadden een opengewerkt bladmotief in een gekantelde ruitvorm (D) met in het midden een medaillon (E) rond een ‘vierpas’ (vier in een kruisvorm staande cirkels, die elkaar licht overlappen).

(beeldbank.cultureel erfgoed.nl nr. 3626, detail)

Afbeelding 9

Evenals bij afbeelding 8 zijn op deze foto de muurvlakken  onder de lichtvensters in de koorafsluiting in beeld. Met een sterke uitvergroting is het muurvullende blad- en rankmotief duidelijker te zien. Ook zijn bovenaan in de ‘zwikken’ (= de driehoekige muurvlakken links en rechts van de spitsbogen) de twee banderollen duidelijker waar te nemen. Zelfs de stichtelijke Latijnse tekst op de (tekstueel doorlopende) spreukbanden is te ontcijferen: v.l.n.r. “bone pastor panis vere” en “Iesu nostri miserere” (“goede herder, het ware brood ; ontferm U over ons”). Het zijn de twee eerste regels van het een na laatste vers uit de 13e eeuwse hymne ‘Lauda Sion’, geschreven door Thomas van Aquino voor de heilige mis op Sacramentsdag.

(Parochie St. Willibrordus Hulst, inventaris van het archief van de pastoor en het kerkbestuur, inv. nr. 761)

Afbeelding 10

Remi Goethals had voor de zwikken, de driehoekige muurvlakken boven de arcaden (A) in het onderste deel van de koorafsluiting figuren (engelen) op met goud bezaaiden grond bedacht. Zelfs op dit zwart-wit detail blijkt uit de donkere kleur, dat er veel goud was gebruikt. De twee engelen in het middenvak (B) hielden een banderol (met teksten uit liturgie, evangelie of gezangen) en een kroon (C) vast, de andere engelen musiceerden, rechts met cimbalen (D) en links met een strijkinstrument (E). Het engelengewaad viel in hoekige plooien over de voeten. In de koorafsluiting waren de architecturale lijnen d.m.v. schildering beklemtoond: de halzuilen (F) en de spitse arcadebogen (A) met vergulde lijnen (G) en rozetten (H).

(beeldbank.cultureel erfgoed.nl nr. 3626, detail)

Met deze afbeelding zijn we verder naar beneden afgedaald in de koorafsluiting tot het niveau van de ‘arcaden’, de op de pijlers rustende spitsbogen. Remi Goethals had de zwikken, de driehoekige muurvlakken boven de arcaden (A) in het onderste deel van de koorafsluiting voorzien van “figuren (engelen) op met goud bezaaiden grond”. Zelfs op dit zwart-wit fotodetail wijst  de donkere kleur op rijkelijk gebruik van goudkleur. De twee engelen in het middenvak (B) hielden in de rechterhand een banderol vast met teksten uit liturgie, evangelie of gezangen en in de linkerhand een kroon (C). De engelen op de muurvlakken aan weerszjden van het middendeel musiceerden, rechts met cimbalen (D) en links met een strijkinstrument (E). Het engelengewaad viel in hoekige plooien over de voeten. In de koorafsluiting waren “de architecturale lijnen” van de halfzuilen (F) en de spitse arcadebogen (A) met vergulde lijnen (G) en rozetten (H) door middel van de schildering beklemtoond.

(beeldbank.cultureel erfgoed.nl nr. 3626, detail)

Afbeelding 11

We kijken, inmiddels iets boven grondniveau, nog steeds in de richting van de koorafsluiting, Door de pijlers heen is er een vrij uitzicht naar de ruimte van de kooromgang en de vensters van de drie straalkapellen daarachter (zie de cijfers 1, 2 en 3 in afbeelding 1).
Over deze kleine gebedsruimten, die als een ‘stralenkrans’ het kooreinde afsluiten, meldde de offerte van Remi Goethals “muren met baldaquins behoudende figuren (…) volgens toewijding der kapel “. Dit betekende, dat op de muren van deze kapellen de heiligen, aan wie ze waren gewijd, stonden afgebeeld onder een ‘baldakijn’ (= een luifel van een kostbare stof als eerbewijs). Dezelfde figuratieve decoratie was ook in de kapellen langs het koor aangebracht. Hiervan zien we een zeer klein fragment op een zijmuur van de koorkapel, die aansloot aan straalkapel 3 (zie letter C op afbeelding 11 hierboven en voor de locatie van de kapel afbeelding 1, de vierkante ruimte onder cijfer 3). Hoewel optisch ingedrukt is toch een levensgroot figuur waarneembaar, staande onder een troonhemel met verticale spitse ornamenten bovenaan. Van deze grote  fresco’s zien we rechts (C) een klein fragment van de heilige, aan wie de kapel gewijd was, staande onder een baldakijn (troonhemel). De gewelven van alle koorkapellen waren net zo “rijk gepolychromeerd” als het gewelf van de koorafsluiting: een met een gouden sterrenregen bestrooide hemelkoepel (A).

De zwart blinkende kleur van de koolbladornamenten op de kapitelen van de zuilen wijzen weer op een sterk geaccentueerde versiering met bladgoud (B).

(beeldbank.cultureel erfgoed.nl nr. 3626, detail)

                                                                                                                                                                           Afbeelding 12

Een nog bestaand religieus neogotisch werkstuk van Remi Goethals is de gewelfschildering in de St. Martinuskerk te Aalst (B). Dit fresco kwam tussen 1901-1903 tevoorschijn bij het verwijderen van aangebrachte kalklagen. Op grond van het jaartal 1497 is de schildering te dateren als (laat) middeleeuws-gotisch. De zwaar beschadigde en daarom sterk gereconstrueerde schildering geeft met zijn engelen, ranken en banderollen een prima impressie voor de schilderingen van Remi Goethals in het katholieke deel van de St. Willibrorduskerk te Hulst.

(Bergmans, A., Middeleeuwse muurschilderingen in de 19e eeuw, Leuven 1998, 104.)

Afbeelding 13

Deze foto uit 1919 is genomen in noord-westelijke richting met doorzicht door het middenschip naar de noordelijke zijbeuk en rechsachter een deel van de scheidingsmuur (afbeelding 1).
Alle zuilen van het schip zijn met “het loofwerk (= het koolbladornament) der kapitelen verguld” (A). Boven de spitse arcadebogen, versierd met een blokmotief (B), hadden de zwikken een vereenvoudigd blad- en rankpatroon van de druivenplant (C) met in de hoeken een medaillon rondom een kleine schildering, bestaande uit engelenfiguren (D) en bloemen- en fruitdecoratie (E). Veel van de gebruikte, steeds terugkerende,  motieven werd eerst met behulp van sjablonen op doorzichtige “calques” (kalkeerpapier = doorschijnend) in contouren aangebracht op de muren en daarna ingeschilderd.

(Parochie St. Willibrordus Hulst, inventaris van het archief van de pastoor en het kerkbestuur, inv. nr. 761, detail)

Afbeelding 14

In het middenschip zijn in de muurvlakken boven de zwikken “triforia” aangebracht. Dit zijn smalle gaanderijen, verkregen door een open deel in de muur, afgezet met een dubbele spitsboog (B) en een lage balustrade (C), waarachter door middel van een teruggeweken muur (A) een blinde nis is gevormd. Voor de blinde muur in de nis had Remi Goethals een “damast” ontworpen, een schildering met de illusie van een textiele stof, als een sluier opgehangen aan een geschilderde stang (D).

De gewelven van de kooromgang hadden aan de randen de gebruikelijke blad- en rankmotieven (E), maar anders dan in de koorafsluiting, geen gouden sterren op de gewelfvelden.

(Parochie St. Willibrordus Hulst, inventaris van het archief van de pastoor en het kerkbestuur, inv. nr. 761, detail)

                                              Afbeelding 15

De foto op deze afbeelding is gemaakt in 1930, vlak na de teruggave van het protestantse deel van de simultaankerk aan de katholieken en vlak voor  voor de grote restauratie van 1931-1935, in het kader waarvan de complete neogotische schildering van het atelier van Remi Goethals werd weggehaald. De opname heeft een stukje van de  scheidingswand tussen het rooms-katholieke en protestantse deel van de simultaankerk gedetailleerd in beeld gebracht met rechts de lagere scheidingsmuur onder de toren, links de hogere muur in de zuidelijke dwarsbeuk. De tussenmuur had de dikte van de stenen kerkmuur, was opgebouwd uit turfblokken – een destijds gangbare techniek voor geluidsisolatie – en afgezet met een laag gladgestreken pleisterwerk. Dunne gepenseelde horizontale schijnvoegen moesten de schijn wekken van een (natuur)stenen muur in halfsteensverband. In iedere ‘imitatiesteen’ prijkte een rozet als versiering. Bovenaan is hetzelfde rankenmotief te zien als die op de gewelfvelden van de koorafsluiting. Op de gewelfrib tussen de velden loopt als accent een gouden belijning, bestaande uit delicate gouden puntjes. 

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl nr. 11639)

                                                Afbeelding 16

De fotograaf heeft voor een doorkijkje door het koor (B) in zuid-oostelijke richting in het noordtransept  (noordelijke dwarsbeuk, letter A) gestaan met zijn rug naar de scheidingswand. Prominent in beeld staat een van de vier zware torenpijlers van de ‘viering’, d.w.z. de kruising, waar het schip, het koor en de twee transepten samenkomen (C). Net als op de bepleisterde turfwand waren in de zwikken (driehoekig veld) boven de gewelfboog (D) imitatievoegen in een steenmotief met rozetten geschilderd. Alle gewelfvelden kenden het door het atelier Goethals veelvuldig toegepast blad- en rankmotief (E).

(bronlocatie onbekend)

Afbeelding 17

 In het katholieke deel van de simultaankerk, het koor en de beide transepten, stond het altaar niet in de koorafsluiting, gericht naar het oosten naar Jeruzalem, maar tussen de torenpijlers van de vieringtoren, in de richting van het westen. Op deze wijze hadden zowel de gelovigen in het koor als in de beide transepten tjdens de heilige mis een vrij zicht op het altaar. Mogelijk verklaart dat de monumentale schildering op het grote muurvlak boven de gewelfboog.

Een bijna muurvullende fantasiearchitectuur was door Remi Goethals in de offerte omschreven als “baldaquins overeenkomstig de gaanderij (triforium) bevattende zinnebeelden”. Hij verwees hiermee naar de geschilderde illusie in de blindnissen van de triforia in de muren van het koor (zie afb. 14, letter D). De monumentale schildering op het grote muurvlak hier bevatte onderaan inderdaad een illusie van een zuilengalerij, waarop een constructie van fantasie-architectuur rustte.  

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl nr. 3628; foto uit 1919)

Afbeelding 18

Ter hoogte van de top van de spitse gordelboog in torenmuur begon de monumentale schildering met een horizontale spreukband, waarop een ‘geestverheffende’ tekst uit het evangelie van Johannes. Het op deze foto ontbrekende begin en einde van het citaat staat tussen haakjes:

[et verbum c] aro factum est et habitavit [in nobis] = het woord is vleesgeworden en het heeft onder ons gewoond.

Het vleesgeworden woord is een van de talrijke benamingen van het Jezuskind, hier in de betekenis van Gods zoon, naar de aarde gezonden om Gods woord te verkondigen. Deze zegswijze kennen we in onze taal nog steeds, bijvoorbeeld ‘zij is de vleesgeworden goedheid’.

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl nr. 3628, detail)

Afbeelding 19

Boven de spreukband vertoonde zich een geschilderd “baldaquin”, met welke term Remi Goethals hier een booggalerij bedoeld heeft. De op zuiltjes rustende spitsbogen hadden aan de binnenkant een aan het klaverblad ontleende versiering, met afwisselend ‘driepassen’ (drie opengewerkte cirkels) (A) en veelpassen (hier: zeven opengewerkte cirkels) (B). In de ‘zwikken’ tussen de bogen bevonden zich verschillende (hier nauwelijks te onderscheiden) zinnebeelden (C). Boven het baldaquin liep een horizontale band met rank- en bladmotief, waarboven zich een tweede baldaquin verhief.

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl nr. 3628, detail)

Afbeelding 20

Voor een impressie van het veelkleurige effect van het door Remie Goethals geschilderd ‘baldaquin’ op afbeelding 19 kunnen we weer terecht in de Saint-Caprais in Agen (Fr.). Net als op het inwendige muurvlak van de vieringtoren van de St. Willibrordus is op een muurschildering in de Saint-Caprais een overdekte galerij verbeeld, steunend op zuiltjes met aan het klaverblad ontleende bogen, in dit geval allemaal ‘driepasbogen’.

(history.stackexchange.com/questions/9328/medieval-wall-and-garment-patterns)

Afbeelding 21

Het tweede ‘baldaquin’ suggereerde een tussen ranke zuiltjes opgehangen fijn weefsel met op ieder van de vijf doeken een schild met een embleem en kernspreuk. Met wat gericht ’tuurwerk’ zijn de kernachtige gezegen net te lezen.
De emblemen en teksten van links naar rechts:

  • De Nederlandse leeuw en “je maintiendrai’” (ik zal handhaven).
  • Het anker (symbool van hoop en standvastigheid) en“in te Domine speravi” (op U Heer heb ik mijn hoop  gevestigd).
  • Fleur-de-lis (Franse lelie, symbool van zuiverheid) “lumen in caelo” (licht in de hemel).
  • Wapen van Hulst en “oppidum Hulstensis” (de stad Hulst).
  • Wapen van Zeeland en “luctor et emergo” (ik worstel en kom boven).

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl nr. 3628, detail)

Afbeelding 22

De geschilderde fantasie-architectuur boven de twee galerijen was opgebouwd uit een willekeurige combinatie van bouwelementen, die op de hoge delen van het exterieur van een Gotische kerk kunnen voorkomen. Te zien zijn o.m. de driepasboog (A); het drielichtvenster (B); een ‘wimberg’ of driehoekig gevelelement (C) met ‘hogels’ (bloemknoppen) op de schuine zijden (D); de ‘pinakel’, een versiering in de vorm van een slanke torenspits (E) en in het midden (F) een ‘dakruiter’ (kleine toren op de nok van een dak).

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl nr. 3628, detail)

Afbeelding 23

(beeldbank.cultureelerfgoed.nl nr. 3627)

Het effect van de veelkleurige muur- en gewelfschilderingen en het vergulden van architectuurelementen zoals gewelfribben, vensterstijlen en de kapitelen van de zuilen werd nog versterkt door het (deels) vergulden van kerkmeubilair, zoals heiligenbeelden en altaren en smeedwerk. Op deze foto is een van de forse smeedijzeren afrasteringen (“grilliën”) in de ruimte tussen twee zuilen als afscheiding van middenschip en kooromgang (A) te zien.

Afbeelding 24

Ook tussen de kooromgang en het altaar daarachter waren als markering twee forse afrasteringen geplaatst. Deze “grilles” zijn hier links (A) en rechts (A) van het altaar te zien. Heel dit smeedwerk was verguld.

Opmerkelijk zijn de grote, aan de zuiltrommels bevestigde, ver uitstekende lamparmaturen.

(beeldbank.cultureel erfgoed.nl nr. 3626, detail)

Afbeelding 25

Ter afsluiting een oud plaatje uit ca. 1890-1900 met een doorzicht door het schip van het katholieke gedeelte van de simultaankerk in de richting van west naar oost. Het hoofdaltaar staat als gebruikelijk in het deel van de katholieke kerk, dat naar het oosten is gericht (hier in de kooromgang voor de drie  straalkapellen), maar de van dit altaar afgewende stand van de stoelen wijst erop, dat het voor de eredienst gebruikte offertafel aan de westkant stond (zie afbeelding 17 en de tekst boven deze afbeelding).

(digitaal.dezb.nl recordnr. 8854.)

Laatste updates

Datum

04-08-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

De galerij  ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’ is aangevuld met twee foto’s uit het Zeeuws Archief.

Datum

05-07-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuwe galerij toegevoegd, getiteld ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’, over de adellijke familie Collot d’Escury.

Datum

03-2024

Uit de categorie ‘Historische Fotogalerij’ verplaatst naar ‘Hulst Historisch Kort’:

De fotogalerij Veertig jaar veelkleurigheid over de schilderingen in het katholieke deel van de kerk te Hulst omgewerkt tot artikel.

Datum

01-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuw artikel ‘Hulst 1914-1918’, een neutraal grensgebied in de ‘Eerste Wereldoorlog’.

Datum

12-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over De Heilige Kindsheid uitgebreid met beeldmateriaal en beschrijving van Kindheidsoptochten in de kernen.

Datum

11-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over Casimier Lambin grondig herzien en uitgebreid, met name met aanvullende informatie uit zijn faillissementsdossier.

Uw inschrijving kon niet worden opgeslagen. Probeer het opnieuw.
U bent met succes aangemeld voor onze nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief