4.1 Uithuilen en opnieuw beginnen

4. Een hele eeuw een halve kerk

4.1.  Uithuilen en opnieuw beginnen

In januari 1469 was de nog overwegend lage plattelandskerk in Vlaams-Gotische stijl een uitgebrande ruïne. Het in Brabants-Gotische stijl nieuw gebouwde koor was met aanzienlijke schade behouden. Het hoogkoor had men snel provisorisch kunnen opknappen voor de kerkdiensten, maar het bleef nog lang behelpen.

Uit de kerkrekeningen blijkt,  dat  spoedige nieuwbouw van het hele kerkgebouw uitgesloten was. De financiën waren zo krap, dat de achtereenvolgende kerkbesturen scherpe prioriteiten moesten stellen, maar desondanks waren de ‘ponden Vlaams’ niet toereikend. Niettemin liet men het concept van een grote prestigieuze stadskerk niet los, wat regelmatig leidde tot minder verstandige, weinig doelmatige,

maar wel kostbare beslissingen. Als gevolg van deze keuze stokte de voortgang van het gebouw als geheel. Het gemiddelde tempo lag over de tijd genomen zo laag,  dat het beoogde pronkstuk op het moment van de brand in 1562, bijna honderd(!) jaar later, nog niet af was.
In dit hoofdstuk wordt nagegaan hoe het kerkgebouw oogde toen het in 1562 voor de tweede keer aan de vlammen ten prooi viel.

4.2 Met de illusie van een kathedraal

4.   Een hele eeuw een halve kerk

4.2   Met de illusie van een kathedraal

Direct na de brand in januari 1469 kregen twee zaken absolute voorrang.
Allereerst het koor.
Omdat het snel duidelijk was, dat over langere tijd alleen het hoogkoor geschikt zou zijn voor de kerkdiensten, werd mettertijd aan het interieur en exterieur van deze liturgieruimte veel geld besteed. Het tempo van de werkzaamheden lag echter niet hoog. Symptomatisch voor het geldgebrek en de trage gang van zaken was bijvoorbeeld het feit, dat pas zes jaar na de brand het eerste vensterglas geplaatst werd. Dit was dan nog alleen mogelijk, omdat een particulier het gefinancierd had. Zo ging dit proces venster na vensterdoor en tien jaar na de brand was men hiermee nog niet rond.

Figuur 3 (dbnl.org)
Schematische plattegrond van de huidige Willibrorduskerk. Na de brand van 1469 werden over langere tijd langs de kooromgang (het rechtse deel van het schema) elf kapellen gebouwd, vier rechthoekige langs ieder van beide flanken en drie straalkapellen achter de koorsluiting.


Met dezelfde traagheid verliep  de constructie van de uiteindelijk elf kapellen rond de kooromgang. Uit de geringe gegevens kunnen we opmaken, dat er door hun ruïneuze staat eerder sprake was van nieuwbouw. dan van herstel. Na de voltooiing beschikte het koor over het het gangbare schema van de kapellenkrans van de Brabantse Gotiek 1.
Het in fasen aangeschafte meubilair in de koorkerk was behalve functioneel ook fraai, want er was niet op een paar centen gekeken: een ruim oksaal voor het zangkoor, een preecstoel en ghestoelte (zitbanken) en na verloop van tijd zelfs een groot dorghel voor den coer (een orgel voor het koor), dat op het oksaal een plaats kreeg 2.
Vanwege zijn belangrijke signaalfunctie was de snelle wederopbouw van de toren de tweede prioriteit. Drie plaatselijke timmerlieden, Pieter Bruunbaert, Coppen Bruunbaert en Willem Claeyszone plaatsten een lange eikenhouten makeleere van den wendelsteen, d.w.z. een zware verticale balk, waaromheen de wenteltrap werd opgebouwd en met behulp van 85 brackoenen (kepers) de houten constructie van de torenspits rondom werd aangebracht.

Afbeelding 48 (hervormd-ermelo.nl; www.kapel.org)
In de N.H. kerk van Ermelo (linkse) kijken we binnen in de opbouw van de toren naar de ‘ kepers’  (horizontale balken) aan de basis van de torenspits. Zij zijn waaiervormig aangebracht, rondom een verticale balk, de ‘makelaar’ (aan de linkerkant, maar hier buiten beeld). De keperbalken zijn aan het uiteinde rechts door acht horizontale balken verbonden, waaraan de acht dakschilden van de torenspits verticaal zijn bevestigd. De afbeelding rechts toont het inwendige bovenkant van de spits van de Oud-Katholieke kerk van Egmond aan Zee. De verticale makelaar (lopend van rechts boven naar het midden van de foto) eindigt in de nok,. Rondom zijn de balken te zien, waarop de dakschilden zijn vastgezet.


Bij Hendric Pauwels uit Mechelen werd ‘klokspijs’ (
een metaalmengsel in de juiste verhouding) besteld voor vier luiklokken, een uurklok en drie schellen of appellen (klokjes).
Meesterklokkengieter Hendric Waghenare en zijn vakgenoot Augustin Quisthout kwamen in de zomer van 1469 uit Mechelen naar Hulst om op het kerkhof naast de kerk de klokken te gieten.
In de lente van 1470, ruim een jaar na de brand, was de derde torenspits met alle toebehoren klaar. Vanwege de constructie van een makelaar zal de vorm van de derde spits veel weg hebben gehad van haar voorgangers. Ze werd bekroond door het groete hiserne cruse (het grote ijzeren kruis), waarboven den hane en daar nog een cleynen cruskin (een klein kruisje) bovenop. Alle drie werden zij vervaardigd door meestersmid Cornelis Willemszone uit Hulst. Voor het orloy (uurwerk) in het clochuus (klokhuis) was diep in de buidel getast, getuige de vergulde pointe van de huere (uurpunten van de wijzerplaat) 3.

Met de restauratie- en nieuwbouwwerkzaamheden van de rest van de kerk schoot het, zoals al eerder vermeld, niet op. Ongetwijfeld was het uitgebrande schip in de tijd vóór de brand al te krap geworden voor de groeiende katholieke gemeenschap. De voorkeur voor een vergroting van het hele gebouw in de stijl, die aansloot bij het vernieuwde koor, was uit praktisch oogpunt logisch, maar om budgettaire redenen niet haalbaar.

Afbeelding 49
Een kaart met een getrouwe weergave van de kerktoren tussen 1470 en 1562 is niet voorhanden. Jacob van Deventer (ca 1525-1575) verrichtte tussen 1548 en 1575  karteringswerk van een groot aantal steden, waaronder Hulst. Omdat de bewaarde kaarten niet gedateerd zijn kan de afgebeelde toren de derde spits zijn (1470-1562), de vierde (1568-1596), of het afgebeelde kerkgebouw is een stereotiepe weergave, alleen bedoeld als herkenningspunt.

Als architect voor de herbouw van schip en dwarsschepen was Herman de Waghemakere, de opvolger van Evert Spoorwater (de bouwmeester van het nieuwe koorgedeelte) een begrijpelijke keuze. Men deed er alles aan om hem voor de opdracht binnen te halen. Zijn vervoer te paard heen en terug kwam voor rekening van de kerk. De architect in spe mocht vijf dagen lang logeren in de deftigste taveerne ter stede, herberg De Zwane in de Steenstraat recht tegenover de kerk. Hij kreeg gratis eten en drinken en dagelijks zakgeld voor de duur van zijn verblijf. Ten overvloede werd hem boven op zijn gewone salaris nog een bonus in het vooruitzicht gesteld, als hij het werk aannam. 

Afbeelding 50 (schaapsturm.nl)
Op deze, vlak na de restauratie van 1998-1999 genomen, foto zijn de twee rijen van vijf pilaren, die de arcaden (boog tussen twee pilaren) dragen, duidelijk in beeld. Pas achttien jaar na de brand plaatste men in 1487 alle tien de kolommen. Omhoog werken vanuit deze pilaren gebeurde met tussenpozen, maar de bogen, het muurwerk, de vensters en het dak waren tot aan het moment van de brand in 1562 in ieder geval niet over de volle lengte van het schip voltooid.


Al deze stroopsmeerderij had succes en zo begon onder supervisie van Meester Herman van Antwerpen, meester-wercman van deser kerke, die twerc van der kerken ordineert op 14 mei 1481 –inmiddels elf jaar na de brand – het werk aan de fundering van het nieuwe schip 4. Het grote aantal bestellingen en leveringen van bakstenen, kalk, voorbewerkte profielen voor de ogiviën (kruisbogen) en orduun (arduin) zijn in het archief nog steeds de papieren getuigen van de intentie van een (voor)spoedige nieuwbouw, maar het werk schoot voor geen meter op. In 1487, zes jaar later alweer, kwam meester Herman naar Hulst, om adviis te ghevene, hoe dat men de fondamenten legghen soude van de pylaren, maar nadat de tien pilaren in het middenschip waren opgericht, gebeurde er een tijdlang niets meer 5.
In 1512, na nog eens dertig jaar, moest de loodgieter zes van de tien pilaren aan de bovenzijde met lood afdekken tegen het vocht. Ruim de helft van de pilaren was dus nog niet door middel van spitsbogen met elkaar verbonden, waardoor het muurwerk boven de bogen ontbrak en het middenschip – zonder muren – sinds de brand van 1469 nog steeds grotendeels of zelfs helemaal ‘dakloos’ was. Hoewel de herbouw van de toren, de restauratie en inrichting van het interieur van de koorkerk, de opbouw van een volledig nieuw schip en transepten samen al te veel kostten, was er zo weinig realiteitszin, dat vanaf 1484 ook nog veel geld werd gestoken in een kostbare pronkfaçade voor de  westgevel. Aan dit door Herman de Waghemakere ontworpen luxe vooraanzicht van de kerk is achtereenvolgens door Mathijs en Laureis Keldermans met forse onderbrekingen jarenlang gewerkt. Het gevolg was, dat van dit prestigeobject alleen het voorportaal gereed kwam en dat de voor het toenemende aantal gelovigen veel noodzakelijker opbouw van het schip bleef steken 6.
Eerst in maart 1530, eenenzestig jaar na de brand, slaagde men erin onder leiding van de nieuwe meester van den wercke, Willem van Sassen, upwaert te wercken an den buuc van der kercke en in 1533 volgde de laatste betaling aan deze meester voor het volmaken van de ghevele der kerkcke 7. Het lijkt erop dat de herbouw van de zijbeuken en de transepten wel naar behoren gevorderd waren. In 1512 voltooide scaliedecker (leidekker) Wouter Wouterse het scaillen dack (leisten dak) van de zijbeuken 8. Met het middenschip is het tot aan de brand van 1562 niet meer goed gekomen, het had op 6 juni 1562 in ieder geval geen compleet, maar mogelijk helemaal geen dak. Enigszins gechargeerd kan men stellen: er was bijna een hele eeuw slechts een halve kerk voor de kerkdiensten.

4.3 De tweede kerkbrand: 6 juni 1562

4.   Een hele eeuw een halve kerk

4.3   De tweede kerkbrand: 6 juni 1562

Van het godshuis, dat op 6 juni 1562, bijna een eeuw na de vorige brand opnieuw door het hemelvuur werd getroffen, waren de toren en het koor voltooid, de transepten en zijbeuken waarschijnlijk zo goed als klaar, maar het schip miste nog (groten)deels zijn dak. In dit opzicht leek de situatie op die van het tijdstip van de brand in 1469: een gebouw onder constructie.
Het voorjaar en de zomer van 1562 verliepen kolt, vel regens und alle tit smart weder, ofwel: rotweer 9.
De berichtgeving over het verloop en de omvang van de kerkbrand, de schade en het herstel is precies als in 1462 minimaal. Volgens de latere bron Jacob van Lansberge was de brandramp net zo desastreus als die van 1469:

 (…) ende alsoo Anno 1562. den 6. Juny de Stadt niet minder besocht.
Wanneer by de selve oorsaeck van Blixem het vuyr wederom is geraeckt in den Thoorn deser Kerck, met sulcken woede, dat niet alleen den selven Thoorn, alle de Daecken van de Kerck, maer oock het Convent of Klooster van de Observanten, naederhandt Recolletten, met hondert en sestigh bysondere Huysen in d’Assche zijn gelegt en omgekomen (…)10.

Het door Van Lansbergen geschetste beeld is vrijwel identiek aan de brand van 1469: de kerktoren is door de bliksem ontvlamd, alle kerkdaken en dakstoelen zijn in de brand gebleven en de vuurzee heeft opnieuw een deel van de stad in de as gelegd.
De stadsrekening van 1562-1563, een betrouwbare primaire bron, ondersteunt de visie van de grote omvang van de catastrofe. Volgens deze rekening zouden de meeste huizen op de Overdam, Kaai en Begijnenstraat, het klooster van de Minderbroeders in de Schelphoek (het huidige ‘s – Gravenhofplein), het Landshuis van Hulsterambacht, het refugium van de monniken van Cambron en het Vleeshuis afgebrand zijn. De opsomming wijst er op, dat  er weer veel vliegvuur is geweest.

Afbeelding 51 (keyetv.com)


In 1562 stortte voor de tweede keer na blikseminslag de spits van de Willibrorduskerk in.
Opnieuw kon men enkel machteloos wachten tot dit onvermijdelijke moment.
Een vergelijkbare dramatische gebeurtenis vond op 22 juli 2007 plaats, toen – eveneens na blikseminslag – de torenspits van de First Mount Olive Freewill Baptist Church in Baltimore in de V.S instortte. In dit geval kwam het gevaarte in één keer in zijn geheel los en viel grotendeels naast het gebouw. Bij een kerk met vieringtoren, zoals in Hulst, is het eigenlijk altijd raak, omdat de kerkdaken aan vier kanten op de kerktoren aansluiten.  


Het Minderbroederklooster zal inderdaad ernstig getroffen zijn, want uit een gift van het stadsbestuur van Ieper blijkt, dat er na de brand zowel restauratie als nieuwbouw plaatsvond: Betaelt den gardiaen (= kloosterhoofd) ende minnebroeders der stede van Hulst t’hulpe van t’upmaaeken ende reparatien van ’t zelve huerlieden cloostere, dat by fortune t’eenemaele verbrant es gheweest 11.

Het risico op een stadsbrand was in Hulst 1562 nog net zo groot als in 1469, want in de tussenliggende eeuw was een strengere reglementering betreffende het dekken van daken uitgebleven. Met de nog steeds grotendeels strogedekte daken en de nog even conventionele, ontoereikende brandbestrijdingsmiddelen kon een stadsbrand niet uitblijven.

Bij gebrek aan beter was ook het vastberaden maar ijdele beieren om blikseminslag af te wenden  nog steeds in de mode:

Bij den luyers deser kerkcke vanden XV juny gheluit te hebben in het onghe weerte ‘snachts tot dry posen (Voor de luiders van deze kerk, die op 15 juni tijdens het onweer ’s nachts drie keer geluid hebben).


Betaelt te Lootins dat de luders droncken op St. Marie Magdalenendach 22 july doe zij luuden jeghens tonghe wederte 1 stoop Amborghens bier.


(Betaald aan [kastelein] Lootins 1 pint bier, die de luiders dronken voor het luiden tegen het onweer op 22 juli, de dag van de H. Magdalena).

(Gemeentearchief Hulst,  kerkrekening 1569/1570, ongefolieerd).

 

5.1 Driekwart eeuw prijsschieten

5.  Door tempeest van donder ende blixem

5.1  Driekwart eeuw prijsschieten
Uit de zeer spaarzame berichtgeving kan geconcludeerd worden, dat de schade aan het kerkgebouw in 1562 even erg was als in 1469. De hele tussenliggende eeuw was niet lang genoeg geweest om de hele kerk volledig te vernieuwen, toen op 6 juni 1562 het noodlot weer toesloeg.
Slaagde men in het centennium tot de volgende brand in 1663 wel in de volledige restauratie van het godshuis? Ongetwijfeld is weer het streven geweest eerst de kerktoren zo snel mogelijk te vernieuwen, maar de wederopbouw van dit beeldbepalende element duurde drie keer zo lang dan na de brand van 1469. Bernardus Maes uit het (nu) Belgische Aalst tekende voor de constructie van de vierde torenspits en de oplevering had plaats in 1568, het jaar waarin het langdurige conflict van de Nederlandse Opstand (1568-1648) begon 12. De strategische ligging maakte Hulst tot een speelbal in militaire acties tijdens het langdurige conflict en de kerktoren was dan ook regelmatig een richtpunt bij, zoniet het mikpunt van beschietingen.

Afbeelding 52 (rijksmuseum.nl,)
(Beleg van Hulst door aartshertog Albrecht, 1596, toegeschreven aan Bartholomeus Willemsz. Dolendo)
Hulst werd in de Nederlandse Opstand regelmatig betrokken bij militaire acties en dat zorgde voor nogal wat tekeningen van de stad op militaire kaarten. Een zo betrouwbaar mogelijke weergave van gebouwen was niet het primaire belang van tekenaars en gebruikers, maar voor het belegeren en beschieten moesten de markante stadsobjecten wel herkend worden.
Op meerdere kaarten wordt de vierde kerktoren (bouwjaar 1568) in Hulst met dezelfde onderdelen weergegeven, zij het met nuanceverschillen. Op deze plaat is  de toren van onder naar boven  weergegeven met de stenen (achthoekige) opbouw, een grote peer, een kleinere appel en een kruis. De in 1568 voltooide en in 1596 weggeschoten spits was maar 28 jaar gegeven. Het ontwerp leek in niets meer op de drie eerste  achtkantige torenspitsen van de plattelandsversie van de Scheldegotiek.


De schermutselingen van Parma in 1583 en Maurits in 1591 bij de belegering van Hulst lijkt de kerk niet gedeerd te hebben, maar het prijsschieten van Albertus van Oostenrijk, die in 1596 met 30.0000 granaten de stad grotendeels aan gort schoot, kon toren en kerk onmogelijk missen. Het vervangen van de vierde toren en de verdere grote schade aan het godshuis kostte weer handen vol geld en daarom ging er een brandbrief naar
de wettige landsheer Filips II. Het goed onderbouwde smeekschrift vroeg om toestemming voor het heffen van een speciale accijns voor het herstel van de de kerk. Voor een goedgunstig antwoord werd de oorlogsschade  schriftelijk dik aangezet met een bijna geheel vernielde toren (quasie toute démolie) en een helemaal uiteengereten en gebroken kerkgebouw (toute déchiré et rompue). Bij regenweer, zo schreef men de vorst, waren diensten niet mogelijk (l’ on n’y peult on temps pluvieux célébrer le service divin) 13.
Het is maar de vraag welke schade specifiek aan de oorlog kon worden toegeschreven. Op het moment van de brand in 1562 was de restauratie van de brand in 1469 immers niet  helemaal hersteld en is het goed mogelijk, dat de wederopbouw in de 24 jaar tussen de tweede brand in 1562 en de beschieting in 1596 niet klaar was.

Afbeelding 53
(Hulst, Gemeentehuis, raadzaal)

Sterk vergrote en daarom wat vage uitsnede uit het door schilder Cornelis de Vos in 1628 aan zijn geboortestad Hulst aangeboden schilderij ‘Zicht op de stad Hulst’. Zonder twijfel betreft het een betrouwbare weergave van de werkelijkheid, want de kunstenaar voorzag zijn doek van het bijschrift ‘ Dese schilderie uut liefden

ghemaeckt ende ghegeven, aende stadt tot een Eeuwige memorie’. Net als bij de vierde toren zijn de grote appel en kleine peer als bouwelement aanwezig.

De aannemers Hector van Vlimmen en metser (metselaar) Jacques van Gulger gebruikten de twee op elkaar rustende stenen achthoeken van de torenopbouw als basis voor de vijfde toren, naar de vorm een ‘peerspits’. Op de octogoon plaatsten zij een kleinere achthoek, bestemd voor het uurwerk en de uitwendige wijzerplaten. Daarboven kwam een houten bekroning in de vorm van een zeer forse afgeplatte appel. Hier op rustte het klokkenhuis in de vorm van een achtkantige open lantaarn met piramidevormig dakje, waarboven een peer 14, die het kruis met weerhaan torste. De nieuwe kerktoren was in 1600 klaar.

De belegering door Frederik Hendrik in 1645, de laatste voor Hulst in de context van de Nederlandse Opstand, beschadigde naast ongeveer 150 huizen ook de kerk, al rijst ook nu weer de vraag of oorlogsgeweld, vastgelopen restauratie of achterstallig onderhoud hier het meest debet aan was, want het godshuis stond er al langer bouwvallig bij.
En al kon ‘stedendwinger’ Frederik Hendrik direct na de inname van de stad een dankdienst in het kerkgebouw houden en werd te zijner ere boven het Cruys van den kerckthoorn een Orangerievlagge gehesen, het gebouw vormde een steeds groter gevaar voor de omgeving.
De bouwkundige staat van de toren werd van lieverlee zo miserabel, dat een kort voor de brand van 1663 uitgebracht bouwbestek dringend een grote renovatie adviseerde 15.
Voordat dit project kon worden gerealiseerd, zorgde de derde brand voor de volgende vernieling van toren en kerk.

5.2 Bijna gehele in assche

5.   Door tempeest van donder ende blixem

5.2   Bijna gehele in assche 16.

In de lente van 1663 bereikte de temperatuur regelmatig zomerse waarden en het jaar leek weerkundig iets heel moois te worden. Maar de zomer had meer weg van de herfst en er viel langdurig zoveel regen, dat West-Europa overstroomde. Ook in het najaar kwam het niet meer goed. Oktober en november waren een aaneenschakeling van stormen, een onstuimig komen en gaan van gevaarlijke noordwesters 17. In de vroege ochtend van dinsdag 20 november trok een kort maar zeer fel noodweer over Hulst. Meerdere op post staande schildwachten zagen de bliksem hoog in de kerktoren inslaan en zij sloegen conform de brandverordening alarm.
Een van hen waarschuwde zijn meerdere, een tweede rende ‘brand’roepend de stad rond en een derde wachtpost haastte zich naar het stadhuis om de brandklok te kleppen. In tegenstelling tot de twee eerdere kerkbranden zijn er nu enige ooggetuigen bekend gebleven. De wachtpost in het Orangerie-Bolwerck verklaarde tegenover het stadsbestuur, dat hij rond half vier had gesien en gehoort 2 sware Blixem en Donderslagen, daer van de laetste seer schetterde. Met den Donder gevolght is een vierige materie, welcke onder tegens aen het kruys van den Tooren van de Parochiekerkcke aldaer is aengedreven, welcke door het stuyten een geluyt of slag gegeven heeft, weynig minder dan een musquet, welcke gelost wert 18. Volgens hem vlogen na een half quartier uurs de vonken al uit de toren.
Het inslagpunt, tussen de peer en de weerhaan aan het uiterste einde van de spits, kon niet hoger. Aan de houten en dus brandbare peer was meteen een kleyne vuyr-spranckel (vonkje) te zien, die op die hoogte onmogelijk kon worden gedoofd 19. Voor de gevolgen maakte de plaats van inslag niet uit, de hele toren was immers onbereikbaar voor het bluswerk. De extraordinairen wint, waarmee het noodweer gepaard ging, werkte als een super blaasbalg, die het vuur in de toren snel naar beneden deed uitbreiden. Toen steeds meer brandende stukken van de toren door de kerkdaken heenvielen – we zagen het al twee keer eerder – werd de torenbrand een kerkbrand, die een immense vonkenregen over de stad joeg. In de notulen van de spoedvergaderingen van het stadsbestuur met de dekens van de gilden, de notabelen der stad en het Hulster-Ambacht kort na de brand, alsook in de kerkrekeningen klinkt het resoluut en eenstemmig: de hele kerk werd een prooi van de vlammen 20.

Afbeelding 54 (bronlocatie onbekend)


In de grote brand van 20 november 1663, die het kerkgebouw opnieuw grondig verwoestte o
verleefde één luiklok op miraculeuze wijze het vuur. Zij  stuiterde af op het dwarsschip en viel scheef maar ongeschonden naast de kerk in het zand. Op de foto een overeenkomstig voorval betreffende de hervormde kerk in Noord-Scharwoude. Als gevolg van een blikseminslag tijdens een noodweer op 14 oktober 1934 brandde ook deze kerk volledig uit. De grote klok viel ongeschonden tussen het troosteloze puin naast het gebouw.


Naast de informatie uit de spoedvergaderingen van het stadsbestuur geven de kleinere en soms zeer grote bestellingen van bouwmaterialen en de uitbetalingen van loon voor restauratie en nieuwbouw een globaal, maar toch duidelijk beeld van de grote ravage aan interieur en exterieur. De torenbrand zelf duurde weer tot de brandstof op was bij de omloop van de achtkantige stenen opbouw. Voor de derde maal was de hele spits in de vlammen gebleven, het horologie (torenuurwerk), alle luiklokken en het veertiendelige kleine carillon in een gloeiend ineengesmolten klomp in het octogoon gevallen. Alleen de uurklok, die op het gewelf van het transept aan de noordkant afketste, kwam roodgloeiend van de hitte scheef
(uit zijn perpendiculair), maar wonderwel onbeschadigd op de grond terecht 21. Daar heeft hij nog lang gelegen alvorens opnieuw in gebruik te zijn gesteld.
De daken van koorkerk, beide cruyschooren (dwarsbeuken) en van alle kapellen waren volledig weggebrand, zodat ook het interieur door neergevallen puin en brandend hout één grote ravage was. Neergestorte balken van de houten dakstoel hadden een deel van de zitbanken in het middenschip gebroken, het orgel had schade opgelopen maar kon gerepareerd worden.

Afbeelding 55
(beeldbank.cultureelerfgoed.nl doc.nr. 36200)

Sinds 1645 was de kerk overgegaan in protestants bezit, maar het gebouw was veel te groot voor de relatief kleine geloofsgemeenschap. Nauwelijks eenderde van het schip, grenzend aan de viering, werd voor de eredienst gebruikt. In 1663 was deze ruimte met preekstoel en banken omsloten met een houten balustrade met toegangsdeuren, de zgn. ‘Thuyn’. Precies boven deze thuyn vatte de dakstoel vlam en werden banken en afscheiding beschadigd door vallend hout en door het gemanoeuvreer van twee brandspuiten in het middenschip. Het is de eerste keer, dat er melding gemaakt wordt van de inzet van brandspuiten.
De afbeelding geeft een indruk van een soortgelijke ‘tuin’ in het protestante deel van de kerk rond 1919.


Bij de brand in 1469 en 1562 waren ook het dak en de dakstoel van het middenschip volledig weggevaagd, maar dat gebeurde nu niet!
Het houten zadeldak en enkele draagbalken van de zoldering tegen de vieringtoren vatten wel vlam, maar het vuur kon hier, zij het met de nodige schade, gestuit worden 22. Het dak van het middenschip was dan wel goeddeels gered, toch raakte het kerkmeubilair flink beschadigd. Dit lag echter nauwelijks aan de brand, maar was veeleer het gevolg van het inzetten van een novum bij de brandbestrijdingsmiddelen. De twee uit Sint Niklaas te hulp geschoten brandspuiten waren ingezet in het middenschip en moesten in de ‘Thuyn’ worden opgesteld om zo dicht mogelijk bij de brandhaard te komen. De manoeuvreerruimte voor de grote pompbakken, die op karren waren geplaatst om een groter bereik te krijgen was veel te klein, waardoor er kriskras overal tegen het meubilair was aangereden 23. In de hectiek van het blussen om het dak van de kerk te redden was de inboedel van ondergeschikt belang. Kerkdiensten waren in het middenschip voorlopig onmogelijk 24.

Afbeelding 56 (geheugen.delpher.nl)
(collectie Bodel Nijenhuis, Universiteitsbibliotheek, Leiden)
Vergroot detail uit een stadsgezicht op Hulst, 1645. In het midden de voormalige kerk van het Minderbroeders- of Recollettenklooster in de Schelphoek (nu ‘s-Gravenhofplein). Vanaf 1645 werd het gebouw een tijdlang gebruikt als arsenaal en magazijn. Na de brand in 1663 vond de gereformeerde gemeente in de ‘Houdt Magasin-Solder’ 
25 van de voormalige kloosterkerk een tijdelijk onderkomen voor de kerkdiensten 26.

De katholieke geloofsgemeenschap hoefde niet op zoek naar een vervangende ruimte, want de ‘paapsen’ waren al sinds de herovering van Hulst in 1645 uit het kerkgebouw verdreven en hielden hun kerkdiensten over de landsgrens in het naburige De Klinge, en in Hulst zelf, eerst clandestien en later in een door de overheid gedoogde schuurkerk.
Het door de kerkbrand veroorzaakte over de stad voortjagende vliegvuur zorgde ditmaal niet voor een stadsbrand, omdat veel meer daken met pannen gedekt waren. Uit voorzorg had men het kruitmagazijn met natte zeilen bedekt 27.

5.3 Waaslandse straalpijpen

5.3  Waaslandse straalpijpen
Het wordt eentonig, maar ook in 1663 was de bestrijding van de kerkbrand in Hulst nog even ouderwets als in 1469 en 1562 en een georganiseerde plaatselijke brandweer bestond evenmin. De post ‘uitgaven brandweer’ kwam in de boekhouding van het stadsbestuur nog steeds niet voor, maar daarentegen wel in de kerkrekeningen. Het betreft afzonderlijke betalingen aan particulieren, die hun eigen materiaal hadden gebruikt, dan wel uitgeleend. Er werden vergoedingen uitgekeerd voor schade aan zeilen en koehuiden, die als bescherming aan belendende percelen waren opgehangen, voor beschadigde ladders, allerlei kleine handgereedschappen en voor geneeskundige hulp bij verwondingen van mens en dier.
Ook de beloningen voor ingezetenen van de stad, die zich individueel of in groepsverband uitzonderlijk hadden onderscheiden, zijn een aanwijzing voor het mankeren van een georganiseerde brandweer van overheidswege. Zo kreeg het schippersgilde voor een, niet nader genoemde, prestatie tijdens de brand een tonneken wijn, niet van de magistraat, maar van het kerkbestuur 28.

Ter verantwoording en illustratie een selectie uit de kerkrekeningen:

Betaelt aan Guilliam van Leijs timmerman (…) over geleende ende gebroocken ladders.

Betaelt aan Johannes van der Schaeff mr. timmerman (…) over arbeytsloon ende geleden schade van geleende materialen.

(…) betaelt aan Jan Wijnen (..) schade in sijn seijl (…)

De schade bij diversche geleden in het leenen van seijlen en koey huyden (…)

Aan Barent Joppe (…) om te repareren de schade in sijn geleende seijl.

Noch gebleven in den brant een kelderwint (hefboom), noch een reep (touw), noch een handboom (metalen staaf), noch twee mookers, noch een breeckijser.

Betaelt aen de heeren doctooren ende chirurgijns (…) over ’t cureren (genezen) van Philips Hardtvoet meester metselaer inden brandt door een steen op sijn hooft seer swaer gequetst sijnde.

Betaelt aan Coenraedt Smitberge ruyter (…) omme rasse doendelijck met sijn peert naer Sinte Nicolaes te rijden ende versoecken den brandtspuyte geleent te hebben daerdoor sijn peerdt beschadigt geworden is 29.   

De ommekeer in de brandbestrijding diende zich bij deze kerkbrand bescheiden, maar onmiskenbaar aan. De stad Sint Niklaas schoot te hulp met een nieuw snufje, dat Hulst en de omliggende kernen nog niet bezaten: de brandspuit 30.
Coenraedt Smitberge kreeg daarom in de onheilsnacht van 20 november van het stadsbestuur van Hulst de opdracht om spoorslags met sijn peert naer Sinte Nicolaes te rijden ende versoecken den brandtspuyte geleent te hebben. Met succes, want de ijlbode kreeg er twee mee, met voor elk zes spuitgasten om het vuur so veele mogeleijck was te helpen slissen (blussen) [note]GAH, inv.nr. 437, ende haelen van de waterspuyte van de parochie van Sinte Nicolaes; GAH, Rekening betreffende opbouw en herstel van de door brand verwoeste parochiekerk,  Kerkereekening weegens ’t afbranden van deselve Kerke Aº 1663, fol. 91vo.[/note]. Het inzetten van de twee, toentertijd moderne, brandspuiten uit St. Niklaas redde het kerkgebouw niet, maar maakte toch een verschil. De meegekomen spuitgasten wisten – met gevaar voor eigen leven werd gezegd – het vuur te doven door binnen in het schip te blussen en daarmee de buyck (het middenschip) voor totale vernietiging te behoeden.

Afbeelding 57

(Jan van der Heijden,’brandweerboek’)

Vergeleken met het doorgeven van de brandemmers naar de brandhaard, was de brandspuit zeker een verbetering, maar  wel beperkt. De zogenaamde straalpijp was rechtstreeks op de pompbak gemonteerd en kon alleen naar links en rechts gedraaid worden. De stand van het spuiteinde stond altijd in dezelfde schuine hoek naar boven en limiteerde dus de spuitrichting.  Het apparaat was statisch, want vrijwel altijd zonder wielen. Voor een wisselend bereik diende het logge en zware gevaarte overal naar toe gezeuld te worden. Voor een echt effectief bluswerk zou de spuit door de korte spuitmond zeer dicht bij de brand moeten staan, maar dat was door de intense hitte vrijwel onmogelijk. Bij de kerkbrand van 1663 in Hulst kwam de straal overigens hoog genoeg om de in brand gevlogen balken van de zoldering  van het middenschip van binnen met deze spuit te bereiken.


De benodigde energie voor een effectieve werking van de eerste generatie ‘handbrandpompen’ was bijzonder arbeidsintensief. Om een hoog pomptempo aan te houden moesten de ‘pompslagers’ snel worden afgelost en de pompbak werd nog handmatig met emmers en kuipen gevuld. 
Gemeten naar de bierconsumptie verrichtte het de hele personele inzet in 1663 eerste klas werk; het stadsbestuur had uit dankbaarheid drie halfen (drie-en-een-halve) ton goet bier laten halen van Willem Eversen om voor het volck die in den tooren geholpen hadden 31. De zes ‘pompiers’ van de zo welwillend ter beschikking gestelde brandspuiten van St. Niklaas werden met een etentje bij herbergier Ferdinand Geschier op kosten van de stad evenmin vergeten 32.

                                              Afbeelding 58 (tomcartoon.be)

6.1 Een man van singulier vernuft

6. Een Brandspuyt met alle zijn toebehoorens

6.1   Een man van singulier vernuft

De kerkbranden van 1469, 1562 en 1663 werden in Hulst nog op de traditionele manier bestreden met emmertjes water en het beschermen van omliggende percelen met grote natte zeilen en huiden.
De inzet van twee brandspuiten uit St. Niklaas in 1663 markeerde een eerste verandering in de brandbestrijding, culminerend in de revolutionaire uitvinding in het laatste kwart van de 17e eeuw: de ‘hand-slang-brandspuit’ van Jan van der Heijden. Tijdgenoten noemden hem een man van singulier vernuft (buitengewoon scherpzinnig) of de ‘Da Vinci van het noorden’. Bijna tweehonderd jaar later in 1876 voorkwam zijn vinding dat de kerk in Hulst na weer een blikseminslag opnieuw zo goed als helemaal uitbrandde.
Als jonge knaap naar Amsterdam gekomen, volgde de getalenteerde Jan in het atelier van zijn broer een opleiding tot kunstschilder, wat hem later goed van pas zou komen bij het illustreren van zijn ‘brandweerboek’. In de nacht van 6 op 7 juli 1652 stond het oude stadhuis op de Dam, niet ver van de woning van de familie van der Heijden in lichterlaaie. Voor de 15-jarige Jan was de grote brand niet alleen een geweldige sensatie, maar ook het begin van een belangrijk leerproces. 

Afbeelding 59 (nbdc.nl)

Het onderschrift bij dit portret is volkomen terecht, want de innovatie van Jan van der Heijden was door veel eigen research en experimenteren tot stand gekomen. Toen in 1876 bij opgravingen in Pompeii een Romeinse slangenbrandspuit werd blootgelegd, bleek dat Jan van der Heijden dit brandblusapparaat feitelijk had heruitgevonden. 

 Zoals Jan van der Heijden nadien zelf schreef verbaasde hij zich over de absolute onmacht bij en de zinloze aanpak van branden. Het geklungel en geknoei met in lange rijen doorgegeven brandemmers, die ladders op gezeuld werden en daar aangekomen bepaald niet meer vol waren, de uitgestorte kleine doses water, die meestal opgedroogd waren, voordat ze het vuur bereikten, het snelle overslaan van de brand van vertrek naar vertrek en van gebouw naar gebouw en het vuur dat pas doofde als de brandstof op was. Het rendement van de zware arbeid van zovelen was eenvoudigweg nihil.

 

Afbeelding 60 (rijksmuseum.nl, objectnr. RP-P-OB-55.389, detail)

Tegen de gevel van het linkse deel van het oude Amsterdamse stadhuis zijn ladders op een niet al te stabiele manier opgericht. Op de langste ervan worden emmers omhoog gehesen. In de dakgoot balanceert een menselijke emmerketen richting het laaiende vuur rechtsboven. Een even levensgevaarlijk als volkomen nutteloos werk, omdat de beetjes water al verdampt waren, als ze de brand al bereikten.


Uit de zeer gedetailleerde gravures, etsen en minutieuze beschrijvingen van branden in Amsterdam tussen 1652 en 1687 van Jan van der Heijden blijkt, dat het probleem van de nutteloze bluspraktjk zijn inventieve geest had gewekt. Wel moest hij de geconstateerde tekortkomingen en bedachte oplossingen vertalen in praktisch uitvoerbare en duurzame verbeteringen. Dat maakte hij zich door middel van een vakopleiding in de werktuigbouwkunde eigen. Andere creatieve breinen hadden in verschillende landen eerder al brandspuiten ontworpen en op de markt gebracht, waarvan die van Hans Hautsch uit Neurenberg de meeste aandacht trok.

Afbeelding 61 (pitveiligheid.nl)

De werking en beperking van de ‘Feuerspritzen’ (brandspuit) van Hautsch in beeld gebracht. Zie voor de kanttekeningen bij dit blusapparaat het tekstkader onder de prent.

Nieuw maar nauwelijks vernieuwend

De handbrandspuit van hoepelsmid Hautsch uit Neurenberg bestond uit een grote waterbak met twee cilinders, waarin de zuigers door middel van een stangenstelsel handmatig in een op- en neer gaande beweging water aanzogen. Het opgezogen water kwam direct in een verticale buis, aan het uiteinde waarvan een straalpijp was bevestigd met draaibaar mondstuk. Het voordeel ten opzichte van andere in die tijd ontwikkelde handbrandspuiten was de mogelijkheid om de waterstraal te sturen zonder de waterbak te hoeven verplaatsen.
Qua doelmatigheid waren de nadelen van de eerste lichting spuiten legio. Omdat het bereik maar zo’n twintig meter bedroeg, moest de spuit zeer dicht bij de brand worden geplaatst, wat wegens de intense hitte gewoonl niet niet mogelijk was. Het handmatig pompen zorgde voor een ‘dood’ moment tussen zuigen en persen, zodat de straal steeds onderbroken werd. Bij vorst bevroor daardoor het water in de slangen en was het snel gedaan met de spuiterij. Het apparaat was een zwaar, lomp en arbeidsintensief bakbeest. Om een beetje straal te krijgen waren minstens twintig man nodig en het reservoir moest nog steeds met emmers en tobben worden gevuld. Het op een slee liggende logge gevaarte vergde drie paarden om er beweging in te krijgen.

Figuur 4

Schematische weergave van het pincipe van de cilinder, zoals in een handbrandspuit. Het water wordt uit een buis (A) opgezogen door de zuigstang (B) omhoog te bewegen. Bij de neerwaartse beweging van de zuiger  sluit het klepje onder in de cilinder automatisch. Het water wordt daarbij naar buis C geperst.

De handelsstad Amsterdam kampte voortdurend met grote verwoestende branden in pakhuizen en werkplaatsen en het stadsbestuur omarmde de nieuwe spuit van Hautsch dan ook hoopvol. Het liet in eigen beheer liefst 58 stuks van het Hautsch-model construeren, evenveel als het aantal stadswijken. In eerste instantie leek de vinding een fundamentele verbetering, omdat de menselijke emmerketen op de ladders door de waterstraal was vervangen, maar er bleven fundamentele tekortkomingen bestaan (zie omkaderd tekstvak hierboven).
Bij achtereenvolgende branden zag Jan van der Heijden, dat ondanks het inzetten van tientallen spuiten tegelijk, de brandende panden,  met medeneming van aanpalende gebouwen, tot de grond toe afbrandden. En dit nota bene in een van grachten vergeven stad, waar water nooit ver weg was en de gebouwen rondom meestal goed bereikbaar waren. Op grond van al deze praktijkvoorbeelden kwam op enig moment bij hem de oplossing binnen: het principe van een lange, gesloten, flexibele wateraanvoer d.m.v. een brandslang. Dit procédé had een dubbel voordeel, want over grote afstand kon water ononderbroken worden aangezogen en met een slang als aanvalsgeleiding kon men vroegtijdig zeer dicht bij een beginnende brandhaard komen.

 Met zijn broer Nicolaes sloeg Jan in hun beider atelier aan 

de Koestraat aan het experimenteren en op 22 februari 1672 onderging een prototype van de flexibele brandslang zijn ‘vuurdoop’. Een van de werkplaatsen van de om zijn kwalitatief hoogstaande atlaskaarten beroemde drukkerij van Joan Blaeu aan de Gravenstraat was ‘s nachts in brand geraakt.
De drukkerij ging helemaal verloren, maar het principe van de zuigslang was aangetoond.

Afbeelding 62 
(rijksmuseum.nl; ‘brandweerboek’ Jan van der Heijden, detail) 
Zie voor het bijschrift het tekstkader hieronder.

De ‘vuurdoop’ van de zuigslang (afbeelding 62)

Omdat de aanvoer van water met emmers bij de brand bij Blaeu niet snel genoeg verliep, viel het pompen steeds stil en met de temperatuur flink beneden nul bevroor in korte tijd het water in de ene na de andere spuit. De gewoonlijke wanorde van de kriskras door elkaar staande spuiten, talrijke ladders en menselijke emmerketens werd een regelrechte chaos toen de brand zich uitbreidde en omwonenden in paniek goederen uit hun huizen gingen verslepen. Ze maakten de brandbestrijders het werk onmogelijk, zodat weldra geen enkele spuit meer water gaf.
De broers Van der Heijden lieten toen een van de bevroren spuiten ontdooien, bevestigden het ene uiteinde van de zuigslang aan de spuitbak (afbeelding 62, letter H) en leidden het andere eind naar het water van de Voorburgwal (afbeelding 62 onder, letter B: het met emmers uit de gracht gehaalde water wordt in een zak gegoten, waar de aanvoerslang aan is bevestigd).
De ‘pompslagers’ kregen nu een gelijkmatiger wateraanvoer, waardoor het water niet meer bevroor en de straalpijp weer water gaf.

Ruim een maand later kon bij een brand op de zolder van het huis van een speelkaartenmaker ook de voor een binnenaanval zo belangrijke persslang met succes getest worden. Nog voordat het vuur zich verder had uitgebreid was de ‘darm’ met gemak het dak op getrokken, de straal direct op de vuurhaard gericht en de brand snel gedoofd. Voor het eerst was een effectieve invloed van het blussen mogelijk gebleken.
De broers hadden nog tien maanden nodig om hun slangenbrandspuit met zuig- en perscapaciteit bedrijfsklaar te maken. Toch verliep de introductie en acceptatie van het nieuwe apparaat bij een zeer grote pakhuisbrand aanvankelijk allesbehalve vlekkeloos. Het betreffende magazijn, volgestouwd met uiterst brandbare benodigdheden voor oorlogsschepen zoals hars, lijnolie, vetten, zwavel, hout en riet brandde als een fakkel en heel Amsterdam lag onder een spookachtig oranje gloed. Het trof slecht dat het vervoer van de slangenbrandspuiten van de Van der Heijdens in de soep liep. Toen de toestellen uiteindelijk arriveerden, wilde geen enkele pompgast de hand daar aanslaan: men achtede’ t hier geen tyd om nieuwe dingen en die men niet kende te  beproeven 33. Maar met het voorspelbare verloop van de vuurzee duurde de weerzin niet lang.

Afbeelding 63 (graphicarts.princeton.edu,  brandweerboek’ Jan van der Heijden)

Op de achtergrond is het in het midden een warboel rond de Hautsch-spuit bij de brandbestrijding van het magazijn in d’admiraliteits oude lijnbanen op 12 januari 1673. Bij de spuit van Van der Heijden echter regeert de discipline: van linksonder loopt de zuigslang naar de aansluiting op de ‘pompbak (A). Rechts wordt de persslang (B) vanaf de pompbak van de spuit geleid naar een houten loods die juist vlam heeft gevat. Acht ‘pompers’ bedienen vier aan vier ordelijk de pompstokken. De slang is via een ladder aan de achterkant over het dak heen getrokken (C) en vanaf de voorkant van het dak richten een paar spuiters (D) de waterstraal omlaag in het vuur, dat de loods bedreigt. Het centrale magazijn links is al ingestort, maar de vlammen laaien nog hoog op. De chaos rond de spuit van Hautsch is waarschijnlijk wat overdreven, want Jan van der Heijden gebruikte zijn tekeningen in eerste instantie voor commerciële doeleinden. Hij plaatste het gebruik van alle ‘oude’ middelen en zijn ‘nieuwe’ spuit op veel van zijn prenten graag tegengesteld aan elkaar.


Nadat alle ‘Hautsch’-spuiten hun activiteit hadden gestaakt, omdat het magazijn was ingestort, waren er ineens gewillige pomphulpen te over om twee aangrenzende houten loodsen, die juist vlam hadden gevat, te redden. Tot veler verbazing bluste de enige straal uit de over de daken van de loodsen getrokken brandslang de beginnende brand van boven af snel en effectief, waarna ook de brandende puinhopen van het magazijn vlug en geheel werden gedoofd. De heruitvinding van de slangenbrandspuit had op slag het pleit gewonnen. Deze magazijnbrand was in Amsterdam het laatste optreden van de spuiten met de statische straalpijp.

6.2 Crème de la crème in Hulst

6.2   Crème de la crème in Hulst
Bij de kerkbrand in 1663 was de stad St. Niklaas op verzoek Hulst te hulp geschoten met twee brandspuiten, die – beide in de kerk geplaatst – de beginnende brand in het middenschip hadden gedoofd. Deze ervaring was voor de magistraat van Hulst de aanleiding om zelf een brandspuit aan te schaffen. De koop kwam pas na een jaar, want zo’n blusapparaat was niet goedkoop en dus werd er bestuurlijk gewikt en gewogen. In december 1664 kwam het toestel in Hulst aan en in 1684 was het nog steeds in functie, want het was aan reparatie toe 34. Concrete gegevens over deze brandspuit zijn er niet meer, maar het zal leen een model met vaste straalpijp à la Hautsch zijn geweest.
Het stadsbestuur van Hulst hield zich kennelijk goed op de hoogte van de ontwikkelingen in de blustechniek en koos na enige tijd met de aanschaf van een ‘Jan van der Heijden-slangenbrandspuit’ het neusje van de zalm. 

Afbeelding 64 (GAH 541c)
Offerte van de firma Van der Heijden (1697) voor het stadsbestuur van Hulst.

Zoals het een goed bestuur betaamt, kwam het besluit pas na eenige tijd in overweeginge genoomen zijnde, d.w.z. na lang aanslepende beraadslagingen. Maar op 28 april 1697 was er in de vergadering van de magistraat toch ineens haast bij om ten spoedigsten in holland te doen bestellen, en maaken zoodaanige Slange Brandspuijt als tegenwoordig in Holland gebruikelijk zijn[ note]GAH, Resolutieboek van 1673 tot 1698, 28-4-1697 en 16-07-1697.[/note].

Afbeelding 65
(digitaal.dezb.nl beeldbank recordnummer 130645)

Demonstratie te Zuidzande uit 1961 met een handbrandspuit uit een veel vroeger jaar. Dit exemplaar is al van een latere generatie handbrandspuiten. De waterbak is gemonteerd op een onderstel met wielen.

Het ging hier niet om kleingeld en daarom werd de bestelling door een aanzienlijke functionaris persoonlijk in Amsterdam geplaatst. Jonkheer Frederik Willem, baron van Wassenaer tot Duyvenvoorde, heer van Rosander, baljuw van Hulst en Hulster Ambacht 35, kweet zich voor deze opdracht uitmuntend van zijn taak. Op 11 juni 1697 schreef hij uit Amsterdam, dat de brandspuit , inclusief toebehoren niet 890, maar 658 gulden kostte (afbeelding 64). Wilde men ook een ‘aanbrenger’ (een dompelpomp met zuigslang) om water vanaf de bron naar de brandspuit te voeren, dan kwam daar 232 gulden bij. Naar zijn oordeel was zo’n zuigpomp niet noodzakelijk, zodat de bestelling uiteindelijk veel goedkoper uitviel dan begroot.

Afbeelding 66 (Nationaal Brandweermuseum Hellevoetsluis)
De door de firma Van der Heijden geleverde ‘slangbrandspuit’ (rechts) en ‘aanjager’ of zuigpomp (links) aan de stad Utrecht. De aanjager was bedoeld om water uit een gracht of ondergronds reservoir op te pompen d.m.v. een dompelpomp (een ondergedompelde slang) en dit in de waterbak opgepomte water met een slang door te pompen naar de brandspuit.  De fabriek assembleerde verschillende modellen, maar het basisprincipe was hetzelfde. De brandspuit voor Utrecht geeft dus een goede indruk van het exemplaar dat Hulst in 1697 bestelde. Aan de hier ook afgebeelde aparte aanjager-zuigpomp was geen behoefte.

De vroede vaderen in Hulst waren in hun nopjes met de financiële meevaller, want vooruitlopend op een verwacht aankoopbedrag van bijna 900 gulden was het haardstedengeld 36 eenmalig met een schelling verhoogd. Deze eenmalige inkomstenbron werd natuurlijk niet aan de ingezetenen teruggegeven.  Ruim een maand later verscheen de baljuw op 16 juli in de vergadering van de magistraat met de officiële bekendmaking van de aankoop: 

Den Hoog Edelen Heer Baron van Wassenaar, Balliú deezer Stad, draagt het Collegie voor, dat zijn hoog Edele ten verzoeke van de Magistraat, tot Amsterdam heeft besteld en gekogt een Brandspuyt, met alle zijn toebehoorens, zoo dezelve tegenwoordig worden gemaakt, voor een somme van zeshonderd agt en vijftig Guldens 37.

Een van de toebehoorens, waar de ‘Van der Heijden’-spuit inmiddels over beschikte was de zgn. ‘windketel’, een extra drukvat om het ‘dode’ moment bij het pompen op te vangen. Met deze spuit beschikte de stad over de crème de la crème, het beste wat er op dat moment aan slangenbrandspuit blusapparatuur bestond.

                                                            Afbeelding 67
                    (data.collectienederland.nl, identificatienr. M 00568)

De keerzijde van een Amsterdamse brand(weer)penning of brandspuitpenning met een afbeelding van een brandspuit met slang, eind 17e -begin 18e eeuw. De introductie van de ‘slangenbrandspuit’ betekende ook een brandweerorganisatie met een verplichtend karakter. Het werkvolk van het blusmateriaal was voorzien van een penning, vooral ter controle van de aanwezigheid van de spuitgasten. Meestal stond op de kopzijde het stadswapen en op de keerzijde een symbool (spuit, brandemmer) met een aan de persoon gekoppeld cijfer en nummer of letter van de spuit. Wie de penning niet of te laat had getoond of ingeleverd, kon een boete tegemoet zien. De ‘platies’ in Hulst waren, evenals het exemplaar van de afbeelding, voorzien van een oogje ter bevestiging aan een knoopsgat. De spuitgasten hier ter stede droegen het plaatje tijdens een brand als herkenningsteken.

Laatste updates

Datum

04-08-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

De galerij  ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’ is aangevuld met twee foto’s uit het Zeeuws Archief.

Datum

05-07-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuwe galerij toegevoegd, getiteld ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’, over de adellijke familie Collot d’Escury.

Datum

03-2024

Uit de categorie ‘Historische Fotogalerij’ verplaatst naar ‘Hulst Historisch Kort’:

De fotogalerij Veertig jaar veelkleurigheid over de schilderingen in het katholieke deel van de kerk te Hulst omgewerkt tot artikel.

Datum

01-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuw artikel ‘Hulst 1914-1918’, een neutraal grensgebied in de ‘Eerste Wereldoorlog’.

Datum

12-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over De Heilige Kindsheid uitgebreid met beeldmateriaal en beschrijving van Kindheidsoptochten in de kernen.

Datum

11-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over Casimier Lambin grondig herzien en uitgebreid, met name met aanvullende informatie uit zijn faillissementsdossier.

Uw inschrijving kon niet worden opgeslagen. Probeer het opnieuw.
U bent met succes aangemeld voor onze nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief