4.2 De religieuze achtergrond

4.   Het Franse Decor

4.2   De religieuze achtergrond

In het staartje van de opstand van de Nederlanden tegen Spanje had stadhouder Frederik Hendrik in 1645 nog net de sterke vesting Hulst veroverd. Voor de stedelingen betekende de inname een aardverschuiving van jewelste. De Staten Generaal van de Zeven Verenigde Provinciën beschouwde de stad als veroverd gebied. Bestuurlijk en economisch zou zij anderhalve eeuw tot het verdrukte en geminachte deel van de noordelijke Nederlanden horen.
Op godsdienstig gebied was de bevoorrechte positie van het ware gereformeerde geloof voor het grotendeels katholieke Hulst nog veel ingrijpender. De rooms-katholieke kerk werd officieel verboden. Dit hield in, dat kerkelijke plechtigheden en religieuze handelingen per direct niet meer toegestaan waren, geestelijken uit hun ambt gezet werden en kerkelijke goederen en andere inkomsten aan de gereformeerden vervielen.
Met het persoonlijke geloof, de H. Schrift en Gods genade als enige fundamenten was de complete katholieke geestelijkheid en rituele praktijk overbodig. De clerus kreeg onmiddellijk na de overgave in 1645 het consigne Hulst te verlaten. Rome reageerde navenant en degradeerde de Nederlandse kerkprovincie tot missiegebied en de parochies tot ‘statie’, een vooruitgeschoven post in vijandig gebied.

Afbeelding 22 (rijksmuseum.nl, objectnummer RP-P-OB-81.565)
Twee details uit de pentekening van het atelier van Claes Jansz. Visscher (II), Amsterdam, Den tocht van t ‘Spaens guarnesoen uyt Hulst den 5. November M.VIeXLV.   Naar een origineel van Jan Martszen de Jonge).

Daags na de verovering van Hulst op 4 november 1645 door Frederik Hendrik mocht het Spaanse garnizoen vrij uit de stad wegtrekken naar Antwerpen. Deze aftocht werd gegoten in de vorm van een tot in details georganiseerde optocht ter meerdere eer en glorie van de overwinnend bevelhebber. Behalve de Spaanse militairen liep er ook veel volk mee, dat voor de vijandelijkheden zijn toevlucht in Hulst had gezocht. Her en der over de stoet verspreid gingen paepen huns weegs. Zij werden op grond van de door de stad aanvaarde capitulatievoorwaarden onverbiddelijk de stad uitgezet. Op de linkse afbeelding loopt een katholiek geestelijke naast de paarden van de gesloten koets met de zwaargewonde kolonel De Mouscron. Op de rechtse afbeelding staat onderaan links een geestelijke getekend. Op beide prenten is de uittocht afgebeeld met de stad Hulst op de achtergrond.

Met het verdwijnen van de geestelijken als de zo vertrouwde schakel tussen God en mens voelde menig gelovige zich vervreemd, onzeker of kwam in gewetensnood, maar de protestanten slaagden er niet in het katholicisme te vernietigen. Integendeel, katholiek Hulst hervond zichzelf door zich schrap te zetten tegen de gereformeerde onderdrukking. De paters Recollecten of Minderbroeders lieten zich niet ver uit Hulst wegjagen en stichtten een kloostertje in De Klinge op Spaans katholiek gebied. Van hieruit trokken zij de losgeschoten draden bijeen. De gelovigen uit Hulst konden in De Klinge legaal ter kerke, maar de paters doken in vermomming ook in de stad op voor het heimelijk opdragen van de katholieke eredienst en de toediening van de sacramenten. De clandestiene missen vonden eerst plaats in een schuur van Maarten Marchand, later in diens huis in de Potterstraat en in 1695 ten slotte – gedoogd door het stadsbestuur tegen een forse betaling –  in een pand op de hoek van de Overdamstraat en de Dubbele Poort. Dit leidde tot grote woede bij de gereformeerde kerk en de predikanten klaagden onophoudelijk bij de magistraat en baljuw 1. over de Paepsche stoutigheden. Maar de wereldlijke overheid in Hulst bleek geen verlengstuk van de gereformeerde kerk. Zij prefereerde een gecontroleerd gedoogbeleid boven problemen met de katholieke meerderheid. Fikse steekpenningen als tegenprestatie voor coulance tegenover de katholieke meerderheid spekte bovendien de stadskas méér dan het opleggen van boetes.

afbeelding 23 (www.lamswaarde.com)

Een beeldbron van de katholieke schuilkerk aan de Overdamstraat in Hulst is er niet, van de schuurkerk in Lamswaarde wel.  Aan de buitenzijde mocht aan niets  te merken zijn, dat de katholieken hier hun erediensten hielden.

Het katholicisme hield zich in Hulst onder de onderdrukking van de gereformeerde religie weliswaar met succes staande, maar was wel hard getroffen door de vele verboden, waaronder de afwezigheid van een gestructureerde kerkelijke organisatie. Dit gemis kon maar op één manier praktisch worden opgelost: de inbreng van leken bij voorbereiding en viering van de eredienst en een keur aan verdere parochiële taken. De noodzaak om de parochianen binnen de organisatie te betrekken en hen verantwoordelijkheid te geven betekende een geweldige opsteker en vergroting van het zelfbewustzijn en de weerbaarheid van de Hulsterse katholieken.
Tegen deze achtergrond is het voortbestaan te begrijpen van een van de tradities, die de gereformeerden nooit konden breken: het vocaal en instrumentaal opluisteren van de katholieke kerkdiensten.
Rond 1800 Eind 18e eeuw werden de missen in de ‘schuurkerk’ in de Overdamstraat vocaal omlijst door een kerkkoortje, de Confrerie van St. Cecilia en instrumentaal door een kerkorkestje, de musiek-beoeffenaars der roomschen kerk, waarin Jacobus de Pauw viool speelde en waarvan hij dirigent was. Het uit negen man bestaande ensemble bevatte ook een fagottist en twee waldhoornisten2.

Naast de kennismaking met de Franse militaire harmoniemuziek tekende zich in het voorhanden zijn van een kerkorkestje een tweede component af voor de oprichting van een burgerlijk harmonieorkest in Hulst.

4.3 De politieke achtergrond: Hop Marjanneke

4.   Het Franse Decor

4.3   De politieke achtergrond: Hop Marjanneke!

De bevolking in de Verenigde Nederlandse Provinciën zong bij het binnentrekken van het voetvolk van de Franse Revolutielegers Ramplanplan, daar komen ze an, ze hebben geen kousen of schoenen meer an. Nu was men alle slag krijgsvolk onderhand wel gewend, maar het Franse ‘Armée du Nord’ van generaal Pichegru sloeg in dit opzicht alles. In vodden gekleed, stro in het schoeisel of alleen maar lappen om de voeten, scheel van de honger, blauw van de kou – het vroor dat het kraakte – en getekend door besmettelijke koortsziekten, moest dit militaire gepeupel bij burgers worden ingekwartierd, gevoed en gekleed.

Afbeelding 24 ((Albert Kretschmer, The costumes of all nations, Londen 1882)

Deze militairen van de Franse revolutielegers hebben nog wel kousen en schoenen aan, maar het is dan ook een afbeelding voor propagandadoeleinden, une répresentation populaire

De aanblik van de berooide  Franse infanterie was slechts een voorproefje van de Franse interpretatie van vrijheid, gelijkheid en broederschap, waaraan Hulst en alle andere bezette landen zo’n twintig jaar onderworpen zouden zijn.
De gelukzalige toekomst van de ingezetenen bestond vrijwel alleen uit snorkend  taalgebruik en veelbelovende zinnebeelden bovenaan de officiële stukken.Alles stond in dienst van de  Franse oorlogvoering met als uitgangspunt, dat de legers zo veel mogelijk van de veroverde gebieden moesten leven. Als een ingelegerd garnizoen volgegeten en goed in de kleren gezet was, werd het direct vervangen

door een nieuwe bezetting van magere scharminkels,  die op hun beurt binnen de kortste keren met flinke porties brood, vlees, tabak en jonge klare verder trokken. Door middel van gedwongen, willekeurige en altijd buitensporig hoge  leveringen werden Hulst en Hulster Ambacht systematisch beroofd van  landbouwproducten, paarden, runderen en rollend materieel.

Afbeelding 25 (Gemeentearchief Hulst, archiefnummer 1377)

Zinnebeeldige voorstellingen bovenaan de officiële Franse stukken moesten de indruk wekken dat een prachtvolle tijd was aangebroken. De rauwe werkelijkheid  leek in niets op deze getekende belofte van vrijheid en gelijkheid. Met de tekst ‘amour de l’ordre’, letterlijk ‘liefde voor de orde’, kwam men een stuk dichter bij de werkelijkheid: iedereen moest de bevelen uitvoeren!

De ontelbare verzoeken van het stadsbestuur van Hulst om vermindering van de lasten waren aan dovemans oren gericht en ook legaal verzet leverde niets op. De enig overgebleven optie om de krijtendste armoede te verlichten was burgerlijke ongehoorzaamheid en deze tactiek werd dan ook snel, op steeds grotere schaal en met een toenemende creativiteit toegepast. Populair was ontslag nemen uit openbare functies, de Franse taal niet begrijpen, partijen tegen elkaar uitspelen, bevelen hopeloos traag uitvoeren en zich voortdurend beroepen op het feit, dat er als gevolg van de verplichte leveringen niets meer voorhanden was. De rijkelijk aanwezige archiefstukken uit de Franse tijd bevatten talloze concrete voorbeelden van de lokale oppositie tegen de bezetter. Herbergiers weigerden te tappen onder allerleij frivole uijtvlugten, boeren verborgen vee, winkeliers leverden geen voorraadlijsten en voorraden in, bakkers bakten brood van stopverfkwaliteit en de jeugd stal als de raven. Onder de ogen van de Fransen verdwenen zelfs complete ramen en deuren uit hun kazernes. Met demonische grimmigheid werd afval gewoon op straat geworpen en de stad raakte onvoorstelbaar vervuild. Voortdurende aanzeggingen onder dreiging van de zwaarste straffen hielpen geen snars.

Naast armoede namen ook wetteloosheid en normvervaging schrikbarend toe. Van kerkelijke zijde groeide de bezorgdheid over de verwording van het godsdienstige leven. Zondagsrust en kerkgang waren er voor velen al niet meer bij. Kerkelijke vermaningen tegen schrans-, bras-, zuip-, en danspartijen van Fransen, collaborateurs, profiteurs en meelopers hielpen niet. Het aantal onwettige kinderen steeg evenredig met de hoeveelheid vreemd krijgsvolk en het kerkelijk huwelijk stond onder druk door de rechtsgeldigheid van het nieuwe burgerlijk huwelijk.

Wat had het bij de aankomst der Fransen nog onschuldig en vrolijk geklonken:

Hop Marianneke, stroop in ‘t kanneke, laat de poppetjes dansen.
Eertijds was de Pruis in ‘t land en nu de kale Fransen.
Hop Marianneke, stroop in ‘t kanneke, hop Marianneke Jansen.
Hij wiegt het kind, hij roert de pap en laat het hondje dansen.

Afbeelding 26 (Rie Cramer, Alex de Jong; Liedjes van vroeger, 1928)

Hop Marjanneke  mag dan een pretentieloos kinderliedje lijken, de tekst wijst duidelijk op een andere oorsprong: een satirisch lied op de Franse veroveraar. Over de interpretatie lopen de meningen uiteen. Met Marjanneke zal beslist het nationale Franse symbool ‘Marianne’ bedoeld zijn; met de ‘poppetjes’ mogelijk de Franse soldaten; de ‘Prins’ zou kunnen staan voor de laatste en verdreven stadhouder Willem V. En last but not least, ‘hij wiegt het kind (..) is misschien een Franse soldaat met zijn kind bij moeder Marianneke Jansen?

Bezorgde Hulsterse notabelen staken in 1802 de koppen bij elkaar om te bezien wat men aan de verloedering van de samenleving kon doen en met name op welke wijze de ontspoorde jeugd van Hulst weer in het gareel te krijgen was.
Met dit concrete initiatief waren vier impulsen, die de oprichting van een harmonie in Hulst mogelijk maakten, met elkaar versmolten:

– De uit Frankrijk geïmporteerde blaasmuziek en -instrumenten.

– De zelfbewuste katholieke lekengemeenschap.

– Het bestaan van een kerkorkestje.

– De bezorgdheid om de verwildering van de samenleving in de Franse Tijd.

5.1 Zijne Majesteit en Zijne Heiligheid

5.1   Zijne Majesteit en Zijne Heiligheid

Een van de idealen, die de Franse revolutionairen in de door hen bezette gebieden wilden uitdragen was de principiële vrijheid en gelijkheid van godsdienst. Maar zolang er strijd werd geleverd, had dit nobele uitgangspunt een veel lagere prioriteit dan het binnen harken van zoveel mogelijk geld en goederen voor de oorlogvoering. Het revolutionaire bewind wierp zich begerig op de rijkdom van de katholieke kerk in de zuidelijke (Belgische) Nederlanden, waar Hulst als veroverd gebied in het begin bestuurlijk aan was gehecht.
De Paus reageerde furieus op de confiscatie van kerkelijke goederen en op de van de clerus geëiste eed van trouw aan de Franse overheid.

Afbeelding 27a, links,
The National Gallery of Art, Washington.

Afbeelding 27b, rechts
Musée du Louvre, Parijs

                   

Jacques-Louis David (1748-1825) schilderde allebei de  kemphanen. Napoleon Bonaparte, gesitueerd in zijn werkkamer in het Tuilerieënpaleis in een voor hem karakteristieke pose, ten voeten uit en met de rechterhand in zijn vest gestoken). Paus Pius VII, in met goud borduursel afgezette kleding en dito zetel.

Kerk en staat kwamen steeds onverzoenlijker tegenover elkaar te staan, tot het moment waarop Napoleon en Paus Pius VII moeizaam een akkoord bereikten, het Concordaat van 1801, dat het beginsel van godsdienstvrijheid niet alleen bevestigde, maar er ook concreet invulling aan gaf. Voor de katholieke kerk in het door de Fransen bezette gebied van de voormalige Republiek was dit een fundamentele verandering. De katholieke godsdienst mocht onvoorwaardelijk vrij worden uitgeoefend, de eredienst was openbaar en de kerkgebouwen kwamen ter beschikking van de bisschoppen. Katholiek Hulst kon zijn geluk niet op, maar de protestantse minderheid betoonde zich een slecht verliezer door de overeenkomst zoveel mogelijk te vertragen en te dwarsbomen, zolang de officiële stukken nog niet waren gearriveerd. Omdat ook de ambtelijke Franse molen bijzonder traag maalde, kon pas op 17 mei 1802 – na ruim anderhalve eeuw – in Hulst de eerste H. Mis in het openbaar gecelebreerd worden. Een van de officiële Franse departementale stukken bevatte het decreet om de overeenkomst tussen Napoleon en de H. Stoel groots en plechtig te vieren. Nu barstte de euforie bij katholiek Hulst pas echt los; dit was nog eens wat anders dan die opgedrongen gortdroge  rare Franse feestjes. De bezetter wist niet wat hem overkwam toen de hele bevolking zich inspande om Franse bevelen stipt  en enthousiast uit te voeren. Het was nog een hele klus om de organisatie in korte tijd rond te krijgen. De vestingstad was na bijna zeven jaar Frans bewind onvoorstelbaar vervuild. Ondanks de talrijke bevelen waarin met de zwaarste straffen werd gedreigd, had de bevolking zijn eigen stad laten verworden tot een smeerboel van stinkende waterplassen, mest- en vuilhopen en verstopte goten.

Afbeelding 28, Gemeentearchief Hulst, archieven van de parochie van de H. Willibrordus, pastoor en kerkbestuur, inentarisnummer nr. 614.

Transcriptie:
Den Meyer (burgemeester) der stads Hulst gelast bij deeze alle in en opgezetenen deezer stad om binnen de vieren twintig uuren de stoepen en straate voor hunne huysen en erven op te zuyveren en het vuylnis op hoopen en de mist (mest) en steenpuyn te ruimen als ook de gooten wel door te vagen op peene (straffe) dat de nalatige zullen worden gestraft als overtreeders volgens de wet.

Instructies zoals deze om de stad schoon te houden, werden regelmatig aangeplakt, maar sorteren weinig effect. maar in mei 1802 lag dat plotseling heel anders. 

Voor de eerste maal gedurende de Franse overheersing werd een verordening m.b.t. het schoonhouden van de stad  model uitgevoerd en op 23 mei 1802, de gedenkdag van het Concordaat van 1801, kon een smetteloos Hulst een feest vieren, dat zijn weerga niet kende.

5.2 Kunsminnaar spaaren geen vleyd

5.2   Kunsminnaar spaaren geen vleyd

De feestelijkheden begonnen op 23 mei 1802 om half tien s morgens op de Grote Markt met de plichtmatige ceremonie van de proclamatie van de ‘wet ter reglementering der godsdiensten’.
Na het ondergaan van de eentonige afkondiging werd een indrukwekkende processie gevormd, zorgvuldig samengesteld met inachtneming van de hiërarchie: de Franse en plaatselijke burgerlijke elite, de geestelijkheid en het militaire kader, muzikaal begeleid door het korps muzikanten van De Klinge, de militaire muziekkapel van het inliggend garnizoen en… de harmonie van Hulst 3.
We beschikken nog over de  uitnodiging van burgemeester Jan Baptist Timmermans aan dirigent Jacobus de Pauw, gedateerd 17 mei 1802, de oudste bekende primaire bron, waarin de harmonie van Hulst wordt vermeld:

Aan den directeurs der musiquen
Ik hebbe sedert eenigen tijdt
met genoegen gezien dat onder UE verscheyde burgers van deze plaats zig apliqueren en wesentlijk verre gevoordert sijn in het maaken van musieq op blaasende instrumenten onder de zinspreuk Kunsminnaar spaaren geen vleyd het is deswegens burgers directeurs dat ik de vrijheyd neme UElieden te aansoeken om ons aanstaanden zondag om negen en alf uuren voormiddagh wanneer de wette van den 18 germinal met allen mogelijken luister moet worden gepubliceert in alle de communen van dit departement wel te willen assisteren met het volle orquest[ note]GAH, inv. nr. 1026, Brievenboek municipaliteit, van 26 Fructidor An VIII (13-09-1800) tot 5 Ventose An XI (24-02-1803),  brief nr. 206.[/note].

Afbeelding 29 (Gemeentearchief Hulst nr. 1026, brievenboek van de magistraat nr. 206).

In de kantlijjn bij de uitnodiging aan de kersverse harmonie van Hulst in het boek met uitgaande correspondentie  is de datum van de uitnodiging volgens de Republikeinse tijdrekening genoteerd, Floreal 17 an Dix (volgens de Gregoriaanse  kalender 17 mei 1802).

Van de Grote Markt trok de optocht van hoogwaardigheidsbekleders en muzikanten statig naar de katholieke kerkschuur aan de Overdamstraat voor de eerste plechtige viering in het openbaar sinds lange tijd.
De notabelen hadden uiteraard gereserveerde plaatsen, het volk moest in overgrote meerderheid de plechtigheid buiten het godshuis volgen. Toch was er ook voor hen veel te genieten, want de hoogmis werd in het groot musiek gecelebreert door Den Eerweerden Pater Françies Jodogne. De geestdrift over deze feestdag jubelt nu nog na in de tekst van het verslag van het kerkbestuur:

Nooyt heeft deeze Stad een voorbeeld opgeleevert van zulk een luysterlijke plegtigheyd voor de roomsche catholique den toevloet van menschen was zoo groot dat niet alleen alle de gedeeltens van de kerkeschuur waaren opgepropt maar de geheele kerkeplaats was opgevult met toehoorders van beyde geslagte ja zelfs de straad voor de kerkpoort en men mag met waarheyd opmerken dat deezen dag voor de roomsche catholique mag aanzien worden als den dag van overwinning op de onderdrukker waaronder de roomsche catholique van de voorgaande en tegenswoordig geslagt hebben gezugt zeedert den 5 november 1645 en op dat deeze plegtigheyd aan de vergeetenisheyd zoude worden onttrokken zoo is daarvan gedresseert het teegenswoordig proces verbaal om in de archiven van de roomsche catholique gemeente te worden geinsereert 4.

In deze ambiance kon het harmoniekorps zich geen gelukkiger introductie wensen. Op 15 augustus 1802 kon het scenario van 23 mei nog eens worden overgedaan. Napoleon had zich tot ‘consul voor het leven’ laten kiezen en zijn verjaardag uitgekozen om dit heuglijke feit passend te gedenken. Ook nu liep in de processie mee: het schoone corps van ieverzugtige musiekanten onlangs binnen deeze stad opgerigt saamengesteld uyt de blom van de Hulstersche jongelingen 5. Voor het onderzoek naar de stichting van de harmonie van Hulst is deze proclamatie van het stadsbestuur zeer waardevol, omdat de datum van oprichting met de combinatie van de dag van de processie 15 augustus 1802 en de vermelding ‘onlangs binnen deeze stad opgerigt’ dicht kan worden benaderd.

Afbeelding 30
Essai sur l’histoire de musique Louvain. in Annuaire pour l’année 1849, blz. 44: ‘Un goût décidé s ‘empara de la jeunesse qui voulut â toute force devenir musicienne‘

Keizer Jozef II van Oostenrijk, waartoe de zuidelijke Nederlanden behoorden, stuurde in 1786 twee regimenten naar Leuven. Het bijbehorende hoboïstenkorps veroorzaakte een ware revolutie op muzikaal gebied in de stad en de jeugd wilde ineens alleen nog maar muzikant worden. Deze uitstraling was precies wat de oprichters van de harmonie ook bij de jeugd van Hulst voor ogen hadden.

5.3 En toch is het 1802!

5.3   En toch is het 1802!

Alleen al op grond van de twee primaire bronnen betreffende  de vieringen in mei en augustus 1802 (zie paragraaf 5.1) is het jaar van oprichting van de harmonie nagenoeg waterdicht bewezen.
De notitie ‘onlangs opgericht’ kan alleen als ‘kort geleden’ worden opgevat en de tekstuele context in de uitnodiging voor de muzikale opluistering van de plechtigheid op 23 mei 1802 wijst op het eerste openbare optreden van het muziekkorps. 
Deze onderbouwing wordt ondersteund door het ‘argumentum e silentio’ 6, dat in de ruim voorhanden zijnde archiefstukken uit de periode van de Franse overheersing het bestaan van een harmonie van Hulst vόόr 1802 nergens wordt vermeld, maar vanaf mei 1802 juist bij herhaling. Een belangrijke secundaire informatiebron ondersteunt de twee eerder genoemde primaire bronnen uit mei en augustus 1802. Het betreft een integrale weergave van het document, dat ter gelegenheid van de viering van het eenjarig bestaan van de harmonie werd opgesteld. Notaris Pieter Joly, een van de oprichters van het muziekgezelschap, dichtte voor dit jubileum een Lofzang toegewijd aan de leden der Harmonie binnen Hulst, toen zij hun eersten jaarfeest vierden op den 13den van Grasmaand (april) 1803 7.

Afbeelding 31 (Gemeentearchief Hulst, archief familie Brand)
Gedrukte uitgave – verdeeld over twee bladzijden – van de oorspronkelijke lofzang bij de viering van het het eenjarig bestaan van de harmonie van Hulst op 13 april 1803.
(zie voor de transcriptie van de lofzang bijlage I)

Het feit, dat het eenjarig bestaan van de harmonie op 13 april werd gevierd, betekent niet dat de oprichting ook op dezelfde dag en in dezelfde maand plaats had. Dit blijkt evenmin uit een nog latere bron in 1920. In verband met de aanvraag van het predicaat ‘koninklijk’ voor de harmonie  verwees burgemeester Bernard Truffino in de argumentatie voor het verzoek naar de oprichtingsdatum met de zinsnede blijkens de eerste notulen van het gezelschap opgericht den 25 Maart 1802.
Spijtig genoeg zijn de eerste notulen niet meer voorhanden, zodat de stichtingsdatum de alleen 1802, vermoedelijk op 25 maart, mag heten. 

Desondanks is door de combinatie van de feitelijke gegevens uit de bewaard gebleven primaire en secundaire bronnen de datum van oprichting zeer dicht benaderd. Op grond hiervan kan ook het jaar 1801, dat in alle jubilea sinds 1878 als jaar van oprichting wordt beschouwd als pertinent onjuist worden gekwalificeerd.

5.4 De blom van de Hulstersche jongelingen

5.4   De blom van de Hulstersche jongelingen

In 1902 vierde het Muziekgezelschap Harmonie op 20 maart op grootse wijze zijn honderdjarig bestaan. Een bestuurslid van het mannenkoor ‘Vrijheid Eendracht’ uit Lamswaarde schreef naar aanleiding hiervan in het Hulsterblad van 19 juli 1902:
Honderd jaren geleden toen dikwijls vrij ernstige beroeringen, hier en elders, de onderste lagen der Maatschappij in beweging brachten, is er een volk uit het Hulstersche volk opgestaan die beweerde dat die beroeringen heen zouden gaan over de Hoofden van de kern der natie, en dat er aanhang moest gevonden worden voor het organiseeren van eene Harmonie-vereeniging die onveranderljk zou willen werken, en blijven werken op ordelijke en zedelijke gezindheid van het volk.
Dit bestuurslid was een eeuw na de oprichting van de harmonie nog goed op de hoogte van de ontstaansgeschiedenis. Het jaar van oprichting was bij hem, alsmede bij het bestuur van de harmonie van Hulst niet goed bekend, want men was voor de viering van het eeuwfeest een jaar te vroeg. In het kader van het jubileum deed het repetitie- en concertlokaal in Hotel Graanbeurs dienst als feestlokaal.

Afbeelding 32 (foto Gemeentearchief Hulst)
Hotel Graanbeurs aan de Grote Markt, waar het muziekgezelschap harmonie lange tijd zijn repetitie- annex concertzaal had. Bij de viering van het eeuwfeest werden in de feestzaal de zestien namen van de oprichters als eerbetoon op een groot bord getoond.

De oprichters van de harmonie kregen een stoffelijk eerbetoon in de vorm van een groot bord met de vermelding van hun namen. Het is een gelukkige samenloop van omstandigheden geweest, dat rond 1900 de stichters van de harmonie nog bij name bekend waren, dat de correspondent van het Hulsterblad de namen in zijn artikel overnam én dat het bewuste exemplaar van deze krant bewaard is gebleven.

Zestien Hulstenaren hebben in 1802, waarschijnlijk op 25 maart, het ‘muziekgezelschap harmonie’ opgericht. Twee hunner waren notaris, de anderen ambachtsman. De inbreng van het kerkorkestje van de katholieke schuurkerk aan de Overdamstraat was groot, want zeven van de negen leden werden spelend lid van de harmonie, die hierdoor meteen over een professionele kern beschikte. Jacobus de Pauw, de organist en dirigent van het kerkensemble, sloeg ook in de kersverse harmonie de maat en verzorgde als ‘muziekmeester’ de opleiding 8.
De harmonie moet snel aan voldoende instrumenten zijn gekomen en in korte  tijd een aanvaardbaar niveau hebben bereikt, omdat zij zich – zoals we reeds zagen – al op 23 mei 1802 muzikaal mocht laten horen bij de plechtige viering van het ‘Concordaat’ van 1801. 

Afbeelding 33 (foto auteur)
Victor de Schepper, de eerste molenaar van de in 1792 gebouwde molen in het molenbolwerk, was een van de zestien oprichters van de harmonie. Hij heeft  zijn naam in de molen als volgt ‘vereeuwigd’:
Victor de  Schepper, Begonnen te Maalen, als eerster moolenaar In Het Jaar 1792.

De uitnodiging om muzikaal ‘acte de présence’ te geven ter gelegenheid van plechtige celebratie van de hoogmis op 23 mei 1802 (zie par. 5.1) betekent, dat het ledental in de eerste maanden na de oprichting flink moet zijn gegroeid. De  invitatie van burgemeester Timmermans was immers gericht aan het volle orquest. Dit wijst er op, dat de ledenwerving, specifiek gericht op de blom van de Hulstersche jongelingen, succes had. Het aantal leden en het instrumentarium is bij gebrek aan bronnen niet meer te achterhalen. Hoogstwaarschijnlijk mocht de ‘professionele kern’ van de leden, die ook in het kerkorkestje speelden, hun instrumenten ook in de harmonie gebruiken. Uit het cappittel van uitgaaf van de kerkrekeningen blijkt, dat het rooms-katholieke kerkbestuur welwillend enige muziekinstrumenten aanschafte 9. Met de broers Felix en Petrus Joly, had de vereniging twee notarissen in het bestuur, die ongetwijfeld de nodige donaties van de lokale notabelen hebben losgekregen. Op veronderstelling berustend, maar niet onmogelijk kan er bereidwillige medewerking van de leden van de militaire kapel van het inliggende Franse garnizoen en muziekkorpsen in het naburige Waasland zijn geweest.

Afbeelding 34
(uit een serie prenten, uitgegeven door Jean-Charles Pellerin, Musée de l’image, Ville d’Epinal ).  

De muziek van de keizerlijke garde, Musique de la garde Imperiale laat – naast de tamboer-maitre – een aantal instrumenten zien, die eind 18e – begin 19e eeuw in zwang waren bij militaire harmoniekorpsen. Onder meer grote trom in verschillende formaten, fagot, bekken, tamboerijn, serpent of slangenhoorn, posthoorn, klarinet (of hobo?) en schellenboompje. Burgerlijke harmoniegezelschappen namen het gebruik van dit instrumentarium vanzelfsprekend over.

5.5 Een solist met lange adem

5.  Het schoone corps van ieverzugtige musiekanten

5.5  Een solist met lange adem

Nederlandse harmonieorkesten, die beweren eerder en soms veel eerder opgericht te zijn dan de andere korpsen, hebben de grootste moeite om hun datum van oprichting en hun aaneengesloten bestaan afdoende te onderbouwen (zie parragraaf 2.2). Voor dit doel dienen schijnredenen, veronderstellingen, optelsommen van muziekverenigingen van verschillende signatuur, meetellen van ‘harmonieloze’ jaren en het opvoeren van vage en niet ter zake doende bronnen. Betrouwbaar historisch bewijsmateriaal, dat in verschillende archieven in meer of mindere mate aanwezig zal zijn, wordt als  afdoende argumentatie  blijkbaar niet ontsloten. 

Zoals bij de andere muziekgezelschappen mist ook de Koninklijke Stedelijke Harmonie een aanzienlijk deel van het eigen archief  over de periode van een eeuw (1802-1902), maar er zijn voldoende  feitelijke gegevens uit andere historische bronnen om de continuïteit gedurende de hele 19e eeuw aan te tonen. Deze  paragraaf bevat historisch bronnenmateriaal met betrekking tot -weliswaar los van elkaar staande –  gebeurtenissen en ontwikkelingen, aan de hand waarvan het voortbestaan van de harmonie van Hulst over de periode 1802-1902 met zekerheid kan worden aangetoond. Voor de 20e eeuw is zoveel betrouwbaar materiaal aanwezig voor de continuïteit, dat deze tijdruimte  buiten beschouwing wordt gelaten. De paragraaf zou in dat geval ook onnodig lang worden.

1804-1806
Omdat krachtens het ‘Concordaat’ van 1801 de godsdiensten waren gelijkgesteld, was in Hulst niet alleen de openbare uitoefening van de kerkdienst van de rooms-katholieke kerk toegestaan, maar konden ook geestelijke hoogwaardigheidsbekleders de stad weer bezoeken.

Afbeelding 35 (commons.wikimedia.org)

Etiënne André François de Paule Fallot de Beaumont de Beaupré, bisschop van Gent, was de eerste hoge katholieke geestelijke, die na anderhalve eeuw, in 1804 Hulst kon bezoeken.
Hij werd met alle égards, feestelijk ontvangen en aan de Gentsepoort ‘ingehaald’ door de harmonie. 

Hulst werd destijds door het bisdom Gent bestuurd en de toenmalige bisschop van Gent, Fallot de Beaumont, vereerde de stad op dinsdag 31 juli 1804 met een bezoek om het heylig sacrament van het vormsel  te administreren. Katholieke hoge geestelijken werden met veel egards en uiterlijk vertoon ontvangen, te beginnen met een groots onthaal buiten een van de stadspoorten, waarna de belangrijke gast in een plechtige optocht in de stad werd ‘ingehaald’. Voor deze gelegenheid deed J. Penneman namens het kerkbestuur een beroep op de Heeren Liefhebberen van het musiek om Zijne doorlugtige Hoogweerdigheyd met alle den luyster en stoet te ontvangen.

Twee jaar later, op 17 juli 1806 viel dezelfde Monseigneur bij een werkbezoek aan de vestingstad nog meer eerbetoon te beurt. Bij het naderen van de Gentsepoort daverden de kanonschoten vanaf de wallen, beierden de kerkklokken, klonk er carillonspel en wachtten de geestelijke en wereldlijke elite van Hulst aan de tweede ravelijnbrug Zyn Hoogweerdigheyd op en alsdan voorgegaan door een keurig Veld Musiek ging het in een statige stoet de stad in 10.

In bijna de hele periode 1802-1902 was de harmonie in Hulst het enige burgerlijke blaasmuziekgezelschap in de regio, zodat er geen onduidelijkheid bestaat over de identiteit wanneer het korps in de bronnen een andere omschrijving krijgt dan ‘harmonie’.

1807
Voor de katholieke gemeenschap in Hulst regen de vieringen van godsdienstige gebeurtenissen zich in het eerste decennium van de 19e eeuw aaneen. Sinds de vrijstelling van de godsdiensten had het katholieke kerkbestuur zich beijverd om de Willibrorduskerk weer in bezit te krijgen als parochiekerk. Het officiële verzoek had voor de helft succes met de teruggave van choor en wandelkerk of beuken met haare enclavementen[ note]Enclavementen zijn kooromsuitingen. De koorkerk en de dwarsbeuken; GAH, inv. nr.  717, stukken betreffende de teruggave der r.k. kerk.[/note]. Na de bekrachtiging door Napoleon kon het katholieke deel van het kerkgebouw op 6 april 1807 onder de blijde tonen der muzikanten feestelijk in gebruik worden genomen. Met ‘muzikanten’ zal hier eerder het kerkorkest, dan de harmonie bedoeld zijn.

Afbeelding 36 (beeldbank.cultureelerfgoed.nl documentnr. 3628)
Het fenomeen van het gebruik van één kerkgebouw door tenminste twee verschillende geloofsrichtingen, het zgn. ‘simultaneum’ of ‘simultaankerk’ vond in Nederland weinig ingang. Het ‘simultaneum’ in Hulst, waarbij de Willibrorduskerk bij decreet van Napoleon verdeeld werd in een katholiek en protestants deel, was een van de uitzonderingen. De katholieken kregen de beschikking over het koor en de dwarsbeuken. We kijken op deze foto uit juli 1919 vanuit de oostkant van het koor naar het westen. Het altaar staat in het vierkant onder de vieringtoren. De dwarsbeuken zijn gescheiden van het protestantse deel, bestaande uit het schip en de zijbeuken) door een gestucte muur van turfblokken. De muren van het katholiek deel waren uitbundig polychroom (veelkleurig) beschilderd. De simultaankerk heeft gefunctioneerd van 1807 tot 1929.

1809
Dat het Franse bewind ondanks de mooie leuzen en zinnebeeldige prenten in de praktijk neerkwam op een ordinaire tirannie en economische uitbuiting, zagen we reeds eerder. De chronische armoede was in 1809 dermate wijd verbreid en schrijnend, dat het muziekgezelschap in Hulst een nieuw filantropisch initiatief lanceerde: het armenconcert. Deze muzikale vorm van sociale hulpverlening sloeg aan, want de belangstelling  voor de eerste uitvoering op 3 mei in het ’s Landshuis in de Steenstraat was zo groot, dat de directie van de harmonie van Norbert van Waesberghe, lid van het kerkbestuur, extra stoelen uit de kerk te leen kreeg. Natuurlijk waren deze vormen van ondersteuning zeer welkom om de ergste nood te verzachten, maar qua doelmatigheid was het enkel symptoombestrijding. Meer dan honderd jaar later gaf de harmonie in Hulst nog steeds concerten ten bate van de armoedebestrijding.

1814
In de zomer van 1814 vierde Willem Frederik van Oranje en Nassau zijn eenjarig bewind als ‘soeverein vorst’ (de titel koning nam hij pas later aan) over het Koninkrijk der Nederlanden in wording. De wijze waarop dit heuglijke feit herdacht moest worden, leek hij  afgekeken te hebben van de vertrokken Franse bezetter, want de gebeurtenis werd tot nationale feestdag gebombardeerd met een reeks soortgelijke  ceremoniële componenten. Volgens het ter puije der stadhuyse aangeplakte feestprogramma ontbrak daarbij de muzikale omlijsting door de harmonie niet: Het corps vrijwillige musekanten dezer stad zal aansogt worden om op de groote markt symphonien en marchen te spelen 11.

1827
De aftocht van de Fransen in 1813 betekende ook het einde van de zo vertrouwde militaire blaasmuziekkapellen. In deze muzikale leemte bleef de harmonie van Hulst voorlopig het enige burgermuziekkorps, dat graag bereid was om feestelijkheden elders muzikaal glans te verlenen.
De plechtige eerste steenlegging op 13 juni 1827 van de grote navigatie- en ontwateringssluis voor de zeevaart voor het aan te leggen kanaal Gent-Terneuzen vond plaats onder het uitvoeren der meest geliefde nationale liederen, door het gezelschap van liefhebbers van Hulst, hetwelk zich tot opluistering dezer plegtigheid had aangeboden. Zo’n vijf maanden later, op 18 november 1827, gaf de gouverneur van Oost-Vlaanderen namens Zijne Majesteit Koning Willem I ‘acte de présence’ bij de opening van het kanaal en opnieuw stond de harmonie uit Hulst paraat, in dit geval samen met de voormalige harmonie St. Cecilia uit Gent. In een decor van erebogen, sparrengroen, guirlandes, dundoeken met de nationale driekleur en onder  bestendige saluutschoten vanaf marineschepen op de Westerschelde, bliezen beide muziekgezelschappen symfonieën ten beste.

 

Afbeelding 37 (universiteitsbibliotheek Gent)
Zogenaamde ‘strooipenning’, uitgegeven door de stad Gent ter gelegenheid van de opening van het kanaal Gent-Terneuzen. Men imiteerde hiermee de aloude gewoonte van vorsten, die bij hun inhuldiging strooipenningen in het publiek lieten werpen. De stad Gent was wel heel genereus, want niet alleen is de afgebeelde penning van goud , maar ook werden er zilveren penningen gestrooid. Koning Willem I had bij zijn intocht in Brussel bij de aanvaarding van zijn koningschap eenzelfde geste gedaan, maar dan heel zuinigjes met koperen strooimunten. De bijnamen ‘koperen koning’ en ‘kale neet’ zou hij nooit meer kwijtraken 

Op dinsdag 24 september 1827 bracht de gouverneur (destijds de naam van de Commissaris van de koning in een provincie) van Zeeland een werkbezoek aan Hulst. Volgens het feestprogramma werd Zijne Excellentie aan de Dubbele Poort opgewacht en onder voortdurend klokgelui en tonen van het carillon de stad binnen geleid in een “Cortege” (optocht), bestaande uit de schutterij, het gemeentebestuur,  diverse groepen notabelen en “het Corps muzikanten”.
(Gemeentearchief Hulst, inv.nr. 1002).

(Bron: i.pinimg.com)

1829 en 1836
Zijne Majesteit maakte  regelmatig ‘royale rondreizen’ in zijn Verenigd Koninkrijk, aanvankelijk om de samengevoegde onderdelen hechter aaneen te smeden en later, toe dit streven mislut bleek, om het weerspannige zuiden weer in het gareel te krijgen. In 1829 en 1836 verbleef hij in Terneuzen op doorreis naar Antwerpen en beide keren stond de harmonie van Hulst aangetreden om hem muzikaal hulde te bewijzen. De vorst waardeerde het  eerbetoon kennelijk zeer, want in 1836 voteerde hij de harmonie – geheel tegen zijn zuinige natuur in – liefst ƒ. 300,- voor het laten vervaardigen van een vaandel.

1829
Het Rijksmuseum te Amsterdam bewaart een zilveren gedenkpenning,  geslagen in opdracht van Hendrik Ferdinand van Raden, burgemeester van Hulst (ca. 1806-1833). Deze herinneringsmedaille werd toegekend aan de ‘Societijt van Harmonie’ van Hulst uit dankbaarheid voor een op de penning niet nader genoemd  optreden van het muziekgezelschap. Zeer waarschijnlijk betreft dit een muzikaal eerbetoon vanwege Van Radens 25-jarig jubileum als burgemeester van Hulst. De penning is een mooi voorbeeld van de objectieve bewijzen, waarmee de continuïteit van de harmonie kan worden aangetoond.

Afbeelding 38a (rijksmuseum.nl objectnr. NG-VG-1-3540)

Keerzijde van de zilveren penning met het opschrift ‘DE RIDDER VON RADEN UIT DANKBARHEID
I. SEPTEMBER MDCCCXXIX’ binnen een krans van myrtebladeren met vier rozetten. Hendrik van Raden zwolg in de titulatuur ‘baron’ en ‘ridder’, die hij zichzelf (onrechtmatig) aanmat
12.

Afbeelding 38b (rijksmuseum.nl objectnr. NG-VG-1-3540)

Voorzijde van de zilveren penning met centraal een lier onder een sterrenkrans binnen het randschrift AAN DE SOCIETIJT VAN HARMONIE DER STAD HULST. Links op de basis van het voetstuk van de harp (echter niet leesbaar) staan de letters B.F. (= Braemt Fecit = Braemt heeft het gemaakt). Joseph Pierre Braemt (1796-1864) was indertijd een gevierd edelsmid-graveur en muntontwerper uit Brussel

1839
Naar de omvang van de harmonie in de 19e eeuw is het voornamelijk gissen, al lijkt deze eerder gering geweest te zijn. Een spaarzame bron uit 1839 omschreef het korps als een Muzijkgenootschap onder de zinspreuk: Harmonie, tellende 26 werkende en 35 honoraire leden 13.
Het relatief geringe aantal muzikanten rond 1839 lijkt een voorbode van het kwijnend bestaan van het muziekgezelschap  tussen 1845 en 1873. In deze periode regent het klachten over de leegloop onder de spelende leden, over de afname van de kwaliteit van de concerten, de vermindering van  de contributie van de ‘heren honoraire leden’,  het stopzetten van de subsidie door de gemeente en de dirigent, die zijn maatstokje aan de wilgen hing. In het Hulsterblad verschenen voortdurend ingezonden artikelen, waarin men zich afvroeg waar het sieraad onzer stad gebleven was en hoe lang de veeljarige doodslaap nog zou duren.  De verschillende inzenders droegen de harmonie een warm hart toe, want het zou jammer zijn, indien deeze vereeniging bij gebrek aan toetreding van leden voortdurend bleef kwijnen en eindelijk ophield te bestaan.

1851
Ondanks het gekwakkel was de harmonie wel van de partij met haar vaandel met onderscheidingstekens op een hele serie feesten in Hulst naar aanleiding van de gouden en zilveren plak, die handboogsociëteit De Batavieren in de wacht had gesleept op een door koning Willem III uitgeschreven toernooi op Het Loo op 23 juni 1851.

Afbeelding 39 (digitaal.dezb.nl recordnummer 1188). Gaaisteng, Oudelande 1958.

Koning Willem III was een groot liefhebber van het boogschieten. Hij liet verscheidene keren toernooien voor Nederlandse handboogverenigingen uitschrijven op paleis Het Loo. Handboogsociëteit De Batavieren uit Hulst deed met de ‘gaaiboog’ in 1851 mee op Het Loo en ging aan de haal met zowel de gouden als zilveren medaille. Geen wonder, dat het in Hulst dagenlang feest was en de boogschutters als ‘pre-Olympische’ helden werden onthaald. Bij alle festiviteiten was de harmonie prominent aanwezig.
Met de gaaiboog wordt verticaal geschoten op ‘kunstvogels’, houten blokjes met gekleurde pluimen, op diverse niveaus, bevestigd op de zogenaamde steng aan de top. Het hele gevaarte, de staak, kan wel dertig meter bedragen.

In een landelijke competitie het goud en zilver veroveren was voor de Batavieren uit het landelijke Hulst geen geringe prestatie.

Tot het opheffen van het muziekgezelschap kwam het niet. Het trof, dat burgemeester Philippus Pierssens de harmonie een warm hart toedroeg. Het feit, dat hij op zowel de eerste burger was als voorzitter van de harmonie,  maakte juist het verschil om het zieltogende gezelschap  meer leven in te blazen. De  subsidie van gemeentewege werd direct hervat, de opleiding gestructureerd, een gedrukt reglement opgesteld en een nieuwe, bestendige, categorie muziekuitvoeringen geïntroduceerd, de zogenaamde ‘winterconcerten’. Het reeds enige jaren bestaande ‘Hulsterblad’ was een prachtig medium om de herleving van de harmonie te promoten. Het eerste winterconcert op 28 oktober 1873 (waarvan hieronder de advertentie op 25 oktober in Het Hulsterblad) kreeg meteen een positieve recensie. Het was de voorbode van de nieuwe succesformule. 

Meer dan vijftig jaar lang, tot in de jaren 20 van de 20e eeuw,  zijn de winterconcerten gehouden en werden de programma’s steeds aangekondigd in Het Hulsterblad. Het is een mooie bronnenreeks, waarmee de continuïteit van de harmonie een halve eeuw lang probleemloos kan worden aangetoond.

1862
Koning Willem III vereerde Hulst op 26 mei 1862 met een bliksembezoek en het gemeentebestuur vond dat men Zijne Majesteit zo luisterrijk als gepast met een uitbundig onthaal op de Grote Markt, gevolgd door een dejeunerdinatoire diende te ontvangen. Een paar uurtjes koninklijk bezoek kostte het lieve sommetje van ƒ 1400,-. Als het gemeentebestuur voor deze gelegenheid niet op een paar centen keek, kon er volgens het bestuur van de harmonie van gemeentewege ook wel een bijdrage af om iets deftiger voor de koning te kunnen verschijnen. Het tactisch op het juiste moment ingediende subsidieverzoek van ƒ 65,- kon het gemeentebestuur bezwaarlijk weigeren. Voor een compleet tenue was de bijdrage natuurlijk niet toereikend, maar met uniformpetten verschenen de muzikanten toch met meer aanzien voor de koning dan met hun jan-met-de pet petten. Met de nieuwe hoofddeksels aangetreden musiceerde het muziekgezelschap ter ere van de vorst niet alleen tijdens het bordesgebeuren, maar gedurende de hele tijd dat de koning in het stadhuis aanzat aan het ‘dejeuner dînatoire’ 14.

1875
In 1875 had men genoeg geld in kas om een nieuw vaandel, het derde, te laten maken, precies op tijd om het bij de viering van het 75-jarig bestaan in te wijden.

1894
In 1894 liep een deel van de spelende leden weg en begon als fanfare een eigen blaasorkest onder de naam ‘Vlijt en Volharding’, in de volksmond de ‘Nieuwe Harmonie’ genoemd. Ruim vijftig jaar hebben beide harmonieën soms saamhorig, soms als felle concurrent hun partij geblazen. Juist de perioden van wrijving tussen de twee concurrenten zorgen voor veel informatie, waarmee het voortbestaan van de harmonie, die sinds de afsplitsing ‘de oude harmonie’ werd genoemd, aan te tonen. 

1898-1903
Bisschop Petrus Leyten had in juli 1898 bepaald slechte herinneringen aan de serenade, die hem bij een bezoek aan Hulst buiten voor de pastorie in de Steenstraat door het muziekgezelschap harmonie werd gebracht.
Tijdens de muzikale hulde liep een groot aantal blagen joelend tussen het publiek, lag er een stel op straat te vechten en zat een groep achter Zijne Eminentie op de vensterbanken van de pastorie vervelend te doen. Monseigneur was danig en langdurig in zijn wiek geschoten en gaf bij zijn visitaties in 1899 en 1903  uitdrukkelijk te kennen geen prijs te stellen op een openlijke huldeblijk.

Afbeelding 41
(brabantserfgoed.nl; KLIB/KDC, Nijmegen)

De bisschop van Breda, mgr. Petrus Leijten, was in juli 1898 in Hulst voor een visitatie (officieel werkbezoek) van de parochie. Hij raakte hevig ontstemd, toen een muzikale hulde door de harmonie werd verstoord door luidruchtige opgeschoten jeugd. 

1902
Ter gelegenheid van het eeuwfeest in 1902 vroeg de muziekvereniging in een onderdanige petitie aan koningin Wilhelmina haar de eretitel ‘koninklijk’ te verlenen. Het bestuur van de harmonie koppelde de aanvraag echter erg ongelukkig aan een verzoek om subsidie. Hare Majesteit nam deze weinig tactische manoeuvre niet in dank af. Zij onderstreepte met een dikke ‘anilinelijn’ de  zinsnede, waarin om de geldelijke bijdrage werd gevraagd en wees het verzoek zonder pardon af.
Bij de tweede poging in 1920 behaagde het de vorstin wel om het fel begeerde predicaat te verlenen.

Afbeelding 42 (archief koninklijke stedelijke harmonie)
In 1920 behaagde het Hare Majesteit wel aan het Muziekgezelschap Harmonie te Hulst het predicaat ‘koninklijk’ toe te kennen.

Bijlage I

Bijlage I

Transcriptie bron 31 (par. 5.3)

Lofzang toegewijd aan de leden der harmonie binnen Hulst, toen zij hun eersten jaarfeest vierden op den 13den van Grasmaand 1803

Vergun O kunstenrij, Apollo’s lievelingen

Daar uw gezelschap thans zijn eerste jaarfeest viert

Dat mijne hand u met een frische lauwer ciert

Sta toe dat ik lied tot uwen lof mag zingen

Gij die met kunst en vlijt de godlijk eendragt paart

Gij zijt een lauwerkrans, Gij zijt een loflied waard

 

Welk heerlijk maatgeluid vervult uw blijde chooren

gewis, hier is Apol van Pindus neegedaald

Een heeft met zijnen geest uw aller geest bestraald

Of d’harmonie is u van kindsbeen aangeboren

Wat hiervan zij, ’t gaat vast, dat elks verwondring rijst

Als juichend handgeklap uw kunst vermogen prijst

 

’T zij dat G’een rondeau speelt uit Peeijls meesterstukken

Paul en Virginia op hunnen togt verzelt

De krijgstoon blaast of die van’t vredelievend veld

Uw zuivre melodie kan ieders hart verrukken

Daar zij, met toverkragt ’t aandoenlijk zintuig roerde

En opgetogen met haar klanken henenvoerde

 

Ga voort geacht schaar in ijvervuur te blaken

Leent aan de afgunst van verleiding geen gehoor

Volg met standvastigheid het welgebaande spoor

Zoo ziet ge eens op ’t eind uw schoon ontwerp volmaken

Houd aan en laat niet af totdat de dag verschijn

Dat elk van U in kunst een Orpheus zal zijn

 

Lang moog die edle kunst in onze veste bloejen

Zij word door wijsheid en voorzigtigheid bestuurt

En Hulsters jonglingschap door ’t voorbeeld aangevuurd

Doe uw Genootschap steeds in nutte leden groejen

Uw gouden zinspreuk op een onbevlekten grond

Verciere uw Standaart tot aan ’s werelds avondstond

 

O dierbaar heilgeschenk door God den mensch gegeven

Volzaalge harmonie die hart aan hart verbind

Uw hemelsche invloed vormd den waare menschenvriend

Gij zijt het duurzaam zout, de balsem van ons leven

Verlaat deez’ kunstenrei, verlaat onz aardbol niet

Zolang de stervling u zijn schuldige offers bied

 

Doch zoo gij een maal zaagt door ’t menschdom u verstooten

Uw dienst versmaden en met heiligschennende hand

Het vuur uitblusschen dat op uwen altaar brand

Zoodat uw vlugt van hier onwrikbaar was beslooten

voer mij dan mede in uw snelle hemelvaard

Want zonder harmonie bekoord mij niets op aard

Bijlage II

Bijlage II

(par. 5.4)           De zestien oprichters van de harmonie van Hulst

  1. Carolus Theodorus van Bastelaer

Zoon van Lucas van Bastelaar en Catharina Annaerts

Adres: Bierkaaistraat, wijk A, nr. 34

Beroep                        schoenmaker

 

Geboren                                 1761 te Hulst

Overleden                               na 27-10-1829  

Gehuwd met                          1. Maria Machtelinck op 09-04-1786 in Hulst

                                                  * 1754 in Kruijspolder

                                                  † 29-12-1817 in Hulst, 63 jaar oud

  1.                    Judoca Josina de Veijlder op 09-08-1819 in Hulst
                                                       *  10-10-1784 in Hontenisse

                                                   † 27-10-1829 in Hulst, oud 45 jaar, werkvrouw

  1. Ludovicus Mattheus van Bastelaer

Zoon van Johannes Lucas Mattheus van Bastelaer en Catharina Annaert

Beroep:                                   schoenmaker

Geboren                                 1764 in Hulst

Overleden                               04-09-1804 in Hulst, 40 jaar oud

Gehuwd met                          1. Maria Jacoba Freijser op 26-10-1788 in Hulst

  1. Maria Johanna de Munck op 01-08-1790

                                                    * 1773 in Sas van Gent

                                                    † 25-09-1803 in Sas van Gent, oud 30 jaar

  1. Petrus Jacobus Coppens

Zoon van Marcus JosephusCoppens en Anna Maria Burm

Beroep: stoeldraaijer

functie: koster r.k. schuurkerk

Geboren                                 1770

Overleden                               08-11-1835 in Hulst, 65 jaar oud

Gehuwd met                          Maria de Smit

                                               † na 08-11-1835

  1. Petrus Laurentius Janssen

Zoon van Petrus Hermanus Janssen en Theresia Kurfmaker

Beroep: smid en ‘slootmaker’

adres: Vismarkt

Piteer speelde waldhoorn in het kerkorkest van de r.k. kerk

Geboren                                 1779

Overleden                               03-09-1857 in Hulst, 78 jaar oud

Gehuwd met                           1. Maria Johanna Kelmis op 07-02-1802 in Hulst

                                                    * 02-06-1781 in Middelburg

                                                    † 02-03-1844 in Rotterdam

  1. Colleta Buijs op 11-12-1844 in Hulst

                                                   * 1802 in Stoppeldijk

                                                   † 16-08-1877 in Hulst, 74 jaar oud

  1. Felix Abraham Joly

Zoon van Pieter Johannes Joly en Regina Wilhelmina van den Bogaert

Beroep: notaris

broer van nr. 6

Gedoopt                                 13-08-1780 in Hulst

Overleden                               30-03-1848 in Hulst, 67 jaar  oud

Gehuwd met                          Caroline Julienne Secunda Cardon op 11-07-1811 in Hulst                                       

                                                * 1788 in Hulst

                                              † 19-04-1812 in Hulst, 24 jaar oud

  1. Petrus Wilhelmus Joly

Zoon van Pieter Johannes Joly en Regina Wilhelmina van den Bogaard

broer van nr. 5

gedoopt 26-05-1782

 

 

  1. Dirk Konings

Beroep: kapper en pruikenmaker in de Bierkaaistraat

Geboren                                 1758

Overleden                               08-01-1841 in Hulst, 81 jaar oud, 83 jaar oud

Gehuwd met                          Maria Anna Christina Coppens

                                              (zus van Petrus Jacobus Coppens) op 07-02-1787 in Hulst

                                               † 26-02-1842 in Hulst, 84 jaar oud

  1. Jacobus de Pauw

Zoon van Josephus de Pauw en Cornelia Maartens

Beroep: ‘musiekmeester’

Jacobus speelde in het kerkorkest van de r.k. kerk

Gedoopt                                 09-04-1757 in Hulst   

Overleden                               11-12-1820 in Hulst, 63 jaar oud

Gehuwd met                          1. Johanna Deckers

                                                   * St. Nicolaas (B)

  1.                        Nicolasina Hasens op 03-08-1795 in Hulst

                                                  * Bergen op Zoom

 

 

  1. Petrus Josephus Benedictus de Pauw

zoon van Jacobus de Pauw en Johanna Deckers

Pieter speelde in het kerkorkest van de r.k. kerk

 

Geboren                                 16-10-1784 in Hulst

Gedoopt                                 17-10-1784 in Hulst

Gehuwd met                          Maria Cecilia Mallezie

  1. Joannes Theodorus Penneman

Zoon van Joannes Adrianus Penneman en Anna Maria van de Voorde

Beroep: slager in de (Grote of Kleine) Bagijnestraat

Johannes speelde in het kerkorkest van de r.k. kerk en was lid van het kerkbestuur

Geboren                                 04-07-1773 in Hulst

Gedoopt                                 05-07-1773 in Hulst

Overleden                               13-08-1811 in Hulst, 38 jaar oud

Gehuwd met                           Johanna Catharina Danckaart op 27-02-1810 in Hulst

                                               * 1777 in Hulst

  1. Ludovicus Eugenius Pierssens

Zoon van Joannes Ambrosius Pierssens en Adriana Catharina Verdurmen

Beroep: suikerbakker/koekbakker en stadsbode

Adres: Grote Markt

Spelend lid in het kerkorkest van de r.k. kerk en lid van het kerkbestuur

Geboren                                 13-09-1782 in Hulst

Gedoopt                                 14-09-1782 in Hulst

Overleden                               08-07-1851 in Hulst

Gehuwd met                          Anna Maria Theresia Verdurmen op 30-05-1809

                                               * 06-11-1784 in Hulst

                                               † 31-01-1853 in Hulst, 68 jaar oud

  1. Victor de Schepper

Zoon van Gilles de Schepper en Delphine Breijs

Beroep: molenaar, de eerste molenaar van de in1792 gebouwde walmolen

Victor speelde in het kerkorkest van de r.k. kerk

Adres Overdamstraat

 

Geboren                                 07-06-1765 in Hulst

Gedoopt                                 08-06-1765 in Hulst

Overleden                               28-06-1802 in Hulst, 37 jaar oud

Gehuwd met                           Cecilia Adriana Philippus op 28-04-1798 in Hulst

                                               * 03-06-1771 in Hulst

  1. Judocus Maximilianus Verwilghen

Zoon van Johannes Verwilghen en Angelina Cornelia de Neijs

Beroep leerlooier en ‘huidvetter’

Geboren                                 1748

Overleden                               25-01-1827 in Hulst, 79 jaar oud

Gehuwd met                          Maria Johanna van Frachem

  1. Johannes Petrus Voet

Zoon van Joannes Franciscus Voet en Anna Maria van der Stok

Beroep: vleeshouwer

Functie: lid r.k. kerkbestuur

Geboren                                 30-07-1769 in Hulst

Overleden                               08-01-1828 in Hulst, 58 jaar oud

Gehuwd met                          Theresia de Smet op 01-03-1800 in Hulst

                                               * 27-06-1769 in Hulst

  1. Philippus Jacobus Wageschiet

Zoon van Livinus Wageschiet en Anna Catharina van de Voorde

Beroep: smid en ‘slootmaker’

Adres Bierkaaistraat

Geboren                                 01-05-1770 in Hulst

Overleden                               04-11-1802 in Hulst, 32 jaar oud

gehuwd met:                         Johanna Coleta Hamelink op 14-02-1798 in Hulst

                                                * 09-05-1778 in Sas van Gent

                                               † 23-10-1852 in Hulst

  1. Cornelis Johannes van de Walle

Zoon van Joannes van de Walle en Joanna de Wolf

Beroep: tuinman en herbergier

Spelend lid kerkorkest r.k. kerk

Geboren                                 22-02-1780 in Hulst

Overleden                               12-01-1858 in Hulst, 77 jaar oud

Gehuwd met                           Petronella Theresia Servaes op 04-11-1805 in Hulst

Laatste updates

Datum

04-08-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

De galerij  ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’ is aangevuld met twee foto’s uit het Zeeuws Archief.

Datum

05-07-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuwe galerij toegevoegd, getiteld ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’, over de adellijke familie Collot d’Escury.

Datum

03-2024

Uit de categorie ‘Historische Fotogalerij’ verplaatst naar ‘Hulst Historisch Kort’:

De fotogalerij Veertig jaar veelkleurigheid over de schilderingen in het katholieke deel van de kerk te Hulst omgewerkt tot artikel.

Datum

01-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuw artikel ‘Hulst 1914-1918’, een neutraal grensgebied in de ‘Eerste Wereldoorlog’.

Datum

12-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over De Heilige Kindsheid uitgebreid met beeldmateriaal en beschrijving van Kindheidsoptochten in de kernen.

Datum

11-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over Casimier Lambin grondig herzien en uitgebreid, met name met aanvullende informatie uit zijn faillissementsdossier.

Uw inschrijving kon niet worden opgeslagen. Probeer het opnieuw.
U bent met succes aangemeld voor onze nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief