2.1 Zomer 1914: Een ontstellend onbekommerde vakantie

2. INLEIDING: ACHTERGRONDEN VAN DE IMMENSE VLUCHTELINGENSTROOM

2.1 Zomer 1914: Een ontstellend onbekommerde vakantie

Op dinsdag 4 augustus 1914 meldde George Levin uit Berlin-Charlottenburg zich bij de gemeentesecretarie in Hulst voor een ‘reispas’ voor hem, zijn echtgenote en hun beider chauffeur voor de doorreis door Nederland naar Duitsland. Het drietal was de vorige dag uit België aangekomen en vertrok, na de nacht in hotel De Graanbeurs te hebben doorgebracht, ’s morgens bij het ochtendkrieken. Geen moment te vroeg, want juist deze ochtend, zo rond ontbijttijd, hadden zijn landgenoten de Belgische grens overschreden en wie nu als Duitser, Oostenrijker of Belg van Duitse afkomst niet maakte dat hij uit Nederland wegkwam, werd zonder pardon het land uitgezet.
Uit het Verblijfregister van de gemeente Hulst is niet op te maken wat de Levins in België deden, maar met eigen ‘automobiel’ en privéchauffeur behoorden zij mogelijk tot de welgestelde Duitsers, die traditiegetrouw in groten getale de zomer aan de kust in België en Nederland doorbrachten. Dit jaar was juli uitzonderlijk warm en het prachtige weer zette in augustus door. Het beloofde een zomer te worden om nooit te vergeten!

Afbeelding 2
(prentbriefkaart, Ostende, vue sur la plage (Oostende, strandgezicht, bron onbekend).

Ondanks de mobilisatie op 1 augustus 1914 genoten veel Belgische en buitenlandse vakantiegangers  aan de Belgische kust van het prachtige zomerweer.

Aan de Belgische en Nederlandse stranden vertoefden naast heel wat Duitsers ook veel gegoede Belgen, vooral uit Wallonië. Iedereen genoot ontstellend onbekommerd van het ongekend fraaie weer. De start van de vakantie op 1 augustus, het was nog weekend ook, zorgde voor een massale Belgische uittocht naar zee. Onbegrijpelijk was de uittocht wel, want de dag ervóór had de Belgische regering de algemene mobilisatie afgekondigd 1. Drie dagen later werd België op dinsdagmorgen 4 augustus meegezogen in de ‘Groote Oorlog’ en dit kwam bij de onvoorbereide bevolking als een mokerslag aan.
Vanaf de eerste uren strijd sloegen de Belgen op de vlucht met een snelheid en intensiteit, die zijn weerga niet kende: een stoet van verdwaasden en ontredderden, sleepend langs wegen en landen en luchten een striemende aanklacht tegen de gruwelen van den oorlog, een opgejaagde kudde van wrokkende gedachteloozen, voortgestuwd door de primitiefste zucht naar zelfbehoud buiten de verschrikkingen van granaatscherf en bom, moord en brand 2. In het laatste kwart van 1914 zouden meer dan één miljoen Belgen, meest Vlamingen, één zesde van de toenmalige bevolking, een goed heenkomen in Nederland zoeken. Daarnaast weken nog zo’n 325.000 man, vooral Walen, uit naar Frankrijk en staken 162.000 mensen over naar Engeland.
De zo zorgeloos begonnen vakantie was abrupt omgeslagen in Vacances Macabres.

2.2 Vooral geen zorgen voor den tijd

2. INLEIDING: ACHTERGRONDEN VAN DE IMMENSE VLUCHTELINGENSTROOM

2.2   Vooral geen zorgen voor den tijd

Dat vakanties niet werden uitgesteld of afgebroken was verklaarbaar, want het leek er zelfs in de loop van juli in de verste verte nog niet op dat een eventuele Europese oorlog ook België zou treffen.
De aanleiding tot de Weereldbrand lag ver weg op de Balkan en was al zo goed als vergeten. Op 28 juni ‘s middags sloeg, figuurlijk gesproken, daar de bliksem in. Het Hulsterblad van 4 juli meldde: In den namiddag van j.l. Zondag verspreidde de telegraaf de ontzettende tijding over de wereld dat de aartshertog en zijn gemalin te Serawejo 3, de hoofdstad van Bosnië waren vermoord . De beoogde Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand bracht met zijn echtgenote een officieel bezoek aan Sarajevo. Over niet al te lange tijd zou hij de hoogbejaarde keizer Franz Jozef opvolgen en daarom maakte hij een rondreis door het uitgestrekte Oostenrijk-Hongarije. Bosnië, dat pas sinds 1908 tot Oostenrijk behoorde, was gewoonweg geannexeerd. Deze inlijving was tegen het zere been van buurland Servië, dat soortgelijke aspiraties had. Ook in Bosnië waren velen verontwaardigd en de heetgebakerde Bosnische student Gavrilo Princip schoot die zondag met dodelijke precisie raak.

Afbeelding 3 (theconversation.com)

De laatste foto van aartshertog Franz Ferdinand van Oostenrijk en zijn vrouw Sophie in levenden lijve. Zij verlaten hier het stadhuis van Sarajevo om plaats te nemen in een cabriolet. Door het neergeklapte opvouwbare dak was het echtpaar zo’n vijf minuten later een gemakkelijke schietschijf. De dodelijke schoten zouden ruim een maand later ook België in de Eerste Wereldoorlog meeslepen en aan het begin ervan voor een blinde vluchtelingengolf naar onder meer Zeeuws-Vlaanderen zorgen.

De Oostenrijkse regering was ziedend: In de officiële kringen te Weenen wordt verklaard, dat men van nu af de zekerheid heeft dat te Belgrado het middelpunt der samenzwering ligt. Is zulks het geval dan is het mogelijk dat de Oostenrijksche regering ertoe genoopt wordt van de Servische te vorderen dat zij de noodige maatregelen neme tegen de woelgeesten, teneinde een onrustwekkenden toestand te doen ophouden las men in Het Hulsterblad op 11 juli 4.
In Wenen nam men gemakshalve dus aan dat de regering in Belgrado, de hoofdstad van Servië, achter de moordaanslag zat en hierdoor kon de sinds 1908 bepaald gespannen relatie tussen beide landen tot een gevaarlijke escalatie leiden. Toch gebeurde er na de moordaanslag wekenlang niets, zo leek het althans voor de buitenwereld. Daarbij was de Balkan al zó lang een ingewikkelde heksenketel waarin de ene ‘Balkancrisis’ na de andere ‘Balkan-oorlog’ werd rond geroerd en alle onheil daar was  steeds gelokaliseerd gebleven en bezworen. Ook nu leek dat het geval.

Zijne Hoogheid, de aartshertog, bleek echter zo doorluchtig, dat de Oostenrijkse Dubbelmonarchie in een bedrieglijke stilte een officiële nota aan Servië had uitgebroed en hier pas op 23 juli mee aan kwam zetten. De gestelde eisen waren zo scherp, dat het ontvangende land gezichtsverlies zou leiden als het alles inwilligde. De 25e kwam het Servische antwoord al, binnen het gestelde ultimatum van 48 uur en verrassend genoeg heel hoffelijk en gematigd. Hoe tegemoetkomend ook, een volledige acceptatie was het niet en uit voorzorg begonnen beide landen direct met  de mobilisatie en verbraken zij hun diplomatieke betrekkingen.

Afbeelding 4 (heroesofserbia.com, Istorija Srpska)
Het begin van het beruchte ultimatum van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk aan het koninkrijk Servië, 23 juli 1914. Dit ultimatum was in zulke scherpe bewoordingen en eisen gesteld, dat het bij voorbaat zeker was, dat Servië dit niet onverkort zou accepteren. Hiermee leek Oostenrijk-Hongarije  bewust een oorlog uit te lokken.

Met de ‘Zustand drohender Kriegsgefahr’ werd het beslist menens, maar de foutieve inschatting van de publieke opinie kon op 26 juli niet treffender verwoord worden dan door ‘De Nieuwe Courant’: Neen waarlijk, het zal zoo ‘n vaart niet loopen, blijf kalm toch toezien hoe de berg bezig is een muis het aanzijn te schenken … Nu, tegen dien tijd zullen wij wel eens zien. Vooral geen zorgen voor den tijd.
Tegen deze achtergrond is de onbezorgdheid van de Belgische vakantiegangers te begrijpen. Wie vermoedde er, dat België een week later in oorlog zou zijn?

2.3 Een vodje papier

2. INLEIDING: ACHTERGRONDEN VAN DE IMMENSE VLUCHTELINGENSTROOM

2.3   Een vodje papier
In de laatste juliweek balkaniseerde het Oostenrijks-Servisch conflict op karakteristieke wijze: ongekend snel, fel en verward. De Europese mogendheden, met twee of drie landen in meerdere bondgenootschappen verbonden, brachten een kettingreactie op gang: iedere actie lokte weer een andere uit. Rijkelijk strooiden staatshoofden over en weer met nota’s, verpakt in scherpe bewoordingen, inclusief onmogelijke tijdslimieten. Mobilisaties werden met griezelig gemak afgekondigd en tegelijk bij anderen verboden. De ongekend korte tijd waarbinnen de diplomatieke escalatie zich voltrok,  maskeerde tijdelijk het feit, dat het conflict al uit zijn ‘Balkan-context’ werd getrokken en zo stonden in het eerste augustusweekeinde van 1914 enerzijds Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en het Turkse Rijk, anderzijds, Engeland, Frankrijk en Rusland  als kemphanen tegenover elkaar.
Wie inmiddels van de ernst doordrongen was, kon zich nog geruststellen met de gedachte, dat de oorlogvoerende grootmachten ruzie hadden met elkaar en dus niet noodzakelijkerwijs België hoefden aan te vallen. Heilig was daarom de verontwaardiging toen dit op 4 augustus toch gebeurde.
De Hulsterse pers foeterde de 8e van diezelfde maand: niemand toch had het durven denken dat een der vijf mogendheden, die de neutraliteit van België hadden gewaarborgd, deze belofte zou durven schenden. 
Een der vijf landen was nota bene de Duitse staat Pruisen, dat bij de losmaking van België van Nederland in 1839 medeondertekenaar was van de garantie, dat La Belgique, dans les limites indiquées(…)formera un Etat indépendant et perpétuellement neutre: voor altijd neutraal 5! Slechts een schijnveiligheid, waarin kleine landen zich bij grote internationale conflicten konden koesteren. En inderdaad, België had zich sinds de Napoleontische Tijd militair nog niet echt hoeven bewijzen en zo leek de fictie van het respecteren van neutraliteit een onveranderlijke werkelijkheid.

Niettemin was sinds 1904 al een Duits aanvalsplan, het Schlieffenplan, uitgelekt, met als belangrijkste onderdeel een opmars van een sterke rechtervleugel door Nederland en België om de Franse legers te omsingelen 6. Politieke leiders en het militaire opperbevel in België konden dus weten dat een Duits ultimatum aan België voor een vrije doortocht een reële optie was. Het grote publiek wist van niets en was dus totaal overrompeld door de ontvangst van het ultimatum op 2 augustus en de besliste afwijzing ervan door de Belgische regering op 3 augustus. De 19e eeuwse neutraliteitsbelofte was slechts Ein Fetzen (een vodje papier), zoals de Duitse minister-president Von Bethmann-Hollweg pas nog had geschamperd.

Afbeelding 5 (img.welt.de)

De Duitse generaal Alfred Von Schlieffen (1833-1913) had in 1901 een aanvalsplan bedacht om Frankrijk in geval van oorlog zo snel mogelijk uit te schakelen, zodat een ’tweefrontenoorlog’  tegen Frankrijk en Rusland voorkomen kon worden. Met een aantal omtrekkende bewegingen zouden de Duitse legers snel door het relatief zwak verdedigde noorden van Frankrijk trekken om het in de Elzas geconcentreerde Franse leger in de rug aan te vallen en – klemgezet als het dan was – uit te schakelen. Dit plan werd in 1914 uitgevoerd met één belangrijke wijziging. De meest noordelijke vleugel werd niet door, maar ten zuiden van Nederlands Limburg geleid, zodat Nederland neutraal zou blijven.

2.4 Chocoladesoldaatjes tegen Pickelhauben

2. INLEIDING: ACHTERGRONDEN VAN DE IMMENSE VLUCHTELINGENSTROOM

2.4   Chocoladesoldaatjes tegen Pickelhauben

Het ‘idee-fixe’ om met onzijdigheid de dans te kunnen ontspringen werd nog extra versterkt doordat aan de bevolking onterecht een veel te positief beeld van de kracht van het Belgische leger werd  voorgeschoteld, gezeefd door het zeer fijne filter van de censuur. Het hoge moreel van de Belgische strijdkrachten, de heldhaftige vuurdoop ‘onder eigen vorst en vlag’ en ‘tactische terugtrekking’ deden het in de propaganda misschien goed, maar het beeld was totaal vertekend. In werkelijkheid lag de uitslag van het zeer ongelijke treffen al bij voorbaat vast: Het Belgische leger verkeerde in 1914 in volledige reorganisatie, miste samenhang, was onvoldoende getraind in dagmarsen, en het had een schreeuwend gebrek aan de meest elementaire uitrusting 7. Hiertegenover stond het Duitse leger, toentertijd kwantitatief en kwalitatief de meest geavanceerde gevechtsmachine in Europa.

Afbeelding 6
(geheugen.delpher.nl, Spaarnestad Photo, SFA022802696, fotocollectie Het Leven, 1906-1941).
Het Duitse leger werd aan de Maas overal geconfronteerd met bruggen, die door het Belgische leger waren opgeblazen, zoals op deze foto bij Visé (Wezet), niet ver van het Nederlandse Eijsden (onder Maastricht). Voor de Duitse ‘rechtervleugel’, die volgens het ‘plan Schlieffen’ de grootste afstand moest overbruggen en daarom veel haast had, was dit oponthoud het meest hinderlijk. Tot vier keer toe werd geprobeerd in Visé een pontonbrug over de rivier te slaan en vier keer werd deze door de forten bij Luik aan gort geschoten.

Op het verkeerde been gezet door de oorlogspropaganda putte heel België de eerste oorlogsdagen dan ook ten onrechte moed uit de schijnsuccessen van de gevechten rond de  supervesting Luik. Vier van de zeven legers, die Duitsland op Frankrijk afstuurde, vormden Schliemanns beroemde rechtervleugel en moesten met 550.000 man zeer snel door België optrekken. Verrassend genoeg werd de Nederlandse neutraliteit wel gerespecteerd, maar deze variant wrong het grote aantal militairen door de flessenhals tussen Luik en Namen en in deze beperkte ruimte lag nu net de trots van ingenieur Brialmont, de ijzersterke fortengordel rond Luik. 
Terwijl de artillerie deze bastions bestookte, trok de infanterie voorwaarts, zo ver mogelijk weg van het vér reikende Luikse geschut. De eerste aanval der Duitsche rechterflank geschiedde op de Maasstelling bij Visé, meldde het Hulsterblad, dat de strijd wekenlang uitvoerig beschreef. Bedoelde aanval kwam van het eerste leger onder Von Kluck, dat als uiterste rechterflank de grootste afstand moest afleggen en dus de meeste haast had. De route ging vanaf Gemmenich, ten zuiden van Vaals zo rakelings langs de Nederlandse grens –  deels zelfs over een gemeenschappelijke ‘heerbaan’ – dat Nederlandse grenstroepen en Duitse infanterie elkaar bij wijze van spreken de hand konden schudden.
De opmars verliep echter niet geheel volgens het draaiboek: Nadat de Duitschers bevonden hadden dat alle bruggen en kunstwerken vernield waren, trokken zij noordelijk tot aan de Nederlandsche grens bij Eijsden, waar zij de Maas overstaken. Het betekende naast oponthoud behoorlijk veel irritatie, want er moest een brug geslagen worden. Dit gebeurde bij Liesel (Lixhe) vlak onder Eijsden. Ramptoeristen, je had ze toen ook al, zaten volgens het Zuidlimburgse blad ‘De Prins’ eerste rang op de St. Pietersberg te kijken naar den vreeselijken, maar hoogst interessanten strijd voor Luik, met spectaculaire beschietingen van de forten, maar het effect was nihil. Andermaal tijdverlies, veel meer gesneuvelden dan begroot en dus nog meer ergernis bij de Duitsers. Het Hulsterblad putte er met België hoop en leedvermaak uit: Met veel lof wordt in de pers het moedig standhouden der Belgen vermeld. De tegenstand van België tegen den doortocht van het Duitsche leger zal den Duitschen generalen staf wel wat zijn tegengevallen, want al rekende hij beslist op dien tegenstand, hij zal toch zeker niet hebben verwacht, dat deze hem zoo lang zou ophouden in zijn opmarsch naar Frankrijk (…) Aldus zullen de Duitsche hoofdwachten zich zeer moeten haasten willen zij in Frankrijk zelf slag leveren.

Afbeelding 7
(geheugen.delpher.nl, Spaarnestad Photo, SFA022802696, fotocollectie Het Leven, 1906-1941).
De Duitse genie wist ten slotte een pontonbrug over de Maas te leggen bij het dorpje Lieze (Lixhe), vrijwel bij de Nederlandse grens, zo ver mogelijk van het Luikse geschut vandaan. De vertraging was groter dan ingecalculeerd en leidde tot ergernis bij de Duitse legerleiding, die haar frustratie afreageerde met represaillemaatregelen tegen de bevolking .De wreedheden, die in het kader hiervan plaatsvonden, waren een belangrijke aanjager voor de immense vluchtelingenstroom naar onder meer Nederland.

Binnen het geheel van de grote militaire operatie was het oponthoud slechts hinderlijk, maar de Belgische bevolking had nog de illusie dat de eigen krijgsmacht verrassend hardnekkig en succesvol tegenstand bood en van een ander kaliber was dan de ‘chocoladesoldaatjes’, een van de smalende scheldwoorden waar Von Bethmann-Hollweg zich zo graag van bediende.

2.5 Nie mehr ‘Alter Fritz’

2. INLEIDING: ACHTERGRONDEN VAN DE IMMENSE VLUCHTELINGENSTROOM

2.5   Nie mehr ‘Alter Fritz’

Volkomen overdonderd door de snelle opeenvolging van de internationale gebeurtenissen in juli, de bruuske aanval van het Duitse Rijk op hun neutraal verklaarde staat en de onjuiste veronderstelling, dat de forten van Luik stand zouden houden, was de Belgische bevolking rijp voor een van de grootste uittochten uit de historie. De Duitsers gaven op niet mis te verstane wijze zelf het laatste zetje.

Afbeelding 8 (Bundesarchiv Koblenz, Bild 183-R11105).
Midden op de foto staat de Duitse keizer , gehuld in in een cape met grote bontkraag. De twee officieren met sabel zijn generaal August von Mackensen (rechts) en links van hem overste Hans von Seeckt. Alle militairen dragen de karakteristieke ‘Pickelhaube’, de Pruisische punthelm. Dit in 1842 ingevoerde hoofddeksel was zijn tijd al voorbij. Het gesperste leer van de helm en de metalen punt gaf enige bescherming in sabelgevechten, maar was anno 1914 volkomen ongeschikt om granaatscherven af te weren. De reflectie van de punt werkte bij zonnig weer zelfs als prominent richtpunt voor vijandelijk vuur. De pickelhaube werd in de loop van de oorlog vervangen door de ‘stahlhelm’. Het puntige gezelschap bevindt zich in april 1915 ergens aan het oostfront voor een gebouw met het opschrift ‘Kaiserlich Deutsche Feldpostexpedition des Oberkommandos der 11. Armee’.

Het Hulsterblad berichtte over de eerste oorlogsdag: Bij Hervé moet vreselijk gevochten zijn (…) De dorpen Visé en Argentau stonden toen in brand. De bevolking was merendeels gevlucht(. . . )Personen, die tot Mouland en Visé wisten door te dringen doen romantische [sic!] verhalen over vernielingen, ruïnes en lijkenlucht. Over den afloop der gevechten verkeert men nog in onzekerheid. De Duitschers hebben echter schrikkelijk huis gehouden in de Maasdorpen. Brand en vernieling kenteekenen hun doortocht. Het was genoeg om de inwoners van de streek Hervé in de eerste uren oorlog in paniek de Nederlandse grens over te jagen. Zij waren de eersten van een maandenlang aanzwellende stroom refugiés. Volgens de Belgische krant ‘Le XXe Siècle’ van zaterdag 8 augustus verging het de Luikenaren op de derde oorlogsdag niet anders: Donderdagochtend waren de Duitsers met hun bombardement begonnen, overal paniek zaaiend. Mensen vluchtten en schreeuwden elkaar toe dekking te zoeken. Anderen raadden de bewoners aan de kelders in te vluchten. Binnen enkele uren zag de stad er verlaten uit (…) Huizen en monumenten vatten vlam. Het vuur verspreidde zich. De bevolking begreep dat zij koste wat het kost moest vluchten en begon aan haar exodus. Mensen nauwelijks gekleed en met hun schoenen of laarzen in de hand, renden naar het station. Rijken en armen verlieten hun huis of hun eenvoudig verblijf en haastten zich naar het station, waar treinen op hen stonden te wachten.
Terwijl de krant bij wijze van spreken nog gedrukt werd, was Luik al bezet en vervolgde de Duitse legermacht, de forten ter vernietiging overgevend aan de ‘zware artillerie-jongens’ van Krupp en Skoda, zijn weg dwars door het kernland in een omtrekkende beweging naar Noord-Frankrijk. Overvolle treinen met verdwaasden vertrokken westwaarts en de belevenissen en verhalen van de ontredderde vluchtelingen werden met iedere kilometer erger en voedden de paniek. Nederlands Limburg raakte overspoeld met duizenden uitgewekenen. Ook de regio  Antwerpen ontving zijn eerste vluchtelingen, zij het nog in mindere mate.

Afbeelding 9 (flickr.com, nr. 8388036962).
Drie licht bewapende cavaleristen van het 20e Ulanen-regiment op patrouille in een Frans stadje. Ulanen (Turks ‘oğlan’ = jonge man) waren zelfstandige onderdelen binnen het Duitse leger, belast met verkennende taken vóór de oprukkende hoofdmacht en met het uitvoeren van bliksemacties van allerlei aard. Vanaf het begin van de inval in België joegen zij de bevolking de doodschrik aan met hun ongekende wreedheden. Zij waren in uitmonstering gemakkelijk te onderscheiden van de reguliere militairen door de zogenaamde ’tschapka’, een helm naar Pruisisch model met een vierkant deksel erboven.

Het Hulsterblad drukte gretig het relaas van de vluchtelingen over de onbeschrijflijke snelheid van de Duitse opmars, gepaard aan een beestachtig optreden tegenover de burgerbevolking: regelrechte moordpartijen, fusillades en brandstichtingen waren dagelijkse kost. Een treurige hoofdrol in de bestialisering van de oorlog was weggelegd voor een speciale afdeling van de cavalerie, die zich van de gebruikelijke pickelhauben onderscheidde door de tschapka, een helm met een soort aambeeld’ erop: De blinde terreur tijdens en na de inname van steden en dorpen werd meestal ingeleid door een gedeelte van de Duitse voorhoede, de gevreesde Ulanen, ruiters uitgerust met sabels en lansen, die ver voor de hoofdmacht opereerden en bijzonder wreed optraden.

In Nederland begon de afschuwelijke werkelijkheid nu ook door te dringen en groeide de warme sympathie voor de Belgische verdediger even hard als de antipathie voor de aanvaller: Steeds afschuwelijker weerzinwekkender is de wijze waarop het arme heldhaftige België wordt bestreden. Niet genoeg dat de rijen zijner strijders elken dag worden gedund, ook zijne burgerlijke bevolking wordt allengs uitgemoord met alle ten dienste staande middelen. Dorpen zijn platgebrand, burgers en priesters gefusilleerd, verwoestingen door bomaanslagen aangericht en nog altijd is de maat niet vol. Dit vergrijp aan de rechten der menschheid is zonder precedent in de geschiedenis 8.
Het duurde niet lang of de strijd tegen Duitsland werd gezien als het redden van de beschaafde wereld. Het meer gemoedelijke ‘alter Fritz’ maakte plaats voor de scheldwoorden mof, boche en hun, al naargelang het taalgebied. De Engelse admiraal Louis Alexander Von Battenberg noemde zich voortaan Mountbatten.

3.1 Bij klokkengelui en aanplakking

3.   Augustus: de eerste oorlogsmaand

3.1   Bij klokkengelui en aanplakking

In een buitengewone gezamenlijke vergadering van beide Kamers der Staten-Generaal sprak premier Cort van der Linden bij het uitbreken van de oorlog op 3 augustus 1914 op flinke toon Wij zijn gereed en besloten om onze onzijdigheid en, moet het, ons volksbestaan te handhaven met al onze krachten. De ferme taal kon echter een groot gevoel van opluchting niet verhelen, want Nederland bevond zich in een vergelijkbare en dus even kwetsbare positie als België. De regering kende alleen de oorspronkelijke versie van het ‘Schlieffenplan’, waarbij het Duitse leger ook door Nederlands Limburg zou trekken. Dat de chef van de Duitse generale staf, Von Moltke al jarenlang het plan verknutseld had, liet hij ons land pas op 2 augustus weten met de verzekering om de Nederlandse neutraliteit op de meest stipte wijze te eerbiedigen.
We mochten hiermee onze handen dichtknijpen, want Nederland was – net als België – bepaald niet gereed zoals de minister-president beweerde. Aan een onjuiste inschatting van de internationale situatie lag dit niet. De Minister van Oorlog (zo martiaal heette die functie toen nog!), M. Bosboom, vond op 25 juli (de dag van het Servische antwoord op het Oostenrijkse ultimatum) de situatie op de Balkan zo dreigend, dat hij, op eigen houtje nog wel, een  vooralarm afgaf voor een mobilisatie 9. Koningin Wilhelmina, hyperkritisch als het ging om de (ontoereikende) gevechtskracht van de Nederlandse krijgsmacht, ging dit niet ver genoeg en drong in overleg met de ministerraad aan op verdere militaire maatregelen. De Koninklijke ongerustheid was gegrond: de Nederlandse krijgsmacht was kwalitatief en kwantitatief om te huilen. Het bestond in hoofdzaak uit militie, een leger met vrijwel alleen dienstplichtigen en uit landweer, formaties vrijwilligers van weerbare mannen, een soort reservekorps, dat in tijd van nood onder de wapenen geroepen kon worden. 
Over de omvang maakte trouwens ook Bosboom zich geen illusies. De cijfers, die destijds genoemd werden, ook in de buitenlandsche pers, waren sterk overdreven. Zelfs in de Tweede Kamer waar men, na raadpleging van het eigen archief het vrij nauwkeurig had kunnen weten, giste men dat wij 300.000 man uitbrachten. Begrijpelijkerwijze liet ik de heeren, die mij daarmede aanklampten, maar in het onzekere; onder de gegeven omstandigheden kon het geen kwaad, dat de loslippigen onder hen dat cijfer vasthielden 10. Maar een alternatief was er niet en als er gevochten moest worden, zou het toch van onze Jan Kanon afhangen. Na de oorlogsverklaring van Oostenrijk-Hongarije aan Servië op 28 juli stuurde de regering een officiële neutraliteitsproclamatie naar alle potentiële oorlogvoerenden. Het handhaven van de volstrekte onzijdigheid had absolute prioriteit en iedere hulp aan vluchtelingen bleef hier vooralsnog aan ondergeschikt.

In Hulst luidden, zoals overal in Nederland,  op 31 juli 1914 de kerkklokken en hingen er affiches aangeplakt. Hare Majesteit had haar handtekening gezet onder het Koninklijk Besluit tot algemene mobilisatie. Opmerkelijk, want behalve Servië en Oostenrijk had de 31e juli nog geen enkel land gemobiliseerd. Het Hulsterblad kopte op zaterdag 1 augustus Bij klokkengelui en aanplakking is gisteren door Nederland de volledige mobilisatie van alle lichtingen militie en landweer aangekondigd. Met de oproeping onder de wapenen van de tot de landweer behoorenden, die deel uitmaken van
de landweergrenswacht,
de landweerkustwacht en
de landweerbewakingsdetachementen
kreeg het vlak bij de grens gelegen Hulst indringend te maken met het militaire aspect.

De Minister van Landbouw, Handel en Nijverheid, Treub, jubelde: De wijze waarop zij van stapel liep, ligt nog versch in ieders geheugen. Zij was in een woord onberispelijk. Binnen drie à vier dagen was zij geheel voltooid 11. In Hulst was zij inderdaad op 4 augustus precies op tijd gereed, want de eerste vluchtelingen dienden zich al aan. 
Eerst moest de ‘parate hap’ zelf ondergebracht worden en dat ging hier niet zonder slag of stoot. In Hulst bestond al geen overschot aan woonruimte, maar volgens art. 32 van de Inkwartieringswet rust op de gemeenten en de ingezetenen de verplichting daarvoor het noodige te verschaffen. Voor een gedeelte werd daaraan voldaan door de manschappen bij de ingezetenen in te kwartieren 12. Aan het inlegeren van militairen was niet te ontkomen en het enthousiasme was niet bijster groot. De gemeente moest daarom boven de rijksvergoeding met een bijslag per ingekwartierde militairen per persoon per dag komen om particulieren te porren 13.

Afbeelding 10 (digitaal.dezb.nl record nr. 24162, foto oktober 1914)

Kapitein Mathol de Jong, de commandant van de compagnie van het 14e regiment infanterie uit Middelburg, was met zijn garnizoen in Hulst gelegerd. Hij moest van zijn bijzondere bevoegdheden gebruik maken, d.w.z. onder dwang, om zijn manschappen behoorlijk te kunnen huisvesten, maar toch  lukte dat slechts ten dele. De militairen van dit regiment waren belast met de bewaking van het grensgedeelte tussen Koewacht en Clinge.

Ondanks de inkwartiering bij particulieren was nog lang niet iedereen onder dak en commandant Mathol de Jong maakte gebruik van zijn bevoegdheid om ogenblikkelijk openbare gebouwen te onteigenen en in bezit te nemen 14. Dat gaf de nodige strubbelingen, want  de ambachtsschool en het stadhuis moesten eraan geloven, waarbij de archivaris moest toezien, dat zelfs de archiefruimten werden bevolkt. Ten slotte bleek het toch nog nodig een deel van de manschappen in een tentenkamp direct buiten wallen onder te brengen en diende de ‘longeertent’  in het Galgenbolwerk als veldkeuken en menageloods 15.
Het was dus behelpen met de huisvesting en juist toen met de grootste moeite iedere militair onderdak had gekregen, begon de gestaag groeiende toevloed van vluchtelingen uit België.   

3.2 De eerste vluchtelingen van augustus

Een dubbele poort als vluchtweg

3.2   De eerste vluchtelingen van augustus

Te midden van de ongewone drukte door de toenemende instroom van uitgeweken zuiderburen ‘stoomde’ op dinsdag 4 en woensdag 5 augustus met de tram een bijzondere categorie vluchtelingen de stad binnen: 
Ten gevolge van den oorlogstoestand, hebben alle werklieden van hier en uit de omliggende gemeenten, die in Duitschland verbleven, dat land moeten verlaten. Vooral Dinsdag en Woensdagavond bracht de avondtram er velen aan. Hierdoor loopen nu zeer veel menschen om werk te zoeken, dat in den landbouw thans wel zou te krijgen zijn als het weer niet zo tegenging’ 16.
In het kielzog van George Levin (zie par. 2.1) maakten veel Duitse rijksgenoten, Oostenrijkers en ook heel wat Belgen van Duitse en Oostenrijkse afkomst dat ze uit België wegkwamen, bang voor de  weerwraak. In overvolle treinen kwamen ze via Maastricht en Roosendaal in Nederland aan. Via de laatste plaats kwamen er op 4, 5 en 6 augustus zeker 60.000 tot 80.000 Nederland binnen. De plaatselijke autoriteiten wisten een groot deel van hen ‘spoorslags’ door te sturen naar het Duitse Goch, maar een onbekend aantal verdween in de mêlee en waaierde uit, ook naar Zeeuwsch-Vlaanderen en Hulst 17. Een vijftiental Belgen van Duitse afkomst meldde zich bij binnenkomst in en vertrek uit Hulst netjes bij de plaatselijke autoriteiten aan, maar dat deed niet iedereen 18.
Gezinnen, die ondersteuning behoefden, waren er aanvankelijk nog maar weinig. De eerste, relatief grote groepen vluchtelingen, die zich van meet af aan en voor langere tijd in Hulst en elders vestigden, waren de gegoeden en rijken. Volgens het in september opgerichte Hulster steuncomité kwamen de bemiddelde zuidergeburen vooral uit het ‘Land van Waas’ en met name uit de omgeving van Dendermonde in een gestage stroom naar hier, zodat eind augustus het hele stadje volgepropt was met financieel draagkrachtige Belgen. Zij maakten, naar verluid 1500 in getal, bijna de helft van de eigen bevolking uit 19.

Afbeelding 11 (digitaal.dezb.nl recordnr. 8826; foto Th. van der Biest).

Op het trottoir voor de voorgevels van de drie aaneengesloten panden, die aan de Grote Markt samen het Hotel Brand vormden, is een groep welgestelde mannelijke Belgische vluchtelingen gezeten. Alle hotels en logementen, maar ook woningen van de plaatselijke elite, waren bevolkt met de graag geziene bemiddelde uitgewekenen. Tussen de twee ramen op de eerste verdieping van het middelste pand prijkt aan de muur het symbool van het hotel: Het Bonte Hert.

De meer gefortuneerde gasten namen vanzelfsprekend alleen genoegen met de beste onderkomens en zij kwamen veel gemakkelijker aan logies dan de minder bemiddelden en de militairen. Omdat zij zichzelf konden bedruipen, kon er met hen goed garen worden gesponnen en ze waren dan ook graag geziene klanten bij de neringdoenden. Het commerciële bloed kroop waar het niet gaan kon en al snel werden aan bemiddelde vluchtelingen en gelegerde militairen (veel) te hoge prijzen berekend. Er was een vet gedrukte officiële proclamatie van burgemeester Frans van Waesberghe voor nodig om de prijsopdrijving te beteugelen: voorts worden de handelaars in levensmiddelen ernstig gewaarschuwd zich niet over te geven aan overvraging wat betreft de prijzen voor levensmiddelen ten behoeve van de bevolking en van de weermacht. De waarschuwing hielp echter niet en werd daarom enige keren herhaald met zwaarder verbaal geschut en het vooruitzicht van sancties. Toen zelfs dat nog geen indruk maakte, werden er enige duidelijke voorbeelden  gesteld en dat had veel meer effect 20.
De prijsopdrijving hier was geen op zichzelf staand verschijnsel, maar een symptoom van een landelijke economische crisissituatie. Overal namen mensen het zekere voor het onzekere, stelden hun bezit veilig en hamsterden eerste levensbehoeften. Papieren geld heette niets meer waard te zijn en dit veroorzaakte stormlopen op banken om papieren geld in klinkende munt om te zetten en tegoeden op te vragen. Een deel van deze saldi werd opgepot dat het een lust was en met de rest vormden moeders lange rijen om winkeliers te verlossen van hun voorraden. De prijzen rezen de pan uit, terwijl gemunt geld in ijltempo uit de roulatie verdween. De minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, Treub reageerde met enige economische noodwetten, die de burgemeesters grotere bevoegdheden gaf. Circulaires van hogerhand en daaropvolgende lokale bekendmakingen geven aan dat ook in Hulst de economische situatie verhit was. 
Geschrokken van de economische wanorde, in combinatie met het feit dat Limburg al overlopen werd met vluchtelingen, opteerde het Algemeen Handelsblad van 6 augustus voor een landelijk particulier hulpcomité. Het is al veelzeggend, dat op de tweede dag van de oorlog niet de overheid, maar  particulieren anticipeerden op het naderende vluchtelingenprobleem.  Zij namen de suggestie van het Handelsblad over en stichtten het Nederlandsch Comité tot steun van Belgische en andere slachtoffers van den Oorlog, dat vanwege de lange naam Amsterdamsch Comité werd genoemd. Deze commissie zocht in het begin vooral structuur aan te brengen in de wirwar van spontaan ontluikende plaatselijke en provinciale hulpcomités – het zouden er zo’n 500 worden – en hun  contacten met de verschillende overheden te coördineren. Naar goed gebruik moesten collecten de nodige penningen voor de financiering opbrengen, met als eerste gift van regeringswege een schenking van ‘Hare Majesteit’. Het staatshoofd was overigens ook niet te beroerd om een deel van het koninklijk wagenpark ter beschikking te stellen. Hulst en andere grenssteden in de regio zijn regelmatig per ‘royale’ auto aldus bevoorraad.

Afbeelding 12
(Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel IV, nr 155-74)

Frans J.L.M. van Waesberghe, burgemeester van Hulst van 1894 tot 1925.

Zijn bestuurlijke positie was tijdens de Eerste Wereldoorlog niet zo benijdenswaardig. Door het uitroepen van achtereenvolgens de ‘staat van oorlog’ en de ‘staat van beleg’ waren zijn bevoegdheden flink uitgehold. Hij moest wijs zien te worden uit en zich houden aan een groeiende hoeveelheid elkaar vaak overlappende en tegenstrijdige overheidscirculaires. Verrassenderwijze maakte hij geen deel uit van het bestuur van het in Hulst opgerichte plaatselijke steuncomité en stond hij daarom bij de organisatie van de vluchtelingenhulp feitelijk aan de zijlijn.

Amper had de burgemeester grotere bevoegdheden op economisch gebied gekregen of de regering verklaarde de drie zuidelijke provincies en Gelderland bezuiden de Waal op 10 augustus in ‘staat van oorlog’ 21. Het Militair Gezag kreeg nu meer bevoegdheden ten koste van het burgerlijke bestuur, een grondwettelijke beperking van de vrijheid voor iedereen. Het Hulsterblad kondigde af dat eenieder die geen gehoor geeft aan den aanroep of het bevel van een schildwacht, zich aan levensgevaar blootstelt en dat het Militair Gezag aan een ieder heeft verboden, berichten en opmerkingen betreffende militaire maatregelen, hetzij dmv de drukpers, of op andere wijze bekend te maken. De burgemeester had alleen nog het recht van overleg, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de krant van 27 augustus 1914:
De Burgemeester van Hulst maakt, in overleg met de militaire overheid bekend.
1. dat de ingezetenen dezer gemeente verplicht zijn om van de opneming van vreemdelingen in hunne woningen, onmiddellijk kennis te geven ter secretarie dezer gemeente.
2. 
Dat vreemdelingen verplicht zijn ten spoedigste na hunne aankomst te Hulst voor tijdelijk verblijf hunne identiteitsbewijzen ter secretarie te laten viseeren.

Ondanks deze twee verplichtingen bleef de registratie onvolledig en zou even later toch totaal onmogelijk worden toen de hel losbrak na de val van Antwerpen.

3.3 De centrale overheid: traditioneel temporiseren

3.3   De centrale overheid: traditioneel temporiseren

De rol van de regering met betrekking tot de opvang van vluchtelingen in Hulst in de eerste weken is onduidelijk. Veel activiteit, laat staan een beleidslijn van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, waaronder ‘Vluchtelingen’ ressorteerde, is uit inkomende ambtelijke correspondentie hier niet te traceren. Dit lijkt een ‘argumentum e silentio’ 22 voor de veronderstelling, dat de overheid de zorg voor vluchtelingen traditiegetrouw nog steeds overliet aan charitatieve particuliere instellingen en lagere overheden. Bemiddelde vluchtelingen waren feitelijk geen probleem. En arme vluchtelingen hoorden volgens de toenmalige denktrant toch tot de armenzorg, er kwam er gewoon een categorie armen bij 23.
Voordat de massale zondvloed aan uitgewekenen losbrak lijkt Hulst in dit opzicht een afspiegeling van de landelijke trend. Van georganiseerde steun door ingezeten was geen sprake en de aanwezigheid van een ’groot aantal gefortuneerde vreemdelingen gaf aan het kleine stadje Hulst zelfs iets levendigs, vond men 24.
Pas als filantropische organisaties en lagere bestuursorganen te kennen gaven het niet meer alleen af te kunnen, kwam de centrale overheid knarsetandend in actie. Lang hoefde het kabinet niet te wachten. De gemeenten in de provincie Limburg zaten begin augustus al meteen met de handen in het haar: De eerste vluchtelingen, afkomstig uit de provincies Belgisch Limburg en Luik, staken al in de eerste oorlogsdagen de Zuidlimburgse grens over. Rond 20 augustus hadden al zo ‘n zesduizend Belgen hun toevlucht in de Limburgse grensstreek gezocht. Zij hadden vreselijke ervaringen achter de rug, waren berooid en velen kwamen in rouw ons land binnen 25.
De commissaris der Koningin in Limburg, G. Ruys de Beerenbrouck, coördineerde als een soort eenmanscomité de toestroom, d.w.z. zo goed en vooral zo kwaad mogelijk improviseren zonder steun van de centrale overheid. Al na een week telegrafeerde hij aan Den Haag, dat Limburg de zorg niet meer alleen kon dragen. Het alarm van de Limburgse gouverneur leidde op 15 augustus tot de ‘ad hoc’ maatregel van premier Cort van der Linden dat in Limburg aanwezige onbemiddelde vluchtelingen op Rijkskosten zouden worden gevoed 26. Bij het vooralsnog uitblijven van een nationale regeling bleef ook Hulst voorlopig van regeringssteun verstoken, terwijl door het oorlogsverloop langzaam maar zeker steeds meer vluchtelingen de stad binnenkwamen. 

Afbeelding 13 (nationaalarchief.nl, collectie Spaarnestad Photo; fotografische kopie van een schilderij van Piet van der Helm.)
Het kabinet-Cort van der Linden (1913-1918), als een eerbiedwaardige groep regenten in de Tweede Kamer poserend. Na de verkiezingen van 1913 bleek noch een meerderheids- noch een minderheidskabinet mogelijk. Het toen gevormde ‘zakenkabinet’ 27 bleef vanwege de Eerste Wereldoorlog vijf jaar in functie. Omdat deze regering Nederland uit de oorlog wist te houden kwam het er qua waardering relatief goed van af. De houding tegenover en aanpak van de immense vluchtelingenstroom was echter veel minder fraai. Men kwam eigenlijk pas in actie uit angst voor een groeiende anti-Duitse stemming door de verhalen over de Duitse wreedheden, die de uitgewekenen meenamen en omdat de militaire commandanten in de zuidelijke provincies steen en been klaagden over de  grote schare vluchtelingen, die het handhaven van de landsverdediging in ernstige mate belemmerden.

3.4 Meer drenkelingen en wrakstukken over de grens

3.4   Meer drenkelingen en wrakstukken over de grens

De toestroom van vluchtelingen in de drie zuidelijke provincies en dus ook in Hulst was een afspiegeling van het oorlogsgewoel in België.
Na de val van Luik was er geen houden meer aan. Per dag kwamen ca. 500(!) Duitse troepentreinen België binnen, zodat daar in korte tijd meer dan 1 miljoen man aan de strijd deelnam. Een nieuw offensief op 18 augustus brak de weerstand van het Belgische leger definitief en regering en leger werden ijlings naar het veilig geachte Antwerpen overgebracht. Brussel werd daarmee op 20 augustus onverdedigd overgegeven en de systematische verwoesting van de Naamse forten was slechts een kwestie van tijd. Het gebruikte geschut, kaliber Dikke Bertha was dermate zwaar, dat het onheilspellende gerommel van de naderende artillerie hier in de regio al werd gehoord. 
In de nacht van 24 op 25 augustus, Namen was die dag gevallen en gebrandschat, schrok Hulst wakker van een twijfelachtige primeur in de geschiedenis van de militaire oorlogvoering: de eerste bomaanval door middel van een zeppelin. Boven Antwerpen verscheen nagenoeg geruisloos een zeppelin, van waaruit negen bommen op de stad werden gegooid.  Dit zou tot aan de overgave van de stad nog ettelijke keren gebeuren en droeg bij tot toenemende paniek onder de Belgische burgerbevolking.
De 22e augustus nam het Hulsterblad een citaat uit De Tijd over: ‘s Avonds reeds maakte een algemeene schrik zich van den bevolking meester. In Brussel en Antwerpen kwamen treinen vol vluchtelingen aan uit de richtingen Tirlemont, Aerschot en Diest. Ook over de Nederlandsche grens vluchtten honderden Belgen de provincie Noord-Brabant binnen. In Brussel kwam weldra het bericht dat de groote slag was begonnen en de Belgen de nederlaag hadden geleden. In onze streek aangekomen vluchtelingen deden verschrikkelijke verhalen. Alles was gevlucht op den uitroep van wijkende soldaten ‘Vlucht, vlucht! De Pruisen’ In woeste vaart stormde het arme volk vooruit, velen in nachtgewaad, op bloote voeten, alles achterlatende om te trachten het leven te redden. Onmenschelijke daden zouden bedreven zijn door Duitsche cavaleriepatrouilles, die niemand zouden gespaard hebben … Intusschen is in het Noorden van België het Duitsche leger nog steeds voortgerukt en heeft het belangrijke versterkingen gekregen.
Barbaarse terechtstellingen van burgers en vernietiging van cultuurgoed gingen door. Andenne, Tamines, Dinant, Aarschot en vooral Leuven zijn beruchte voorbeelden. In totaal kan Duitsland verantwoordelijk gesteld worden voor de opzettelijke dood van zo’n 5000 burgers. In Hulst kwamen nu beduidend meer vluchtelingen binnen, behalve uit het Waasland nu ook uit de frontgebieden en met name uit de hoofdstad zelf en haar voorsteden Anderlecht, Etterbeek, Jette St. Pierre, Laken en Schaerbeek 26.
Vanaf de 21e augustus waren alle actieve korpsen van de Duitsers naar zuidelijke richting afgebogen en de 23e bereikten  de eersten de grens met Frankrijk. De ‘Slag aan de Marne’ stond op het punt van beginnen. Nu het zwaartepunt van de oorlog naar Noord-Frankrijk was verschoven werd de ‘Sinjorenvesting’ Antwerpen niet alleen hét operationele verdedigingswerk en ravitailleringspunt, maar ook het nationale symbool voor heel bang België.

Afbeelding 14 (magazine Lectures pour vous).

Om Antwerpen en zijn fortengordel in te kunnen nemen maakten de Duitsers onder meer een omtrekkende beweging om de Schelde over te steken in Dendermonde. Hoewel er in de stad geen Belgische militair meer te bekennen was en het gros van de inwoners de wijk had genomen, waren de Duitsers – zoals steeds – vreselijk bang voor sluipschutters. Op 4 september dreven zij een aantal achtergeblevenen als een menselijk schild door de straten en de dag daarna staken ze de stad systematisch huis voor huis in brand. Dendermonde was slechts een van de vele steden, die zwaar te lijden hadden onder de gruweldaden van de nietsontziende aanvaller.

Laatste updates

Datum

04-08-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

De galerij  ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’ is aangevuld met twee foto’s uit het Zeeuws Archief.

Datum

05-07-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuwe galerij toegevoegd, getiteld ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’, over de adellijke familie Collot d’Escury.

Datum

03-2024

Uit de categorie ‘Historische Fotogalerij’ verplaatst naar ‘Hulst Historisch Kort’:

De fotogalerij Veertig jaar veelkleurigheid over de schilderingen in het katholieke deel van de kerk te Hulst omgewerkt tot artikel.

Datum

01-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuw artikel ‘Hulst 1914-1918’, een neutraal grensgebied in de ‘Eerste Wereldoorlog’.

Datum

12-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over De Heilige Kindsheid uitgebreid met beeldmateriaal en beschrijving van Kindheidsoptochten in de kernen.

Datum

11-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over Casimier Lambin grondig herzien en uitgebreid, met name met aanvullende informatie uit zijn faillissementsdossier.

Uw inschrijving kon niet worden opgeslagen. Probeer het opnieuw.
U bent met succes aangemeld voor onze nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief