5.4 Met zachte drang

5.4.   Met zachte drang

Op 19 oktober 1914 verscheen in het Hulsterblad een openbare bekendmaking van burgemeester van Waesberghe, die op grond van de staat van beleg eerst voor censuur langs de plaatselijke militaire commandant was gegaan. De mededeling vloeide voort uit de circulaire van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van  17 oktober, waarin de gemeentebesturen de opdracht kregen de terugkeer van de vluchtelingen te bevorderen:  de Burgemeester van Hulst brengt ter algemene kennis dat de mededeeling is ontvangen dat het Duitsche opperbevel de terugkeer van de Belgische Vluchtelingen heeft toegestaan en raadt hun daarom rustig aan naar hunne woonplaatsen terug te keeren. Dit soort proclamaties verscheen in alle gemeenten met vluchtelingen, het directe resultaat van intensief diplomatiek verkeer in de tweede oktoberweek tussen het Antwerps gemeentebestuur, de Nederlandse regering en de Duitse bezettingsmacht in België. Voor de laatste was iedere leegloop in België uit economisch oogpunt zeer ongunstig. 

Afbeelding 38 (regionaalarchieftilburg.nl)

De Belgische burgervluchtelingen in Nederland, van wie het aantal door de aanval op Antwerpen plotseling drastisch was toegenomen, moesten volgens de Nederlandse regering en de Duitse autoriteiten in het bezette België zo snel mogelijk naar hun woonplaatsen terugkeren. De groep uitgewekenen hier op de foto bevindt zich in de trein, klaar voor vertrek 1. Vóór het treinrijtuig poseren (vermoedelijk) enkele van de alom aanwezige leden van steuncomité’s, die hulp boden, waar zij konden. Deze zuiderbruren gingen dankzij hen niet met een lege maag  huiswaarts. 

In geen enkele officiële bekendmaking, die opriep tot terugkeer naar België, werd de specifieke doelgroep bij name genoemd, maar de aansporing was uitsluitend voor de behoeftigen onder de vluchtelingen. Er werd alles aan gedaan om hen door middel van positieve stimulansen ertoe aan te zetten om te vertrekken. De Nederlandse overheid betaalde de treinkaartjes tot de Belgische grens, de Duitse bezetter de verdere reis in België. In Zeeland gold bovendien ook nog reisgeldvergoeding voor de tram en voor het vervoer over water. Kranten kwamen (al dan niet op aandringen van burgemeesters) met geruststellende berichten van ooggetuigen, die beweerden, dat het in het bezette België allemaal weer dik in orde was. De Duitse machthebber had zelfs veiligheidsgaranties afgegeven 2. Her en der waren haastig Belgisch-Nederlandse inlichtingenbureaus uit de grond gestampt en werden er sprekers, die het vertrouwen konden hebben van de gevluchte Belgen, rondgezonden.
Het kabinet-Cort van der Linden beproefde deze fluwelen tactiek in meerdere circulaires ook bij de burgemeesters, die verzocht werden de vluchtelingen met zachte drang tot terugkeer te bewegen. Ook werd bij de gemeentebesturen de lijmstok gehanteerd met de belofte om alle kosten in verband met de terugkeer van de uitgewekenen te vergoeden.
Het toch weer vage woordgebruik ‘zachte drang’ zorgde voor heel uiteenlopende interpretaties. Er waren gemeenten, die het begrip gelijk stelden aan het nemen van straffe maatregelen, waarbij enkele burgemeesters  het wel heel bont maakten door de vluchtelingen te bevelen om direct op te stappen 3. Andere, zoals in Hulst, oefenden juist helemaal geen drang uit. Burgemeester Van Waesberge liet aan het provinciebestuur als reactie telegraferen 4:  Commissaris Koningin Middelburg Menschen vertrouwen de zaak nog niet wenschen vooreerst nog af te wachten gisteren werd het kanon weer gehoord hetgeen niet geruststellend werkt vele mannen willen eerst een kijkje nemen en daarna besluiten Burgemeester van Hulst Van Waesberghe 5.

 

Afbeelding 39 (De Roodt, blz. 150)

Ook na de massale toevloed van Belgische vluchtelingen begin oktober 1914 bestond de opvang grotendeels uit goedbedoelde, maar volkomen ontoereikende provisorische onderkomens. De ontheemden op de foto zitten in de kale onverwarmde kamer van een leegstaand pand met een minimum aan stro op de grond voor de nacht. Ondanks de veelal belabberde huisvesting en de ‘zachte drang’ gaven velen er toch de voorkeur aan in Nederland te blijven.

Door de voorspoedige onderhandelingen met de gemeente Antwerpen en de Duitse bezetter in België sprak premier Cort van der Linden  triomfantelijk al erg vlug van De Groote Terugkeer naar België dagen. Maar hij had te vroeg hoera geroepen. Van hen, die inderdaad  naar hunne haardsteden waren gegaan, keerden er weer heel wat terug, vaak met medeneming van anderen 6. Door de verhalen, die zij meebrachten, hadden de achterblijvers in Nederlanden geen enkele reden meer om te vertrekken. Veel huizen in  België waren verwoest of uitgeplunderd, vee was gedood, gestolen of in beslag genomen, ondanks de schone beloften bestond er een grote werkloosheid en de Duitse bezetter werd gewantrouwd en gevreesd.
Eerst nu, het was inmiddels al november geworden, kwam dan eindelijk het besef, liet de Nederlandse regering de afwachtende houding varen en ging zich noodgedwongen instellen op een bestendig verblijf van een groot aantal ontwortelden. 

6.1 Met hardere drang

6.1.   Met hardere drang

Nu het tot de regering was doorgedrongen, dat Nederland veel langer gastheer moest spelen, werd een beleid opgetuigd voor het inrichten van een beperkt aantal zeer grote zogeheten ‘vluchtoorden’ voor alle onbemiddelde refugié’s, die niet naar hun vaderland wilden terugkeren. Een concentratie in centra van overheidswege zou meerdere voordelen hebben, zo werd gedacht.

-De gemeenten kon men ontlasten van de praktische hulpverlening en de kosten ervan.
– De aan de grenzen van de drie zuidelijke provincies gelegerde militairen zouden hun taken beter kunnen uitvoeren.
– Bestendige vluchtoorden waren in kwalitatief opzicht te prefereren boven het vaak armzalige onderdak van het moment
– De centrale overheid verschafte zich met een centrale opvang een veel beter inzicht in en controle op het gedrag van vluchtelingen.
– De centrale opvang zou een aanzienlijke besparing kunnen zijn ten opzichte van het bekostigen van armlastigen door de gemeenten.

Omdat het uitrollen van het nieuwe beleid echter op het moment kwam, dat het land al overvol zat met ontheemden, kon van een kwalitatieve verbetering op korte termijn geen sprake zijn. De beoogde ‘regeringskampen’ moesten immers nog gebouwd worden en de vele vluchtelingen, die tussen half oktober en half november verplaatst werden, kwamen daardoor van de ene improvisatie in de andere terecht. Symptomatisch voor de niet voorbereide aanpak was het regeringstelegram, dat Hulst (en andere gemeenten) op 14 november 1914 via het provinciebestuur ontvingen: Gelijk UH.E. G. bekend is, ligt het in mijn voornemen de Belgische vluchtelingen zooveel mogelijk onder te brengen in regeeringskampen en wordt de oprichting van zoodanige nieuwe kampen voorbereid. Wellicht zouden daarbij van groot nut kunnen zijn, kramen, caroussels en dergelijke inrichtingen, die gewoonlijk op kermissen worden opgeslagen[ note]GAH W 59, provinciale circulaire A 4822, 13-11-1914.[/note].

Afbeelding 40 (geschiedkundigekringboz.nl).
Niet na gigantische toevloed van vluchtelingen begin oktober 1914, maar pas daarna, toen bleek, dat velen niet wilden terugkeren naar het bezette Belgische vaderland,  drong het tot de Nederlandse regering door, dat er permanente ‘vluchtoorden’ voor grote aantallen mensen nodig waren. Omdat deze faciliteiten nog ontbraken, werd in deze lacune voorzien met haastig  in elkaar geflanste noodvoorzieningen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit deze foto, waarop een groep bewoners dt zich voor het oog van de camera vertoont in ‘Kijk in de Pot’, een van de twee  tentenkampen aan de rand van Bergen op Zoom. Het snelle alternatief bij gebrek aan barakken was de enkeldags legertent, model witte wigwam, een ronduit belabberd onderkomen met de winter voor de deur.

Gezien de enorme tijdsdruk was kwantiteit het enige credo, het aanreiken van enig comfort was hieraan volkomen ondergeschikt. Een dak en directe beschikbaarheid waren als  criteria voldoende om een constructie als ‘voorlopig vluchtoord’ in gebruik te nemen. In Gouda bivakkeerden de uitgewekenen in het kassencomplex van een snijgroentenkwekerij, in Roosendaal in de leegstaande suikerfabriek Java, het stationscomplex in Baarle-Nassau, te Scheveningen in het Circustheater, op de artillerieschietplaats bij Oldebroek (nu ’t Harde) in barakken en in kadeloodsen aan het IJ in Amsterdam 7. Waar bouwwerken ontbraken werden enkele reusachtige tentendorpen uit de grond gestampt. In de loop van oktober verrezen  onderkomens van tentdoek op twee militaire oefenterreinen bij Bergen op Zoom en één in de gemeente Hontenisse aan de weg van Walsoorden naar Hulst (langs de Hulsterweg) 8. De levensomstandigheden in de geïmproviseerde tentendorpen waren gewoonweg afgrijselijk. Voor massale bewoning waren deze ‘bivaktenten’ voor het leger totaal ongeschikt. Er was niet veel wind nodig om ze in de lucht te laten vliegen en de enkeldaks bedoeking bood geen enkele bescherming tegen de matige tot strenge vorst (-10˚ ’s nachts), die op 22 november 1914 inviel.

Afbeelding 41 (Jansen-Verplanke). 

Half november 1914 had het vluchtoord Hontenisse nog nauwelijks de eerste fase van de opbouw bereikt. De foto geeft genadeloos weer, waarom deze kampeerplaats bij de gebruikers al snel eerst ‘modderkamp’ heette en toen het begon te vriezen ‘knuistkamp’  9. De houten gebouwtjes op de achtergrond waren alleen bestemd voor de gemeenschappelijke voorzieningen, woonbarakken kwamen er pas later.

Het streven was om zo snel mogelijk een einde te maken aan de snijdende koude van het ’tentensysteem’ door middel van de al deels gestarte bouw van grote  barakkenkampen voor de lagere sociale klassen. Er werd verwoed getimmerd, maar duurde het toch relatief lang voordat de centrale vluchtoorden (successievelijk) in gebruik konden worden genomen. Nunspeet kwam vanaf eind november in gebruik, Gouda 10 was eind december klaar, Ede en Uden werden pas voorjaar 1915 opgeleverd. Veenhuizen bleef gehandhaafd als inrichting voor de meest ongewenste elementen (zie par. 3.5 en bijschrift bij afbeelding 15). Het reeds sinds augustus 1914 in bedrijf zijnde kamp Oldebroek, viel als opvanglocatie voor burgervluchtingen in januari 1915 weg, omdat het alleen nog bestemd was voor het interneren van militairen.

Voor de gemeentebesturen en de steuncomité’s werd het met de zich uitdijende organisatie van de ‘regeringskampen’ alleen maar ingewikkelder. De leiding over de ‘vluchtoorden’ werd door Den Haag in handen gelegd van twee instanties, de Centrale Commissie en de regeringscommissaris in de provincie. Deze dualiteit was niet bevorderlijk voor de zo broodnodige effectiviteit  11. De reeds bestaande regeling van de overheidsbijdrage van f 0,35 per volwassene en f 0,20  per kind per dag voor de onbemiddelde vluchtelingen in de gemeenten bleef gewoon bestaan. Deze vorm van hulpverlening stond haaks op het concentratiebeleid en was dus een potentiële rem op het aantal vluchtelingen, dat naar de permanente oorden moest worden opgestuurd. De tegenstrijdigheid in het beleid leidde bij besturen van gemeenten en bij lokale particuliere hulporganisaties tot verwarring. Zij wisten vaak niet of de centrale opvang van regeringswege of de voortzetting van de lokale hulpverlening voorrang had. 
Deze tweevoudigheid in de Nederlandse opvang van vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog is tot aan het einde blijven bestaan. 

6.2 Het Circulaire-Circus

6.2.   Het Circulaire-Circus

Begin november 1914 was het aantal vluchtelingen in Hulst sterk verminderd. Veel Belgen waren naar huis teruggekeerd, doorgereisd of – in mindere mate – naar de ‘voorlopige regeringskampen’ overgebracht. Het steuncomité verzorgde op dat moment nog ca. 500 broodeloos zijnde uitgewekenen. Voor een aantal van hen had men geen behoorlijk onderkomen kunnen vinden, want de tenten op de Grote Markt waren nog overvol. Het getal aan bemiddelde uitgewekenen was vanaf het begin van de oorlog stabiel gebleven op ongeveer 2000 personen. 
De dualiteit in het beleid van de centrale overheid om de armere vluchtelingen in regeringskampen op te nemen en het verblijf van de vermogenden in de gemeenten te continueren is in Hulst goed na te gaan.
Het organiseren van de opzendingen naar de vluchtoorden Uden, Nunspeet, Gouda en Ede ging gepaard met een waar ‘circulaire-circus’, dat over de gemeente werd uitgestort. Iedere week moest opgave gedaan worden van het aantal personen, dat voor opzending in aanmerking kwam, iedere maand moesten declaraties betreffende de opvang in de gemeente, inclusief de rekeningen, worden ingediend. Regelmatig werden gedetailleerde opgaven gevraagd van het aantal in de gemeente verblijvende vluchtelingen. Er moesten  inventarissen worden overlegd van de meest uiteenlopende zaken, die de uitgewekenen betroffen, zoals aan hen uitgeleende goederen, de in de gemeente aanwezige voedselvoorraden en brandstoffen, het overleggen van  vaccinatielijsten en andere  stukken. Het beheer van de opvang berustte bij het plaatselijke steuncomité, maar de administratieve rompslomp van de hogere overheden kwam op het bureau van  burgemeester Frans van Waesberghe terecht. Het feit, dat hij geen deel van het comité uitmaakte (zie paragraaf 4.1) lijkt een behoorlijke handicap geweest te zijn. Er zijn tenminste nogal wat aanmaningen gericht – doorgaans afkomstig van de Commissaris van de Koningin in Zeeland – aan Frans van Waesberghe vanwege het niet (tijdig) reageren op schriftelijke correspondentie, in de trant van: Ik heb de eer U te verzoeken ten spoedigste te voldoen aan bovengemelden brief of mij de redenen mede te deelen, welke dit verhinderen[ note]GAH, W 59, passim[/note].
Veel haast om de  armlastige vluchtelingen zo snel mogelijk kwijt te raken, lijkt men hier niet gehad te hebben. Volgens de verslagen van August Poppe, de secretaris-penningmeester van het steuncomité, vertrokken er per maand hooguit een veertigtal. Dit lagere aantal is in zekere zin verrassend, omdat het voor gemeenten – Hulst niet uitgezonderd – ondoenlijk was om de onbemiddelde vluchtelingen zelf te blijven huisvesten en te onderhouden. Hiervoor zijn een drietal redenen.
Eerstens wilden de gemeenten de door de vluchtelingen bevolkte openbare ruimten weer zelf kunnen gebruiken. In Hulst betrof dit vertrekken in het stadhuis, in de openbare lagere school in de Lange Bellingstraat en in de Ambachtsschool in het Houtenkwartier. Men miste de schoollokalen voor het onderwijs node en tijdens de bewoning van vele weken waren de betreffende locaties behoorlijk vervuild en vernield geraakt. 

Afbeelding 42 (digitaal.dezb.nl recordnr. 8737).
Foto uit 1910 van de Openbare Lagere School, rechts aanpalend aan het stadhuis. Tijdens de eerste twee maanden van de Eerste Wereldoorlog waren minvermogende Belgische vluchtelingen in een aantal lokalen van het schoolgebouw ondergebracht. Om de lessen begin november 1914 weer te kunnen hervatten, moest Andries Blommaert, ‘algemeen ontsmetter der Gezondheidscommissie’, in het pand flink aan de slag met de krachtige ontsmettingsmiddelen Creoline, Formaline en Formaldehyde.

De schade aan de verblijfsruimten in het stadhuis en de ambachtsschool was in ieder geval zo groot, dat gemeenteopzichter Freijser en schooldirecteur Van Beusekom een schaderapport lieten opmaken 12. 

Ten tweede begon het aanvankelijke algemene mededogen met de gevluchte Belgen allengs af te nemen. Dit lag deels aan de kosten, die de opvang voor particulieren en gemeentebesturen met zich meebrachten. Voor een groot deel ook aan de onvoorstelbare wanorde van de overstelpende mensenmassa, die als gevolg van de beschieting van Antwerpen over de Nederlandse grens waren binnengevallen. Natuurlijk werd in de dolle dagen van begin oktober iedereen zo goed als het kon geholpen, maar de enorme volksverhuizing bestond voor het grootste deel uit de lagere sociale klassen met de bijbehorende gradaties van armoede en mentaliteit. Te midden van de vele  fatsoenlijke armen bevonden zich ook ongure en gevaarlijke lieden van diverse pluimage: notoire onruststokers, criminelen, die uit gevangenissen waren ontsnapt of vrijgelaten, achterbuurtvolk, patiënten uit psychiatrische inrichtingen – in het gunstigste geval met het verplegend personeel -, prostitués, niet zelden met venerische ziekten, dronkenlappen, zwervers en wat al niet aan ongewenste elementen. Uit ambtelijke circulaires blijkt, dat de overheid hier erg alert op pas en alle medewerking verleende. De burgemeesters kregen frequent de mogelijkheid tot het opgeven van ongewenschte elementen, die zo snel mogelijk naar de inrichting in Veenhuizen werden afgevoerd. Een treffend voorbeeld is het lot van een onderwijzer uit Hamme, die wegens onzedelijke handelingen met minderjarige kinderen een gevangenisstraf uitzat, maar door de Duitsers was vrijgelaten. Voordat hij hier mogelijk kwaad zou kunnen aanrichten, werd hij in Hulst opgepakt en onder geleide naar Veenhuizen vervoerd 13.
Als grensgemeente had Hulst het voordeel, dat allerlei gespuis over de grens met het bezette België kon worden gezet. Dat deze mogelijkheid ook werkelijk werd gebruikt, blijkt onder meer uit de volgende telegrafische mededeling van burgemeester Van Waesberghe aan de Commissaris van de Koningin in Zeeland dat deze week onder de Belgische vluchtelingen een paar elementen zijn aangetroffen die gevaar opleverden voor de openbare rust en voor de goede zeden. Deze twee personen zijn dezer dagen op last van kapitein Mathol de Jong het langer verblijf hier ontzegd en onder geleide over de grens gezet 14.
Ten derde werd de druk op de behoeftige uitgewekenen opgevoerd. Hoewel burgemeesters de beschaafden onder hen  niet naar de permanente vluchtoorden mochten dwingen, was de dreiging van het beëindigen van de financiële vergoeding vaak al genoeg om hen te laten vertrekken. In maart 1915 deed de ministeriële beschikking, die de gemeenten in de zuidelijke provincies toestond om vluchtelingen onder dwang naar regeringskampen te laten overbrengen hier nog een schepje bovenop 15.

Toch voldeed het centraliseren van vluchtelingen in kampen van regeringswege niet aan de verwachtingen, want de maximumcapaciteit werd voor de duur van de oorlog in geen enkel vluchtoord bereikt. Hieraan zijn een tweetal relevante oorzaken debet. 
De eerste was gelegen in de blijvende zeer ongunstige reputatie van het kampsysteem vanaf het moment van invoering. Van enig comfort en privacy was nauwelijks sprake, fatsoenlijke lieden en onbeschaafde elementen werden door elkaar geplaatst, de bittere winterkou in de onverwarmde tenten en barakken, het ontnemen van de persoonlijke vrijheid en een kampregime met de allure van een middeleeuws rasphuis.  

Afbeelding 42 (Verdeijen, foto naast blz. 260).
Om zich een beeld te vormen van de levensomstandigheden in de kampen van regeringswege hadden de Belgische vluchtelingen in Hulst een niet al te positief voorbeeld in de buurt: het ‘modder- en knuistkamp’ Hontenisse (zie paragraaf 6.1, afb. 41 met bijschrift). Was de aanblik van dit oord nog niet genoeg, dan deden de verhalen over dit kamp en de andere dat wel. 

Midden vooraan zijn vier kaderleden gezeten, v.l.n.r. Camiel Cammaert, huisarts in de gemeente Hontenisse; Raymond Verdeijen, plaatsvervangend regeringscommissaris; administrateur H. Duë en de kampcommandant, luitenant Peek. Zij worden omlijst door verpleegsters,  hospikken en militairen van een genie-detachement uit Dordrecht, dat het kamp had opgebouwd en bewaakte.

De tweede reden was gelegen in het feit, dat een steeds grotere groep van de bemiddelde Belgische vluchtelingen het stadium van hulpbehoevendheid bereikte, een pijnlijke en schaamtevolle ervaring voor de getroffenen. Overeenkomstig het regeringsbeleid zou deze bijzondere categorie armen in aanmerking komen voor doorzenden naar de regeringsoorden. Het algemene gevoelen was echter, dat de uitgewekenen uit de gegoede milieus niet in een kamp thuishoorden. 
De Centrale Commissie stelde daarom aan premier Cort van der Linden voor om voor deze mensen de inwoning bij particulieren te laten voortbestaan met een vergoeding door het rijk van f 0,70 per volwassene en f 0,50 per kind per dag. De minister-president voelde hier niets voor en de Kamer moest eraan te pas komen om deze Pauvres honteux of Stille behoeftigen tegemoet te komen. Cort van der Linden moest met grote tegenzin akkoord gaan. Het duurde daarom nog erg lang voordat de door de Kamer afgedwongen vergoedingen door het Rijk aan de gemeenten werden uitbetaald. Zij moesten dus de vergoedingen voor de betere klassen, wier geld was opgeteerd voorschieten. Ten bate van de meer gefortuneerden die door hun geld waren heen geraakt, voegde het plaatselijke steuncomité in januari 1915 het subcomité stille behoeftigen aan zijn organisatie toe 16.
Hoe groot het aantal vluchtelingen in Hulst tussen 1915 en 1918 is geweest, is uit archiefstukken van de gemeente en het steuncomité niet nauwkeurig op te maken. Het getal van de in Hulst verblijvende bemiddelde vluchtelingen bedroeg vermoedelijk een tijdlang ca. 2000, maar nam in de loop van de oorlog flink af tot ca. 500 .  . Al ontbreken de cijfers, zeer waarschijnlijk zijn er in Hulst gedurende oorlog ook armere vluchtelingen gebleven. De secretaris-penningmeester August Poppe bleef in de correspondentie van de regeringscommissaris voor de vluchtelingen in Zeeland en Noord-Brabant immers ‘de bestuurder van het Doorgangshuis voor vluchtelingen te Hulst’ genoemd. Het steuncomité bleef formeel bestaan, maar verleende enkel nog enige hand- en spandiensten als Poppe het werk niet alleen afkon. 

Voor zover is na te gaan is de ‘Dubbele Poort’ als vluchtweg, één voor de vermogende en één voor de minvermogende vluchtelingen, in Hulst de hele periode van de Eerste Wereldoorlog blijven bestaan.

Afbeelding 43 (legerplaats.nl).
Het meest berucht was ‘vluchtoord’ Nunspeet, dat specifiek bestemd was voor het gepeupel. De goed bedoelde poging om binnen de sociaal laagste klassen te schiften naar enerzijds arm, maar gevaarlijk en crimineel en anderzijds naar arm maar fatsoenlijk, liep op niets uit. Het 15 hectare grote terrein was – zoals de foto aan de rechterkant toont – met prikkeldraad omgeven. De eerste kampcommandant Hendrik Muller schoor iedereen als asociaal over een kam en onderwierp de vluchtelingen aan een uiterst streng regime. Werken was verplicht en wie dat niet wilde moest de hele dag buiten in de kou staan.
Geen wonder, dat veel uitgeweken Belgen zich niet als slachtvee naar een van de regeringskampen lieten drijven.

7. Conclusie

7.   Conclusie

De landelijke trend van particuliere naar overheidsbemoeienis betreffende de hulp aan Belgische vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog is in Hulst met behulp van archiefdocumenten goed te volgen.
Zolang de hulp geen grote problemen opleverde,  bleven gemeente, provincie en centrale overheid vrijwel uit beeld en was de opvang organisatorisch en financieel in particuliere handen. In Hulst werd als eerste gemeente in de provincie een steuncomité opgericht, toen hier begin september 1914 voor de eerste keer grote groepen onbemiddelde uitgeweken Belgen zich aandienden. Deze commissie was en bleef tijdens haar functioneren een particuliere instelling, zonder leden uit het lokale bestuur en geestelijkheid. Het comité vervulde een regionale voorbeeldfunctie, toen ook andere gemeenten de opvang dusdanig gingen organiseren.
Als gevolg van de afzijdigheid van de centrale overheid werden de plaatselijke en regionale particuliere hulporganisaties begin oktober 1914 totaal overvallen door de overstelpende volksmassa’s als gevolg van de Duitse aanval op Antwerpen.
Onvoorbereid moest de regering plotseling in actie komen en dat verliep al even chaotisch als de vluchtelingenstroom. Voor de coördinatie werd de bestaande overheidstrechter Rijk→Provincie→Gemeente ingezet en zagen een aantal nieuwe overheidsorganisaties het licht, met de hieruit onvermijdelijk voortvloeiende overlappingen en bureaucratische rompslomp. Aanvankelijk hield de bijbehorende financiering geen gelijke tred met toenemende overheidsbemoeienis en moesten gemeenten vaak geld voorschieten, dat zij lang niet altijd helemaal vergoed kregen.
In Hulst overtrof het aantal vermogende vluchtelingen dat van de onvermogende, uitgezonderd de korte chaotische periode begin oktober als gevolg van de val van Antwerpen. De bemiddelde uitgewekenen werd geen strobreed in de weg gelegd en zij, die door hun geld heen raakten, ontkwamen dankzij subsidiering van het rijk aan de opzending naar de zogenaamde ‘vluchtelingenoorden’ van rijkswege voor de lagere sociale klassen. De behoeftige uitgewekenen moesten krachtens het uiteindelijke centralisatiebeleid van de rijksoverheid worden samengebracht in speciale permanente opvangkampen. Het lijkt erop, dat het steuncomité in Hulst hieraan slechts ten dele gevolg gaf, want de aantallen, die werden opgezonden, waren steeds relatief laag. Dat de burgemeester geen deel uitmaakte van het comité heeft het ontwijken van het doorsturen wellicht een handje geholpen.
Overigens bleef de ‘Dubbele Poort’ als vluchtweg de hele oorlog in stand.

Literatuur en bronnen

Literatuur

Amara, M.
Vluchten voor de oorlog, Belgische vluchtelingen 1914-1918.
2004.

Blok, D. e.a. (red.)
Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl. 14.
Bussum 1979.

Boer, L.M.
Buiten (Tijdschrift), 15 februari 1919. 

Bos, M.
De opvang van Belgische vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog.
Historisch Nieuwsblad, september 2007.

Heuvel-Strasser, E. van den
Vluchtelingenzorg of vreemdelingenbeleid; De Nederlandse overheid en de Belgische vluchtelingen, 1914-1915, in: Tijdschrift voor geschiedenis, nr. 99 (1986).

Kruishoop, J; Bossenbroek, M. (red.)
Vluchten voor de groote oorlog, Belgen in Nederland 1914-1918.
Amsterdam 1988.

Linden, H. van der; Van der Vliet, L.
Zeeland en de Eerste Wereldoorlog.
2015.

Lucieer-Praet, G.
Memoriale ‘Le Parochie Notationes Historicae Notulae’; transcriptie notulen pastores Nieuw-Namen 1857-1984, december 1994

Oosterman, Th.
Geschiedenis der Interneering van vreemde militairen in Nederland gedurende de oorlogsjaren 1914-1918.
Den Haag 1921

Schuursma, R.L.; Dittrich, Z.R.
14-18 De Eerste Wereldoorlog, 6 dln.
Amsterdam, 1976.

Snoeck-Henkemaans, J.
De Vluchtelingen, in: Stemmen des Tijds, maandschrift voor christendom
en cultuur,  4e jrg., 11(1915), blz.. 420-436.

Treub, M.
Oorlogstijd, Herinneringen en indrukken.
Haarlem/Amsterdam 1916.

Verdeyen, R.
België in Nederland 1914-1919. De vluchtoorden Hontenisse en Uden.
‘s-Gravenhage 1920.

Vries, W. de
Mededelingen van de sectie militaire geschiedenis.
‘s Gravenhage 1980.

Zanten, J. H. vanDe zorg voor vluchtelingen uit het buitenland tijdens
den oorlog, in: Brugmans, H., Nederland in den oorlogstijd, Amsterdam 1920.

Bronnen

Gemeentearchief Hulst (GAH)

– Provinciaal Verslag 1914.

– Verblijfregister augustus 1914.

– W 59, niet geordend en niet geïnventariseerd archief over de vluchtelingen in Hulst tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Het Hulsterblad, nummers augustus t/m november 1914.

Poppe, A.
Verslag van het steuncomité Hulst, in: Verslag van het Provinciaal Comité tot huipverleening aan vluchtelingen in Zeeland aug. 1914-juli 1915.
Middelburg, z.j.

Een Dubbele Poort als vluchtweg

Een dubbele poort als vluchtweg

1. VOORWOORD

In de Nederlandse geschiedschrijving komt de Eerste Wereldoorlog er maar bekaaid van af. Van de schaarse (standaard)werken is de invalshoek daarbij vooral militair, politiek en economisch gericht. Het sociale aspect, zoals de opvang van vluchtelingen, is helemaal braakliggend terrein. De grote geschiedenis van de vluchteling moet nog geschreven worden verzucht H.W. von der Dunk in zijn inleiding bij een van de schaarse werken over Belgische uitgewekenen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 17. De beschikbare literatuur beperkt zich tot algemene, elkaar vaak herhalende overzichten, monografieën met deelaspecten, enige Belgische scripties en wat ‘omgevallen kaartenbakken’. Het voorliggende artikel is overigens evenmin een alomvattende studie van de vluchtelingen in Nederland tijdens de Eerste  Wereldoorlog. Centraal staat de opvang van de Belgische ‘uitwijkelingen’ in Hulst in relatie tot de regionale, provinciale en landelijke hulp. De opzet is in principe chronologisch en begrenst de periode vanaf het begin van de oorlog (augustus 1914) tot het moment, waarop de organisatie van de opvang van de vluchtelingen zo goed als vast lag (januari 1915). De thematische bespreking doorbreekt hier en daar de tijdsvolgorde.
In de inleiding krijgt het ontstaan van de
Groote Oorlog en de Duitse opmars in België relatief veel aandacht als katalysator van de enorme stroom uitgewekenen.

Afbeelding 1

(Oudheidkundige Kring De Vier Ambachten Hulst; collectie Collot d’Escury)

Er zijn maar heel weinig foto’s van Belgische vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog in Hulst. Van dit handjevol exemplaren is bovendien de authenticiteit van de locatie, waar de foto is gemaakt, niet altijd met zekerheid uit de foto zelf af te leiden. Waar onderstaande foto opduikt, wordt de plaats van handeling gesitueerd in Hulst, mogelijk in een van de bolwerken. Aan de horizontale stok zou een  etensketel kunnen hangen, wat mooi past bij de militaire keuken, die in het Galgebolwerk was ingericht (zie op deze website onder de tab Historische Fotogalerij: Dampigheid in het bolwerk). Zonder concreet bewijs is een verband tussen Hulst en de afgebeelde groep mensen zuiver speculatief.

Laatste updates

Datum

04-08-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

De galerij  ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’ is aangevuld met twee foto’s uit het Zeeuws Archief.

Datum

05-07-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuwe galerij toegevoegd, getiteld ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’, over de adellijke familie Collot d’Escury.

Datum

03-2024

Uit de categorie ‘Historische Fotogalerij’ verplaatst naar ‘Hulst Historisch Kort’:

De fotogalerij Veertig jaar veelkleurigheid over de schilderingen in het katholieke deel van de kerk te Hulst omgewerkt tot artikel.

Datum

01-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuw artikel ‘Hulst 1914-1918’, een neutraal grensgebied in de ‘Eerste Wereldoorlog’.

Datum

12-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over De Heilige Kindsheid uitgebreid met beeldmateriaal en beschrijving van Kindheidsoptochten in de kernen.

Datum

11-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over Casimier Lambin grondig herzien en uitgebreid, met name met aanvullende informatie uit zijn faillissementsdossier.

Uw inschrijving kon niet worden opgeslagen. Probeer het opnieuw.
U bent met succes aangemeld voor onze nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief