3.5 Nolens Volens: het Rijk tegen wil en dank

Een dubbele poort als vluchtweg

3.5. Nolens Volens: het Rijk tegen wil en dank

Met het verstrijken van augustus kon de Nederlandse regering zich met goed fatsoen niet meer afzijdig houden. Door het aanzwellende aantal vluchtelingen was een humanitaire ramp nabij, de lokale overheden konden het financieel en organisatorisch niet meer bolwerken en het groeiende aantal Belgen was een sta-in-de-weg voor het militaire apparaat in de drie zuidelijke provincies.
De snelle succesvolle Duitse opmars in België baarde het Nederlandse opperbevel grote zorgen en generaal C.J. Snijders oefende onafgebroken pressie op de regering uit voor een totale ontruiming van vluchtelingen in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland.
Verder was het overduidelijk dat de beschamend lage overheidsbijdrage voor onbemiddelde vluchtelingen in Limburg, inmiddels zo’n zesduizend personen, volstrekt onvoldoende was en overigens niet alleen daar. De hulpverlening op gemeentelijk niveau werd in de hele zuidelijke grensstreek steeds problematischer. Onder de uitgewekenen bevonden zich behoorlijk wat ongewenste elementen, verdachten van roof en diefstal en deze lieden van bedenkelijk allooi mengden zich onder de fatsoenlijken en zorgden voor een aantasting van de openbare zeden. Zij konden dus maar beter worden opgeborgen. Naarmate de Duitsers in België oprukten en hun daarmee gepaard gaande wreedheden via de vluchtelingen hier steeds indringender bekend werden, groeide bij de overheid de angst voor toenemende anti-Duitse stemmingmakerij. 
In Het Hulsterblad van 22 augustus lezen we daarover Aan de bevolking van Hulst. De strikte neutraliteit, die door Nederland gehandhaafd wordt, eischt dat betuigingen van sympathie met en antipathie tegen een der oorlogvoerende landen worden vermeden. Ik wensch andermaal de burgerij met nadruk hierop de wijzen De burgemeester Frs van Waesberghe.
Het diplomatisch geformuleerde oorlogvoerende landen betekende natuurlijk Duitsland en de Limburgse Commissaris van de Koningin Ruys de Beerenbrouck was op dit punt duidelijker Zonder dat nog gesproken kan worden van opruiing, ontstaat door de verhalen van de gevluchten eene anti-Duitsche stemming onder de bevolking en zou eene verbittering gewekt kunnen worden, welke gevaarlijk werkt (…) 1. De aanblik van al die ontredderde vluchtelingen verergerde de toch al anti-Duitse houding van de Nederlandse bevolking en het kabinet vreesde, dat de geringste aanleiding (met name) Duitsland ertoe zou kunnen brengen ons land aan te vallen. Het Militair Gezag, primair voor alles verantwoordelijk, moest van rellen en opruiing niets hebben. Het wilde daarom het liefst helemaal geen vluchtelingen in de drie zuidelijke provincies.
Door al deze omstandigheden gedwongen kwam het kabinet eind augustus met twee structurele maatregelen, die de opvang van de vluchtelingen blijvend hebben beïnvloed.

1.
Op 25 augustus ontving Hulst een circulaire betreffende de inrichting van een interneringskamp voor Belgische militairen in de legerplaats Oldebroek in Gelderland en dat het IIIe gesticht van de Rijksinrichting Veenhuizen – de bekende locatie straf- en opvoedingskampen in Drenthe – in de loop van september voor ongewenste burgervluchtelingen in gebruik zou worden genomen 2.

Afbeelding 15 (Atlas Van Stolk, museum Het Schielandshuis, Rotterdam. Lithografie uit 1827 van Boëns naar H.V. Geelen).
Zicht op het zgn. derde gesticht in de buurschap Veenhuizen in Drenthe, waar de ‘Maatschappij van Weldadigheid’ de lastigen onder de armlastige Nederlanders (bedelaars, landlopers, vondelingen, wezen) onder dwang wilde heropvoeden tot zelfstandige boeren. In 1914 fungeerde dit oude (nu niet meer bestaande) gebouw als ‘rijkswerkinrichting’, voor mannen, die veroordeeld waren voor overtredingen. Deze locatie werd in augustus 1914 aangewezen als interneringskamp voor specifieke Belgische vluchtelingen, die men een gevaar achtte voor de openbare orde en zeden. Tegelijkertijd werd in het Gelderse Oldebroek een barakkenkamp gebouwd om Belgische militairen te interneren. Het niet-vrijwillige, sobere en strenge karakter van deze eerste kampen stond model voor alle ‘opvangskampen’ van regeringswege.

Hierbij was de aanbeveling opgenomen om weigeraars onder de vluchtelingen met uitzetting te dreigen. Ofschoon nog zeer voorlopig tekende zich hiermee de toekomstige beleidslijn af om armlastige en dus lastige vluchtelingen onder te brengen in aparte regeringskampen. De  bemiddelde uitgewekenen  daarentegen werd geen strobreed in de weg gelegd. De Dubbele Poort als vluchtweg doemde op.

2.
Voor de organisatie van de kampen en de uitwendige veiligheid van ons land kwam de overheid met een tweede maatregel Toen in de volgende dagen de Duitsche vloedgolf geleidelijk meer drenkelingen en wrakstukken over onze grens begon te werpen, waaronder zich tot krijgsdaden bekwame elementen bevonden, werd het noodig ten einde te voorkoomen dat van uit ons land handelingen zouden worden ondernomen, in strijd met onze onzijdigheid, het militair gezag, met voorbijgang van het burgerlijk gezag, bevoegdheden te verleenen, die het in staat zouden stellen, waar noodig, op staanden voet doeltreffende maatregelen te nemen 3. Kortweg betekende dit voor Hulst en alle andere grensgemeenten in de drie zuidelijke provincies vanaf 29 augustus de ‘staat van beleg’.
Was met de staat van oorlog het civiele bestuur al eerder grotendeels door de militaire autoriteiten overgenomen, nu had het plaatselijk bestuur niets meer te vertellen en mocht alleen uitvoeren ‘in naam van’. Als voorbeeld hiervan een proclamatie van burgemeester Van Waesberghe:
Door het militair gezag in de in staat van beleg verklaarde gemeenten is bepaald dat brieven, briefkaarten niet anders mogen worden geschreven dan in de Nederlandsche, Fransche, Duitsche en Engelsche taal. Dat geheimschrift verboden is dat geen brieven enz. worden verzonden waarop niet duidelijk geschreven is de naam van de afzender.
Het effect voor zowel de ingezetenen als de vluchtelingen hier was groot.
– De uitvoer van goederen en het inslaan van grote voorraden was aan banden       gelegd of zelfs verboden.
– Vee weiden langs de grens mocht niet meer.
– Alle paarden moesten worden geregistreerd in verband met mogelijke 
   confiscatie.
– De militaire commandant kon winkelsluiting gelasten, overgaan tot
  rantsoenering en het verblijf ontzeggen in gebieden, die vielen onder de ‘staat van beleg’.

De 8e september werd de staat van beleg uitgebreid tot heel Zeeuwsch-Vlaanderen, het grootste deel van Noord-Brabant en Limburg. Op dat moment was Hulst inmiddels overspoeld met de eerste grote golf van vooral onbemiddelde vluchtelingen. Meldden zich tussen 20 augustus en 1 september gemiddeld nog achttien personen per dag, op 4 september stonden er plotseling 240 op de stoep, de dagen erna gevolgd door nog veel meer bange ontheemden. Het binnendruppelen was voorbij.

Afbeelding 16 (nimh-beeldbank.defensie.nl, objectnr. 2155_015550, collectie Fotoafdrukken Koninklijke Landmacht).

Geïnterneerde Belgische militairen achter een dubbele prikkeldraadversperring in het interneringskamp op het terrein van de legerplaats Oldebroek in Gelderland. Het was een van de permanente inrichtingen als vervanging van de provisorische internering van uitgeweken militairen van de oorlogvoerende landen, veelal Belgen, in de eerste weken van de oorlog. Het kamp kwam in januari 1915 in gebruik. Van september 1914 tot januari 1915 was Oldebroek in gebruik voor de opvang van burgervluchtelingen uit België, met name voor de armsten, onder wie zich niet de meest beschaafde elementen bevonden.

4.1 Waas over het Waasland

4.1   Waas over het Waasland

In augustus 1914 was het aantal vluchtelingen uit België naar Hulst weliswaar  gestaag toegenomen, maar desondanks kwam de massale uittocht van bewoners van het Land van Waas op 4 september en de dagen erna totaal onverwacht en dus was men er niet op voorbereid. 
Naar de oorzaak van de uittocht kon Het Hulsterblad op 7 september slechts gissen: Over de toestand der laatste dagen werden geen tijdingen meer ontvangen. Tot Donderdag heeft men hier en in de omgeving dagelijks kanonschoten gehoord, maar niemand, ook niet de uit België komende personen, weet te zeggen wat er gaande is. Gisteren namiddag (d.i. 4 september) zijn hier vele vluchtelingen aangekomen uit den omtrek van Dendermonde, welke stad door de Duitschers zou zijn bezet. De editie van 12 september berichtte hier verder over: Die stroom van uitwijkelingen duurde den ganschen nacht en de volgende dagen voort, doch wies op schrikbare wijze Maandag (7 september), toen in St. Nicolaas de nadering van den vijand werd gealarmeerd. Wat de uittocht precies in gang had gezet, is niet zeker. Misschien was een gerucht van de optrekkende Duitse gevechtsmachine naar het noordwesten van België al voldoende. Feit is wel, dat er als voorbereiding op de verovering van Antwerpen  een omtrekkende beweging plaatsvond, in het kader waarvan Dendermonde op 4 september werd ingenomen. Dit ging met de gebruikelijke gruweldaden gepaard tegenover in de stad achtergebleven bewoners.
Waar het ook aan gelegen heeft, een deel van de bevolking van het Land van Waas stortte zich over de grens van oost Zeeuws-Vlaanderen. Met een Nederlandse regering, die tegen zijn zin en weinig beleidsmatig het vluchtelingenprobleem nog steeds eerder aanzag dan aanpakte, lag er in Hulst  geen rampenplan klaar. Omdat er ook vanuit het gemeentebestuur een initiatief achterwege bleef, kwamen enige notabelen op zaterdagmorgen 5 september tijdens hun koffie-uurtje in actie, begaan met het lot der honderden vluchtelingen, die Vrijdagmiddag en geheel den nacht uit de omstreken naar hier kwamen toe gestroomd. Zij lieten een omroeper bij bekkenslag door Hulst rondgaan om stadgenoten uit te nodigen voor een oprichtingsvergadering om 12.00 uur van een steuncomité 4. 
Op deze bijeenkomst werd meteen een bestuur gevormd, bestaande uit bierbrouwer Henri Maertens, voorzitter; deurwaarder August Poppe, secretaris-penningmeester en arts George Vogelvanger, tweede secretaris. Burgemeester, militaire commandant, deken-pastoor en predikant werden slechts eereleden, zodat de burgerlijke overheid, het militaire gezag en de kerk buiten de organisatie stonden. Met name de buitenspel-positie van burgemeester Frans van Waesberghe was ongewoon; in vrijwel alle latere Zeeuwse steuncomités was de burgemeester de feitelijk leidinggevende. En zelfs waar een comité ontbrak, nam de burgervader, al dan niet met wethouders deze taak op zich 5. Later zou blijken dat deze afwijkende structuur van de hulpverlening voor specifieke problemen zou zorgen.
Hulst was de eerste gemeente in Zeeland, waarin door middel van een plaatselijk comité voor de vluchtelingenopvang werd geprobeerd enige structuur in de chaos aan te brengen. Dergelijke burgerinitiatieven werden in Zeeland pas genomen vlak voor of tijdens de grote uittocht als gevolg van de aanval op Antwerpen begin oktober.

Afbeelding 17 (foto uit privébezit Willem August Poppe).

August Clemens Marie Poppe (1871-1932) was deurwaarder bij het kantongerecht in Hulst  en bij het arrondissementsgerecht te Middelburg en in de lokale politiek een tijdlang gemeenteraadslid. Hij was een van de drie  initiatiefnemers voor de oprichting van een steuncomité voor Belgische vluchtelingen in Hulst. In deze organisatie bleek hij de belangrijkste stuwende kracht, ook toen na verloop van tijd de belangstelling en inzet bij de andere comitéleden en de aangestuurde vrijwilligers verflauwde.

Het organisatietempo van de comitéleden lag op de dag van oprichting erg hoog, want anders dan in augustus was het aantal nu behoorlijk veel groter en  bevatte het veel meer berooide vluchtelingen. De taken werden per tweetallen comitéleden verdeeld. Twee van hen regelden een snelle  huis-aan-huiscollecte en organiseerden de opvang voor de komende nacht. Zij zochten hiertoe dames met naaimachines aan voor het maken van stroozakken met katoenen overtrek en hoofdkussen van kaf en de spontaniteit was zo groot dat men ‘s avonds kon beschikken over 64 bedden met peluws en behoorlijk deksel (dekens). Een ander comité-duo had drie ongebruikte bovenlokalen van de openbare lagere school in de Lange Bellingstraat en de getuigenzaal van het Kantongerecht in ‘s Landshuis in de Steenstraat losgekregen als slaapgelegenheid. De zoektocht naar nachtverblijven viel niet mee, want vrijwel alle (min of meer) geschikte onderkomens waren bezet door militairen en meer gegoede vluchtelingen. Een paar dagen later kwam ook nog het wachtlokaal van de marechausseekazerne achter ’s Landshuis ter beschikking 6.
Voor de inwendige mens was de remise van bestuurslid George Vogelvanger herschapen in een gaarkeuken annex schaftlokaal. Van de opbrengst van de collecte, ƒ. 501,81 en Bfr. 445,45 genoten die avond 57 mensen een warme maaltijd. ‘s Anderendaags was het aantal bedden door nijvere handen gekomen op het aantal van 128, elk bed bestemd voor twee personen (sic!).
Spoedig werden nog twee  hospitaaltenten, een voor zieken en kraamvrouwen en een voor besmettelijke ziekten opgesteld in een der bolwerken.

Vanaf de dag van oprichting werden de door het comité onderhouden onvermogende vluchtelingen netjes ingeschreven op een Lijst van personen aan wie nachtverblijf is verleend. Dit register loopt ononderbroken door tot 8 oktober 1914, de dag dat Hulst werd overspoeld door de  gigantische exodus als gevolg van de beschieting van Antwerpen. Met zo’n  zondvloed aan mensenmassa’s was er aan het administreren van behoeftige vluchtelingen geen beginnen meer aan. De bemiddelden onder hen werden werden nog wel  ingeschreven in het ambtelijke verblijfregister voor vreemdelingen, waarvan het steuncomité een duplicaatlijst bijhield. Onbemiddeld en bemiddeld bleven dus aparte rubrieken van uitgewekenen. 
Op zondagmorgen 6 september konden de gevluchte Belgen, uit dankbaarheid voor de tijdige vlucht, de behouden aankomst en gastvrije ontvangst meteen ter kerke. Het rooms-katholieke deel van de ‘simultaankerk’ bleek door de grote toeloop naar de diensten, vooral de hoogmis, te klein en het Hulsterblad kondigde aan dat op zondag 13 september een speciale mis voor de gevluchten zou worden gehouden.

Afbeelding 18 (beeldbank.cultureelerfgoed.nl documentnr. 3628; foto uit juli 1919). 

In 1914 was de Willibrorduskerk nog een ‘simultaankerk’, d.w.z. tegelijk (simultaan) in gebruik door verschillende geloofsgemeenschappen, in dit geval katholieken en gereformeerden. Om dit mogelijk te maken was het gebouw d.m.v. een turfmuur in twee gedeelten gescheiden. De katholieken hadden het gedeelte met het koor en de dwarsschepen in gebruik. Op de foto is het zicht gericht uit het koor naar het westen, waar de doorkijk onder de spitsboog naar de hoofdingang is verdwenen door de scheidingswand. De kerkgangers konden slechts beschikken over de helft van de ruimte van het kerkgebouw, zodat er door de toeloop van de Belgische vluchtelingen regelmatig te weinig plaats was en er in extra missen werd voorzien. Het katholieke deel was op alle wanden voorzien van veelkleurige schilderingen.

Toen na 8 september 1914 de stroom inkomende vluchtelingen duidelijk was afgenomen, kwam het comité voor de tweede keer bijeen voor een eerste evaluatie. Het bestuur ging vanaf nu als koepel fungeren met in zijn portefeuille algemeen beleid, administratie en toezicht. De leden werden in drie ‘subcomités’ – voor voeding, legering en doorzending – ondergebracht 7.
Door het bestaan van het steuncomité werd voor de vluchtelingen de officieuze ‘Dubbele Poort’ een officiële. Bij de aankomst van trein en tram en aan de invalswegen vingen leden van het subcomité voor doorzending hen meteen op. Welgestelden behielden de vrijheid om zelf een onderkomen te vinden, desgewenst met hulp van het comité. De onbemiddelden kwamen direct en niet vrijblijvend  onder de hoede van het comité.
In het Verblijfregister, de duplicaatlijst hiervan en de lijst voor het nachtlogies van het comité zijn aanvankelijk de beroepen nog aangegeven in een karakteristieke poging te schiften naar sociale status. Zelfs binnen een beroep zocht men nog naar nuances. Het merendeel van de Waaslanders, dat hier zijn heil zocht was werkzaam in de ambachtelijke sfeer, kleine nering en in huishoudelijke dienst 8.
Ten behoeve van de bemiddelde vluchtelingen, wier aantal in Hulst op dat moment veel groter was dan de minder kapitaalkrachtigen, zorgde men ervoor – niet in de laatste plaats ten  bate van de plaatselijke economie – dat Belgisch bankpapier en in België gangbaar goud- en zilvergeld kon worden ingewisseld bij L.S. van Waesberghe-Janssens, als correspondente van de Nederlandsche bank 9.

Afbeelding 19 (Hulst in oude ansichten, deel 1; foto uit 1914).

De Belgische vluchtelingen konden hun geld wisselen bij het wissel- en effectenkantoor van Levinus van Waesberghe aan de westzijde van de Grote Markt. Van links naar rechts op de achtergrond: het  bankgebouw, de woning van August Poppe (beide zijn afgebroken), het lagere witte huis van Pieter Joseph Brand, de drie geschakelde panden, die samen het hotel Brand vormden en ten slotte uiterst rechts hotel-restaurant De Korenbeurs. Onder de grote groep Belgische uitgewekenen bevinden zich Nederlandse militairen, waarschijnlijk om een oogje in het zeil te houden.

4.2 Rood onderstreept en blauw aangestipt: de gedecentraliseerde overheidstrechter

Een dubbele poort als vluchtweg

4.2.  Rood aangestreept en blauw aangestipt: de gedecentraliseerde overheidstrechter

Al was burgemeester Van Waesberghe niet betrokken bij de directe hulpverlening van het steuncomité, hij diende wel de besluiten in het kader van het zich ontplooiende centrale overheidsbeleid betreffende de Belgische vluchtelingen uit te voeren. Overigens was zijn gezag  op grond van de eind augustus afgekondigde staat van beleg volkomen ondergeschikt aan het  Militair Gezag, wiens  beslissingen ook de Belgische vluchtelingen konden aangaan. De landelijke overheid en het Militair Gezag zagen de behoeftige Belgen het liefst  snel mogelijk weer naar huis gaan, maar het verloop van de oorlog wees op het tegenovergestelde. De eerste anderhalve maand oorlog was een aaneenschakeling geweest van steeds nieuwe golven doodsbange zuiderburen, die hun land ontvluchtten vanwege de  met veel gruwelen gepaard gaande opmars van de Duitsers. Veel animo om terug te gaan naar België was er niet bij en er zat niets anders op, dan zich in te stellen op het verspreiden van de ballingen over het land. Hiervoor werd de omgekeerde bestuurlijke overheidstrechter geïntensiveerd. De ministeriële circulaires van de direct betrokken bewindslieden Cort van der Linden, Bosboom en Treub 10 gingen via het tweede echelon, de Commissarissen der Koningin in de provincies, naar de burgemeesters in hun gemeenten. Deze gedecentraliseerde trechter was was de geijkte weg. Rechtstreekse post uit Den Haag aan de gemeente kwam er alleen in geval van uiterste spoed en bij reprimandes. Omgekeerd dienden de burgemeesters de van regeringswege verlangde informatie niet rechtstreeks aan Den Haag, maar aan het provinciebestuur te richten. De overvloedige ‘herfstmaandcorrespondentie’ in 1914 tussen de achtbare heren Van Waesberghe en de Commissaris van de Koningin in Zeeland, H.J. Dijckmeester, geeft een geschakeerd beeld van deze wijze van communiceren 11.

Afbeelding 20 (eerstewereldoorlog.nu)
De  regering moest vanwege de grote aantallen vluchtelingen in september 1914 inderhaast improviseren, want de voorziene grote ‘vluchtoorden’ moesten nog gebouwd worden. Ieder gebouw met een dak en grote omvang werd in principe goed bevonden en zo kwamen de ellendigen terecht in een allegaartje van onderkomens: fabriekshallen, pakhuizen, leegstaande militaire barakken en zoals op de foto in een kassencomplex in Gouda.


De eerste instroom van betekenis van behoeftige Belgen op 4, 5 en 6 september 1914 noopte burgemeester Van Waesberghe op de 6e drie vragen aan Middelburg te telegraferen: Kunnen onvermogende vreemde vluchtelingen voor rijksrekening door gemeente worden gehuisvest, gevoed en daarna doorgezonden worden naar kamp Oldebroek zooja op welke wijze. De burgervader had dus al goede nota genomen van de missive betreffende de oprichting dit kamp. Twee dagen later kwam er een onbevredigend half antwoord uit Middelburg:
Verzoeke telegrafische opgave van het aantal vluchtelingen in Uwe gemeente die voor opzending naar Oldebroek in aanmerking zouden kunnen komen gevraagde inlichtingen zullen na raadpleging minister van oorlog verstrekt worden. Opzenden kon blijkbaar wel, maar over financiering van rijkswege tot het moment van opzending werd niet gerept. Het Hulster comité verstrekte aan de burgemeester netjes de gegevens en de gemeente seinde per omgaande Voor opzending naar Oldebroek komen tot op dit oogenblik in aanmerking 43 volwassenen, waaronder 24 vrouwen, en 52 kinderen.
De 9e september ontving het plaatselijke telegraafkantoor een telegram met een uitgebreider antwoord uit Den Haag op de vraag van de burgemeester van Hulst:
Ik heb de eer U mede te deelen, dat eene regeling in voorbereiding is om vluchtelingen uit België, die niet in staat zijn in hun eigen behoefte te voorzien voorloopig onder te brengen in een vluchtoord te Veenhuizen. Een eerste transport zal vermoedelijk kunnen geschieden op 15 September a.s., wanneer daartoe op dien datum reeds een voldoend aantal bij elkaar is. De lieden moeten daartoe verzameld worden op een centraal punt, waartoe Vlissingen wordt aangewezen. Vandaar gaat de reis onder militair geleide op rijkskosten naar de bestemming. Ik noodig U uit c.q. de maatregelen te nemen, om de aankomende onvermogende vluchtelingen tot 14 september in Uwe gemeente onderdak en verzorging te doen vinden. Het Rijk neemt daarvoor geene kosten voor zijn rekening. Op 14 September zouden de menschen dan onder geleide van b.v. een veldwachter naar Vlissingen kunnen vertrekken. De geleider zal voorzien moeten zijn van eene lijst, waarop de namen en verdere gegevens voorkomen, welke lijst te Vlissingen zal zijn in te leveren bij den Burgemeester ter overhandiging aan het militair geleide. Ik verzoek U tevens, er zoo mogelijk voor te willen zorgen, dat de menschen voor het vertrek naar Vlissingen worden gevaccineerd. Wil mij voortdurend telegraphisch op de hoogte houden van het getal der aankomende vluchtelingen, die voor opzending in aanmerking komen, opdat ik beoordeelen kan, of een eerste transport op 15 september bijeen kan zijn. Bij verandering van datum ontvangt U bericht 12.

De centrale overheid had wel veel noten op haar zang, maar de bijbehorende vergoeding om ze uit te voeren ontbrak nog steeds.
Wat betreft het inenten van de op te zenden vluchtelingen bood het geneeskundig personeel van het militaire contingent in Hulst een welkome uitkomst. Uit voorzorg werd er al gevaccineerd sinds er sprake was van steeds grotere opeengepakte mensenmassa’s van velerlei allooi. Men was ‘als de dood’ voor besmettelijke ziekten en vooral voor tyfus. Met het inenten hoopte men tevens te voorkomen, dat de staat van paraatheid van het leger in gevaar werd gebracht. Dit gevaar bleek reëel, toen niet veel later in het vluchtelingenkamp Hontenisse de gevreesde tyfus uitbrak 13.
Het op 8 september aangekondigde transport, zo liet de provinciehoofdstad weten, ging door: Burgemeester Hulst. Er gaat maandagmorgen 8.20 een extra trein van Vlissingen naar Veenhuizen zorg voor vervoer naar Vlissingen op morgen zie mijn schrijven van 9 September no 3932. Mocht het beter schijnen de menschen maandagmorgen per eerste boot naar Vlake te vervoeren wil dan seinen aan militairen commandant te Vlissingen met verzoek extra trein te Vlake te laten stoppen en voorts aan Burgemeester Commissaris Koningin Dijckmeester.
Hulst seinde voor de zekerheid nog even het definitieve aantal: Morgen vertrekken vijf gehuwde vrouwen met zeven kinderen voor Veenhuizen per eerste boot naar Vlake wilt extra trein doen stoppen Vlake Burgemeester van Waesberghe.
Dit lage aantal wekte bevreemding in Veenhuizen en Den Haag werd ingelicht. Een standje aan het adres van de Commissaris van de Koningin in Zeeland was het gevolg, maar hij schoof dit handig via de trechter naar beneden door: Zijne Excellentie de Minister van Oorlog deelde mij mede, dat de regeeringscommissaris in Veenhuizen bericht heeft, dat er beduidend minder vluchtelingen te Veenhuizen zijn aangekomen dan in vooruitzicht was gesteld. Na een door mij ingesteld onderzoek is mij gebleken dat uit Uwe gemeente met den extra trein naar Veenhuizen zijn vertrokken 5 vrouwen met 7 kinderen. Ik heb de eer U te verzoeken mij wel te willen mededeelen, waarom de andere volgens Uw bericht in Uwe gemeente aanwezige onvermogende vluchtelingen niet mede zijn vertrokken.
Ook de burgervader kon de zwarte piet doorspelen, want per slot van rekening had hij alleen maar de opgave van het plaatselijk steuncomité alhier gekregen. De reden was overigens heel reëel en legitiem: veel Belgen waren al naar hun woonplaats teruggekeerd. Daarom vertrok maandag 14 september uit Hulst voor de eerste keer een wel heel klein groepje vluchtelingen naar het verre ‘regeringskamp’ Veenhuizen, onder geleide van de Hulster gemeenteveldwachter Wijnacker en volgens de instructie van de circulaire van 9 september ingeënt. Op de registratielijsten van het steuncomité en de verblijfsregisters komen we de doorgezonden vluchtelingen nog tegen: met een rode streep uitgeboekt en met een blauwe stip gevaccineerd verklaard.

Het was eind september nog maar een kwestie van tijd, voordat Antwerpen, het laatste bolwerk, in Duitse handen zou vallen. De Nederlandse regering hoefde niet helderziend te zijn om te beseffen wat de val van de stad voor vloedgolf aan vluchtelingen dit met zich mee zou brengen. Desondanks  zinspeelde het kabinet-Cort van der Linden nog steeds op een beperkt verblijf van de burgervluchtelingen. Deze aarzelende en niet anticiperende opstelling leidde tot ondoelmatige en ontoereikende maatregelen, die snel door de actualiteit zouden worden achterhaald. 

Aan de vooravond van de val van Antwerpen (9 oktober 1914) was de centrale overheid niet verder gekomen, dan het besef, dat meer permanente opvang van vluchtelingen nodig was, maar die faciliteit was er vrijwel niet.

Afbeelding 21 (GAH Verblijfsregister Hulst)
Een bladzijde met de inschrijving van vluchtelingen – verreweg de meesten waren afkomstig uit het Waasland – die eind augustus 1914 een goed heenkomen in Hulst hadden gezocht. Op het moment, waarop zij later naar een van de regeringskampen werden doorgezonden, kwam er een rode streep bij hun naam (= doorgestuurd) en een blauwe stip (= gevaccineerd) bij hun inschrijvingsnummer te staan.

4.3 De particuliere trechter

4.3   De particuliere trechter

Op 11 september 1914 besloot het bestuur van het Hulster comité zich aan te sluiten bij het Amsterdamsch Comité (zie par. 3.2). In de geest van dit comité nam het Hulster steuncomité in zijn vergadering van 15 september een voorstel aan om het regionale centrum voor vluchtelingen te worden door omliggende gemeenten te bewegen subcomités van Hulst te vormen. Deze subcomités zouden dan vluchtelingen in hun gemeenten opvangen, liefst nog dezelfde dag doorsturen en hoogstens één nacht onderdak verlenen. Net als hier zou een collecte de comité-kassen moeten spekken, zo nodig ook die van Hulst.
Het initiatief had succes. Sint Jansteen, Graauw, Clinge (met Nieuw-Namen) en Koewacht traden toe en wezen afgevaardigden voor de vergaderingen aan. Stoppeldijk trad aanvankelijk toe, maar stapte er later weer uit.

Inmiddels was ook op provinciaal niveau de particuliere opvang van vluchtelingen meer gestructureerd. In Zeeland was daartoe eind augustus het Provinciaal Comité tot hulpverleening aan vluchtelingen in Zeeland opgericht. De meeste comité’s werden lid van deze koepel, maar dat van Hulst niet 14.
Naast de overheid was nu een tweede, particuliere, trechtervorm ontstaan: Het Provinciaal Comité, met zetel te Middelburg, centraliserend en intermediair opererend tussen het ‘Amsterdams Comité’ en de vele plaatselijke steuncommissies. Voorzitter was Jhr. E.A.D de Casembroot. K.J.A.G baron Collot d’Escury uit Hontenisse had zowel in het Provinciaal Comité zitting als in het Amsterdams Comité.

Afbeelding 22
(digitaal.dezb.nl recordnr. 153198)


Uitsnede uit een foto uit 1907 met de burgemeesters van Oost-Zeeuws-Vlaanderen t.g.v. het bezoek van koningin Wilhelmina.

In vol ornaat is hier gezeten Karel Jan André Guyon baron Collot d’Escury (1858-1929), burgemeester van Hontenisse (1893 -1929). Zoals het de adel betaamt figureerde hij in allerlei maatschappelijke functies, zoals in het Provinciaal Comité tot hulpverleening aan vluchtelingen in Zeeland.

Noblesse oblige!

4.4 Het wordt ingewikkelder: weer een nieuwe overheidstrechter

4.4.  Het wordt ingewikkelder: een nieuwe overheidstrechter

De troonrede van de derde dinsdag in september 1914 was de kortste sinds tijden, maar op het punt van gastvrijheid ondubbelzinnig:
Begaan met het lot van alle volkeren die in den krijg zijn mede gesleept, draagt Nederland de buitengewone lasten, die het worden opgelegd gewillig en ontvangt het met open armen alle ongelukkigen die binnen zijn grenzen hun toevlucht zoeken.
Een nobel streven van de regering om in beginsel alle voor de oorlog gevluchte burgers in Nederland welkom te heten én hen volledig te verzorgen. Veel verder dan een intentie, verpakt in mooie volzinnen, kwam het echter nog niet. Het beleid verkeerde nog in de ‘ad hoc’-fase en van een ruimhartige financiering was al helemaal geen sprake. Integendeel zelfs! Dit bleek eens te meer uit het telegram, dat Hulst op 22 september uit Middelburg ontving:
Ten vervolge op mijn schrijven van 9 dezer A no. 3932 a, 3de afdeeling, heb ik de eer U te verzoeken mij elken vrijdag te willen opgeven, hoeveel onvermogende Belgische vluchtelingen zich in Uwe gemeente bevinden; het is echter niet noodig negatieve berichten in te zenden. Te zijner tijd zal U worden medegedeeld, wanneer weder een transport naar Veenhuizen van Vlissingen zal vertrekken. Voor zooveel noodig zij U medegedeeld, dat de transportkosten naar Vlissingen niet door het rijk vergoed worden.
Het werd in deze missive ten overvloede herhaald: op geld hoef je niet te rekenen.
Overigens trokken in de zuidelijke provincies al heel wat Belgen over hunne landpalen terug naar huis en ook in Hulst was de grote piek van eerder deze maand eind september voorbij. Van 4 tot en met 9 september waren resp. 47, 216, 19, 124, 213 en 128 behoeftige personen door het steuncomité geadministreerd. In de volgende tien dagen kwamen er maximaal twintig per dag opdagen en op 19 september werden er al geen arme vluchtelingen meer verzorgd in het asyl voor arme vluchtelingen. De rust in het Waasland was blijkbaar teruggekeerd, want vanaf 20 september meldden zich uit deze regio per dag nog maar een handjevol mensen.
Plichtsbewust werd op vrijdag 25 september door Hulst aan Middelburg gemeld, dat slechts 2 mannen, twee vrouwen en drie kinderen voor opzending in aanmerking kwamen. De relatieve rust was echter bedrieglijk.
Als gevolg van de ‘Slag aan de Marne’ en de krijgshandelingen aan de Aisne in Frankrijk was de Duitse gevechtsmachine tot staan gebracht en zelfs teruggeworpen. Het Schlieffenplan, de grote offensieve omsingelingsbeweging  was mislukt en het lag voor de hand dat de Duitsers in België hun macht zouden consolideren en versterken. Dat betekende binnen afzienbare tijd een ‘Slag om Antwerpen’ met een zekere nieuwe zondvloed aan burgervluchtelingen en militairen uit de zwaar versterkte vesting en daarbuiten. Dit besef drong ook door in Den Haag en het kabinet ging nu wel  financieel en organisatorisch anticiperen. Premier Cort van der Linden liet alle provinciecommissarissen, behalve die van de drie zuidelijke provincies, vragen welke gemeenten op korte tijd grote aantallen vreemdelingen zouden kunnen huisvesten.
Voor het eerst gaf de centrale overheid invulling aan het uitgangspunt (paragraaf 3.5) om de opvang zelf centraal te regelen. Helaas ging dit gepaard met nog meer bureaucratie en bijbehorende overlapping. De Minister van Oorlog, Bosboom lanceerde het idee om naast de twee bestaande trechters met een derde nieuwe bestuursschil te komen. Op 21 september werd dit overheidsorgaan met de bekende voorkeur voor lange namen de Centrale Commissie tot behartiging van de belangen der naar Nederland uitgeweken vluchtelingen gedoopt, kortweg Centrale Commissie geheten 15. De goede bedoelingen leidden tot een zeer groot takenpakket, dat door zijn omvang geheel onnodig samenviel met de werkzaamheden van de talloze steuncomité’s, die aldus hinderlijk in de wielen werden gereden[ note]De Central Commissie had vier kerntaken:

1. Huisvesting voor de meer bemiddelde vluchtelingen, waarvoor  vooral met de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer moest worden samengewerkt.
2. Huisvesting voor de onbemiddelde vluchtelingen, wat van lieverlede moest gebeuren in de nog op te richten ‘regeringskampen’.
3. Bijstaan van de ‘particuliere trechter’ door het bevorderen van de oprichting van ‘Provinciale Comités’ als schakel tussen het ‘Amsterdamsch Comité’ en de lokale hulp- organisaties. Idealiter zouden de provinciale comités de dagelijkse leiding onder auspiciën van de Centrale Commissie uitvoeren.
4. Centrale registratie om inlichtingen aan verwanten te kunnen verstrekken, vermisten op te sporen, gezinnen te herenigen en last but not least te bepalen wie er ten laste van het Rijk zouden komen. [/note].
Terwijl de ‘Centrale Commissie’ in de aanvangsfase van haar bestaan nog weinig had kunnen uitrichten door  bureaucratische stroperigheid en het ontbreken van deugdelijke financiering  door de centrale overheid, brak in  Antwerpen de hel los.

Afbeelding 23 (rockefellerfoundation.org; logo 1913)

Het logo van de ‘Rockefeller Foundation’, een filantropische instelling van de Amerikaanse oliemagnaat Rockefeller, heeft als mondiale doelstelling ’the wellfare of mankind throughout the world’ (het welzijn van de mensheid in de wereld). In plaats van een behoorlijke financiering door de Nederlandse regering, moest de ‘Centrale Commissie’ de hulp aan vluchtelingen aanvankelijk voor elkaar zien te krijgen met donaties van charitatieve instellingen als deze.


Vanaf 8 en 9 oktober  1914  werd als gevolg van de Duitse aanval op Antwerpen het westen van Noord-Brabant en Zeeuwsch-Vlaanderen  bedolven onder een gigantische schare van honderdduizenden in paniek weggestoven vluchtelingen. De burgemeester van de Sinjorenstad speelde een sleutelrol in de kolossale omvang ervan door de burgers en militairen aan te sporen de stad te ontvluchten. Het Hulsterblad meldde: Al wat de laatste dagen geschiedde wees erop dat de Duitschers ernstig plan hebben ook Antwerpen te nemen en nu is de belegering een feit geworden . De organisatorische ‘trechters’ waren hier op geen stukken na op berekend en de opvang, die de centrale overheid door middel van een langzaam ingezette bemoeienis onder controle dacht te hebben, liep uit op een totale en niet te beheersen chaos.

5.1 De val van Antwerpen

5.1   De val van Antwerpen

Zolang de veldtocht in België succesvol was, hadden de Duitse legers de vesting Antwerpen vrijwel  ongemoeid gelaten. De sterke ‘rechtervleugel’ maakte volgens plan een omtrekkende beweging door België om de Fransen te omsingelen en in de rug aan te vallen. De ‘slag aan de Marne’ van 6 tot en met 9 september 1914 betekende het beslissende keerpunt in het  offensief van de Duitse strijdkrachten. De ‘Pruis’ kon zich gaan instellen op een wellicht langdurige bezetting van België. In het kader hiervan kon het strategisch gelegen Antwerpen niet ontzien worden. Het was niet de bedoeling, dat de  tegenstanders van Duitsland de haven bleven  gebruiken, zich in de  omvangrijke fortengordel konden terugtrekken of hem als uitvalsbasis gebruikten. 

Afbeelding 24 (fortengordel.be)

De Antwerpse fortengordel bestond uit een buitenste gordel met 18 forten met schansen (kleinere sterkten) ertussen. De kleinere  en oudere binnenste ring bevatte 13 forten en een veldschans. Dit stelsel moest (zo lang mogelijk) voorkomen, dat de zware artillerie de stad zelf kon beschieten. Als extra belemmering konden aanzienlijke gedeelten van het omringende gebied onder water worden gezet. Eerder in de oorlog hadden de beschietingen van de stellingen van Luik en Namen al bewezen, dat het bestaande fortensysteem geen partij meer was voor de eigentijdse zware artillerie. Na de Slag bij de Marne brachten de Duitsers het geduchte geschut over naar de Antwerpse regio. De forten van de buitenste ring konden projectielen tot en met 21 cm doorsnee doorstaan, maar het Duitse veel zwaardere kaliber artillerie maakte er korte metten mee.

De grotere rode stippen stellen de forten voor, de kleinere de schansen. De buitenste gordel lag op het tracé van de huidige Antwerpse Ring. De gearceerde blauwe streepjes markeren de te inunderen gebieden.

Vanaf het begin van de aanval op de Antwerpse vesting op 27 september vertoonde het Belgische leger direct tekenen van uitputting en verwarring en brokkelde de afweer snel af. Omdat er nadrukkelijk geallieerde versterkingen waren toegezegd, werd nog niet tot de voor de hand liggende militaire evacuatie besloten. Wel werd het zwaartepunt van het leger van Antwerpen verlegd naar de regio Oostende-Brugge.
In een ultieme wanhoopspoging kwam op 3 oktober Churchill (first lord of the admiralty) met 3000 manschappen en de belofte van versterkingen naar Antwerpen om de Belgen aan te sporen om stand te houden. Het symbolische legertje en de belofte kwamen veel te laat en het was  veel te weinig. 
Het inmiddels van het front in Noord-Frankrijk overgebrachte zware geschut kon met zijn granaten de buitenste fortengordel bereiken, terwijl het zelf buiten het bereik ervan stond.
Tussen 28 september en 6 oktober stelde het Duitse schiettuig het ene na het andere fort buiten werking, zodat de buitenste  verdedigingslinie systematisch werd opgerold. Het Belgische veldleger trok zich nu per dag verder terug: in de nacht van 6 op 7 oktober achter de Schelde, de nacht erna achter de Durme en op 9 oktober ’s avonds achter het kanaal Gent-Terneuzen. De Belgen hielpen de Duitsers een handje door bij hun terugtrekkende beweging  een aantal Antwerpse forten zelf op te blazen.

Afbeelding 25 (lier1418.be)

Het legendarische kanon van de firma Krupp met als bijnamen Dikke , Große of Fleißige Bertha, had een voor een landleger ongekend groot kaliber. Met dit monsterlijke  mortier 16 konden granaten van 42 cm doorsnee en een gewicht van ruim duizend pond worden afgevuurd. Krupp had vlak voor de oorlog enkele exemplaren afgeleverd. Voor het beoogde snelle offensief door België was de levering op het juiste moment gekomen. Omdat de projectielen met gemak door drie meter dik beton drongen, konden de forten van Luik en Namen direct worden uitgeschakeld en waren later die van Antwerpen letzelfde lot beschoren.   

Op 6 oktober stonden de Duitsers op schootsafstand van het centrum van de stad en omdat het verzoek tot overgave werd afgewezen, begon vanaf 7 oktober laat in de avond de aanhoudende beschieting. Toen de stad zich op 9 oktober toch moest overgeven 17, was bijna de hele bevolking allang in blinde paniek weggevlucht. Overvolle treinen met ontredderde ‘uitwijkelingen’ hadden de perrons van  Roosendaal en Bergen op Zoom bereikt. Een deel was via de opgepropte kades aan de Schelde per schip of over de pontonbrug naar St. Anna ontkomen. De minst fortuinlijken – en dat waren de meesten – zagen zich gedwongen te voet de wijk te nemen, een afmattende tocht met op de achtergrond een zich verwijderend apocalyptisch decor.

Afbeelding 26 (dedeadline.wordpress.com)

Een foto uit begin oktober 1914 .

Terwijl de stad onder aanhoudend artillerievuur van de Duitsers ligt, zoeken duizenden radeloze inwoners in totale chaos een goed heenkomen. De Antwerpse kade bij Het Steen (rechtsboven op de achtergrond) is een opgepropt duwende kluwen van een grote  mensenmassa en lukraak geplaatste voertuigen. Lang niet iedereen zou vanaf hier per schip een ‘veiliger haven’ kunnen bereiken. 

Het lawaai van de Krupp-artillerie  en de uit zeppelins op Antwerpen gegooide bommen maakte ook in Hulst een een hels kabaal. Het zwerk was dagen- en nachtenlang akelig oranje gekleurd. Toen ook de petroleumtanks in het havengebied in brand waren geraakt, was de gloed van het inferno van Antwerpen zelfs tot in St. Maartensdijk op Tholen zichtbaar. De Duitsers troffen na de capitulatie een spookstad aan zonder burgerbevolking en militairen, maar met de trieste puinhopen van hun eigen barbarij. De burgerbevolking was goeddeels verdwenen, maar de ca. 30.000 à 40.000 man vestinginfanterie, die de aftocht van het veldleger moest dekken zat in de tang. Door de  omtrekkende beweging van de Duitsers via het Waasland konden ze niet naar het Westen en de vijand zette na het  innemen van de stad de achtervolging op deze achterhoede in. Voor de ongelukkige Belgische vestingtroepen lag nog maar één vluchtweg open: oost Zeeuws-Vlaanderen 18. De overstelpende menigte van de burgervluchtelingen en militairen uit Antwerpen zorgden in de regio Hulst voor een onvoorstelbaar niet te beheersen chaos.. 

Afbeelding 27 (stringfixer.com/nl/October_1914).

Een van de vele suggestieve schilderijen met indringende impressies van de verwoestende ramp van de beschieting van Antwerpen begin oktober 1914. Op dit werk van de Duitse kunstschilder Willy Stöwer (1864-1931) proberen Belgische en Britse soldaten in allerlei vaartuigen over de Schelde  Nederland te bereiken. Op de achtergrond de apocalyptische 19 vuurstorm als gevolg van het onophoudelijke bombardement op de stad.

5.2 Plechtanker Zeeuwsch-Vlaanderen

5.2.   Plechtanker Zeeuwsch- Vlaanderen

Op 17 december 1914 was premier Cort van der Linden boos op de Tweede Kamer, die  hem ter verantwoording had geroepen uit onvrede over de late en dilettantistische aanpak van de stroom vluchtelingen als gevolg van de inname van Antwerpen door de Duitsers. Ook daarna was er volgens het parlement veel misgegaan. De eerste minister verweerde zich fel tegen de kritiek:
Maar wat ik niet voorzien had, en wat geloof ik niemand heeft voorzien, dat was de enorme massa, die ons land overstroomd heeft, en waarvoor die Organisatie 20 ten eenenmale is bezweken. Tegen een dergelijken aandrang was zij niet bestand. Maar zulk een aandrang kon ook inderdaad niemand voorzien. Dat heeft de Regeering niet voorzien, dat heeft de Belgische Regeering niet voorzien EN NIEMAND 21.
Dat mag dan wel zo zijn, het beleid van het kabinet was al langer en bleef  ook na de aanval op en inname van Antwerpen nog geruime tijd niet gericht op de  opvang van grote aantallen vluchtelingen voor de langere termijn. De plaatselijke burgerij, al dan niet georganiseerd in liefdadigheidsinstellingen en gelegenheidscomité’s, stonden er dus grotendeels alleen voor, toen west Noord-Brabant en oost Zeeuws-Vlaanderen in de nacht van van 7 op 8 oktober en in de dagen daarna finaal  overlopen werd. Het Hulsterblad versloeg de totale wanorde aldus: Sedert woensdagavond (de avond van 7 oktober) zijn tienduizenden uit Antwerpen gevlucht per trein naar Esschen en verder naar Noord-Brabant, met booten naar de Zeeuwsche eilanden en ook naar onze streek, maar Hulst werd overstroomd door duizenden vluchtelingen uit het land van Waas. Het Steuncomité dat tot Woensdag toe geregeld alle behoeftigen kon opnemen en door-zenden, kreeg Donderdag zooveel te doen dat van geregelde administratie geen sprake meer was (…) Gisteren (9 oktober) hield de stroom aan en was doorzending nauwelijks meer mogelijk. Treurig is deze toestand, ellendiger dan wij die kunnen weergeven, Op de markt, op de straten, overal treft men die arme vluchtelingen aan, gezeten op den grond met hun armzalige inboedeltjes, met heele gezinnen, allen met den stempel van lijden op het gezicht. Velen treuren over het afwezig zijn van huisgenooten, die in den stroom van vluchtelingen verloren werden 22.

Afbeelding 28 (ssew.nl)

Van de massale toevloed van vluchtelingen in Hulst bestaan geen foto’s. Om toch een goede indruk te krijgen van de massaliteit van de influx van gevluchte mensen is deze foto van de toenmalige situatie in Bergen op Zoom een goed voorbeeld. Op een geschat inwonertal van 16.625 inwoners kreeg de stad in een paar dagen tijd te maken met zo’n 60.000 à 70.000 uitgewekenen uit België binnen. Van een nauwkeurige telling was in de opperste verwarring geen sprake, maar het spreekt vanzelf dat Bergen op Zoom een ruime verdrievoudiging van de eigen bevolking nooit de baas kon. De locatie van de foto is volgelopen met uit trams aangevoerde vluchtelingen.


Terwijl andere Zeeuwse steden in de totale chaos pas nu – en dus veel te laat om structuur te kunnen bieden – een steuncomité oprichtten, was men in die zin in Hulst organisatorisch klaar en ingewerkt. Natuurlijk  werd men hier evenzeer overvallen als elders, maar de reeds eerder begonnen samenwerking tussen steuncomité, de gemeente en het aanwezige plaatselijke militaire apparaat was beslist een voordeel.  
Van de onlangs door Den Haag geïnstalleerde bureaucratische schil, de Centrale Commissie, was geen concrete hulp van betekenis te verwachten. De assistentie van overheidswege beperkte zich tot het provisorisch verspreiden van de opeengehoopte mensenmassa in het zuiden over het land. De organisatie hiervan verliep  via de hiërarchische overheidstrechter (van rijk naar provincie naar gemeente). De stortvloed aan uitgewekenen was echter veel groter, de schatting is één miljoen, waarvan de helft in oost Zeeuws-Vlaanderen, dan de meer noordelijk gelegen provincies aankonden 23. Voor een vlotte afwikkeling vanuit Zeeuws-Vlaanderen was de Schelde een vertragende factor en daarnaast had het vervoer van de ca. 35.000 ontkomen militairen naar interneringsdepots absolute voorrang op de burgervluchtelingen.
Op vrijdag 9 oktober was hier in de regio de wanorde compleet. Samen met de vluchtelingen uit het Antwerpse liep – voor de tweede keer – het hele Waasland, met de schrik van begin september nog vers in het geheugen, weer leeg. De subcomités in de omliggende gemeenten, in het bijzonder Clinge (met Nieuw-Namen) en Koewacht werden het eerst en het meest bedolven onder een lawine van radelozen. Hoe deze buitenproportionele aantallen snel vervoerd moesten worden over heel Nederland, zeker als zich ook nog buitenlandse militairen zouden melden, was op dat moment volstrekt onduidelijk. Conform de afspraak van de omliggende gemeenten met Hulst om zo veel mogelijk evacués direct door te sturen, wrong zich hier een gigantische menigte door de stadspoorten naar binnen, een warboel van  opeengehoopte mensen, goederen, voertuigen en  vee. Het militaire apparaat, bijgestaan door de plaatselijke bevolking slaagde erin een totale ontwrichting te voorkomen. Bereden troepen hielden de massa in beweging richting noord en zorgden voor enige normalisering in de stroom uitgewekenen.
De Comiteitsleden (de leden van het steuncomité), herkenbaar aan de oranje band om de arm – deze kleur kozen alle comités – verwezen de verdwaasden naar achterliggende dorpen en boerderijen, niet nadat de hongerigen een maaltijd hadden gekregen bij de vele spijskokerijen. Ook hierbij was militaire steun onontbeerlijk. Gewapende soldaten voorkwamen stormlopen op de her en der inderhaast geplaatste kookfornuizen. De ‘etappedienst’, de militaire diensttak voor eigen voedsel en onderdak, kon direct voor de uitgewekenen worden ingezet en was in deze penibele situatie van onschatbare waarde.

Afbeelding 29 (nihm.nl  objectnr. 2155-034396)

De zgn. ‘longeertent’ 24 in het Galgebolwerk deed in de oorlogsjaren dienst als militaire veldkeuken. Tijdens de massale toevloed van Belgische vluchtelingen begin oktober 1914 bewees deze inrichting zijn goede diensten als gaarkeuken. Rechts staat een keukenknecht met voorschoot bij een tafeltje met afwasgerei, links twee foeragewagens en achter op de walrand van het bolwerk de onvermijdelijke publieke belangstelling.

In een mum van tijd liep het achterland (veel te snel) vol en stuitten de vluchtenden op de natuurlijke barrière van de Westerschelde. Alles wat varen kon voer overkropt naar de overkant, maar het overbrengen vanaf Walsoorden kon de aanzwellende stroom onmogelijk bijbenen, met een opeenhoping van mensenmassa’s in de gemeente Hontenisse tot gevolg. Het transport van de burgervluchtelingen over het water kwam trouwens al heel vlug nagenoeg tot stilstand, omdat op alle vaartuigen beslag werd gelegd voor het vervoer van de vele duizenden in ongeordend verband binnengevallen Belgische militairen.
De lange trieste processie kwam ten slotte onvermijdelijk ook in Hulst tot stilstand, terwijl de aanvoer uit de grensgemeenten onverminderd aanhield. Alle openbare gebouwen en in feite alles wat maar dak had, raakte tot stikkens toe bevolkt. Anders dan de gebieden met grote steden beschikte het zeer landelijke Zeeuwsch-Vlaanderen nauwelijks over grote (openbare) gebouwen. 
Voor de zeer velen, die nergens meer binnen ondergebracht konden worden, werden de straten en pleinen van Hulst herschapen in een aaneengeschakelde bonte rij van luifels, waarvoor uiteindelijk ook de dekkleeden van de wagons van de spoorwegmaatschappij Mechelen-Terneuzen werden gebruikt.  De Grote Markt, inclusief ‘den tiater’ (de muziekkiosk), had het aanzicht gekregen van één aaneengesloten tentenkamp. Grote aanplakborden, het leek wel verkiezingstijd, met organisatorische mededelingen en informatie over zoekgeraakte dierbaren verschenen aan de rand van het marktplein. Er hingen losse briefjes, bij de gemeente binnengekomen telegrammen en advertenties, overgenomen uit Het Hulsterblad. De namen van de vermisten zijn nu nog steeds tastbare schrijnende voorbeelden van de humanitaire ramp. Er waren vooral heel veel kinderen in het gedrang onderweg zoek  geraakt. Charles Collier oud 9 jaar verloren geraakt tussen Stekene en Koewacht. Vader is te Koewacht bij fam. van Mossevelde meldde een advertentie in Het Hulsterblad.
Onder de radeloze ontheemden bevonden zich talloze ernstig verzwakte ouderen, zieken, gewonden, zuigelingen en hoogzwangere vrouwen. Met de nodige improvisatie probeerde het steuncomité hen specifieke professionele zorg te verlenen in een behoorlijk onderkomen. 

Afbeelding 30 (digitaal.dezb.nl recordnr. 8900, ansichtkaart ca. 1910).

Ongeveer een eeuw lang werd één kant van de Pottersstraat (hier rechts op de foto) in beslag genomen door de voorzijde van het Liefdehuis, een complex, waarin een bejaardencentrum, een ziekenhuis en een onderkomen voor zusters- verpleegsters was opgenomen. Voor de zieke en gewonde vluchtelingen werd hier in oktober 1914 zo goed en zo kwaad als het kon een onderkomen gezocht.

Afbeelding 31 (beeldbank.cultureelerfgoed.nl, documentnr. BR02318-80725).

Gedeelte van het omvangrijke Baudeloo-complex achter de Grote Markt met het meisjespensionaat St. Joseph. In het gebouw werden twee  – nogal karig ingerichte – kraamkamers geïmproviseerd ten behoeve van de zwangere vrouwen onder de Belgische vluchtelingen. De plaatselijke artsen Van Rompu en Fruijtier  maakten in beide gebouwen lange dagen. 

Het resultaat van alle inspanningen was, dat op  9 oktober niemand onder de blote hemel hoefde te slapen, meldde August Poppe trots in zijn verslag aan het Provinciaal Comité.
Helemaal niet trots waren de Zeeuws-Vlaamse gemeenten op (het uitblijven van) de ondersteuning van de centrale overheid. De overvloedige correspondentie van de  gemeenten aan het Rijk vanaf het moment van de zondvloed van de Belgische vluchtelingen bevat talrijke noodkreten om (meer) centrale leiding, zending van eerste levensbehoeften, algemene financiering en – een constante – het duidelijk maken van de bedoelingen van de regering. Pas op 20 oktober kwam er voor de gemeenten geld vrij, zij het zeer vrekkig, in de vorm van een voorschot en alleen bij ontoereikendheid hunner kassen, alsof er ook één gemeente was, die er warmpjes bijzat! Het voorschot was trouwens alleen maar een toezegging, geen klinkende munt. Dus waren het weer de particulieren, de particuliere instellingen (het Amsterdams Comité, Provinciaal Comité en Hulster steuncomité), die hier in de regio de eerste nood moesten lenigen en bekostigen.
Op 26 oktober kwam er dan eindelijk, op aandringen van de Centrale Commissie, een structurele maatregel. Het Rijk ging over tot een vergoeding van f 0,35 en f 0,20 per volwassene, resp. per kind per dag 25. Uit niets blijkt, dat dit met terugwerkende kracht was bedoeld.
De bureaucratie werd nog verder opgedreven met, jawel nog maar een bestuurslaag erbij. Naast het particuliere overkoepelende ‘ Amsterdams Comité, de ‘bestuurstrechter’ rijk→provincie→gemeente en  de Centrale Commissie kwam Cort van der Linden nu met ‘schil nummer vier’ het fenomeen ‘regeringscommissaris voor de vluchtelingen’, in principe in iedere provincie een. Voor Noord-Brabant en Zeeland samen viel de keus op jhr. Ruys de Beerenbrouck,  bijgestaan door twee ‘regeringsgedelegeerden’ Van Vuuren en Snoeck Henkemans, beiden leden van de Centrale Commissie. Hoewel het aanstellen van Ruys de Beerenbrouck op zichzelf een prima keuze bleek, was de uitbreiding  van het administratieve overheidsapparaat vooral ‘papieren hulp’, die een gebrek aan daadkracht moest maskeren.

Afbeelding 32 (GAH archiefnr. W 59)

In 1918 zou Zeeuws-Vlaanderen  in het staartje van de oorlog nog eens overspoeld worden door Belgische burgers, beangst door de opmars van de Geallieerden en de terugtrekkende Duitsers. In het schrijven van 10 mei 1919 van een in Terneuzen ingesteld Belgisch Consulaat aan de burgemeester van Hulst is sprake van de vermissing van het 16-jarige meisje Helene van Kerckhem. Zij was vanwege de laatste oorlogshandelingen uit Klein-Sinaai in het Waasland samen met haar oma weggevlucht, vermoedelijk naar Hulst. Sindsdien ontbrak van haar ieder spoor en was zij een half jaar na afloop van de oorlog nog niet terecht. De burgemeester van Hulst liet onderzoek naar de verblijfplaats van het meisje doen, helaas zonder resultaat.

5.3 Binnenkomst der ‘Benauweriks’

5.3  Binnenkomst der ‘Benauweriks’

Op zaterdag 10 oktober was de precaire situatie in Hulst nog ernstiger en onoverzichtelijker geworden, doordat de uit Antwerpen ontkomen Belgische en (in veel mindere mate) Engelse militairen massaal de grens met Oost Zeeuws-Vlaanderen overschreden hadden. Deze categorie vluchtelingen kreeg absolute prioriteit ten koste van de hulpverlening aan de andere asielzoekers.
Nagenoeg de hele bezetting van de vesting Antwerpen was in de richting van de regio Hulst gevlucht. Soms door commandanten weggestuurd, veel meer aan hun lot overgelaten kwamen hele wapens en diensttakken, compleet door elkaar geraakt, aan. Naast het Antwerps garnizoen vluchtte tevens een deel van het Belgische veldleger met de volledige generale staf, paarden, transportwagens en automobielen de grens over. De hele mikmak, het aantal militairen wordt geschat op minstens 35.000, werd in eerste instantie geconcentreerd in Hulst.

Afbeelding 33 (digitaal.dezb.nl recordnr. 24159)

De foto is vlak na de hectische dagen van begin oktober 1914 genomen vanaf een van trappen van het bordes van het stadhuis op de Grote Markt met de lens in westelijke richting. Het rollend Belgisch militair materieel is netjes geparkeerd tegen een achtergrond van geïmproviseerde tenten. Nederlandse soldaten in het wat lichtergekleurde uniform (een van hen is gewapend) en Belgische in het donkerder uniform poseren kameraadschappelijk vóór het wagenpark. Links-midden houdt een Belgische soldaat zijn signaalhoorn tegen zijn dij. Aan het ambulancevoertuig met het cijfer 3 hangt de Belgische vlag.

Krachtens de verdragen van de Vredesconferentie van Den Haag van 18 oktober 1907 was Nederland als neutrale staat verplicht de militairen zo snel mogelijk te ontwapenen, het materieel en paarden in beslag te nemen en de manschappen zo ver mogelijk van het oorlogstoneel te interneren. De organisatie hiervan voor ongeveer 35.0000 man was  voor in verhouding kleine militaire contingent in Hulst bepaald geen sinecure. De enorm wanordelijke binnenkomst van duizenden manschappen tegelijk maakte een afdoende identificatie onmogelijk. Een zakboekje of identiteitsplaatje was al heel wat, maar velen konden of wilden zich niet legitimeren. Bij gebrek aan beter werden ook het bezit van kogels of schotwonden als ‘bewijs van ‘ militair zijn’ getoond. Om het nog moeilijker te maken bevonden zich onder hen als militair uitgedoste burgers en als burger aangeklede militairen.

Met een snelheid, die ten aanzien van de Belgische burgervluchtelingen nog niet vertoond was, besloot het kabinet op 10 oktober tot het oprichten van een aantal permanente  interneringsdepôts en gaf aan het vervoer van militairen de hoogste prioriteit 26. 

Afbeelding 34 (digitaal.dezb.nl recordnr. 24160)
Aan de voet van de stadhuistoren in Hulst ligt een slordige berg in beslag genomen schiettuig ‘onder zeil’. Tegen de muur rechts is een stapel geweren horizontaal opgetast. De fotograaf heeft het tafereel gekiekt vanaf het westen van de Grote Markt in de richting van de panden aan de oostkant.

Het uitvoeren van het kabinetsbesluit van 10 oktober werd op heel kenmerkende wijze op het bordje gelegd van de pas aangestelde ‘regeringscommissaris’ Ruys de Beerenbrouck. De opdracht, die hij meekreeg kon niet vager worden verwoord: stel de regering tot juist en snel handelen in staat. Vervolgens was deze specifieke portefeuille verre van duidelijk door het ontbreken van een duidelijke taakomschrijving en afbakening van zijn bevoegdheden ten opzichte van de andere organen ter zake. Het door hem snel op te lossen nijpende probleem van de in oost Zeeuws-Vlaanderen binnengekomen en in Hulst geconcentreerde Belgische militairen werd door vier factoren danig verergerd.
1. Het aantal militaire vluchtelingen werd vele malen overtroffen door de uitgeweken burgers.
2. Het overbrengen naar de interneringskampen kampen kon alleen maar plaatsvinden over de Schelde.
3. Er waren lang niet voldoende vaartuigen te krijgen.
4. Het navigatiesysteem voor de rivier (lichtbakens en betonning) was vanwege sluiting van de rivier voor schepen van oorlogvoerende landen uitgeschakeld.

Blijkbaar beschikte de regeringscommissaris over veel improvisatietalent, want hij wist deze logistieke puzzel organisatorisch perfect op te lossen. Op zondag en maandag (11 en 12 oktober) had het gros van de ‘benauweriks’ 27 de overkant van de rivier al bereikt. Naar de menselijke maat kon bij deze bliksemoperatie niet worden gekeken. Waar mogelijk geschiedde het vervoer per stoomtram en verder te voet naar Terneuzen of Breskens en per schip naar Vlissingen of Dordrecht voor verdere verspreiding over het land 28.

Afbeelding 35 (De Roodt, blz. 27)

Ontkomen aan en lichamelijk en geestelijk getekend door het helse vuur bij de beschieting van Antwerpen, gevlucht naar het nabije oost Zeeuws-Vlaanderen, overnacht in erbarmelijke omstandigheden in en rond Hulst, was de lijdensweg voor de Belgsiche krijgsgevangenen nog niet voorbij. Per tram of te voet werden zij  noordwaarts gedirigeerd om vandaar de Westerschelde over te steken. Op de foto staat een groep Belgische militairen aan wal in Vlissingen, wachtend op transport naar een interneringskamp. Van lijfsbehoud waren zij verzekerd, maar de omstandigheden onderweg naar de voorlopige kampen  en in deze depots zelf waren  allesbehalve florissant.

Enkele schepen, waarmee militairen over de rivier werden gezet, brachten dankzij het doortastende optreden van Ruys de Beerenbrouck een welkome retourlading voor Hulst mee aan dekens, kleding, voeding en de geneeskundige assistentie van enige Leidse semiartsen voor de twee overvolle kraamkamers in  het pensionaat van Baudeloo te Hulst. Opnieuw – we zagen het reeds eerder – had het transport van goederen en personen ten bate van de vluchtelingen deels plaats met auto’s uit het wagenpark van Hare Majesteit.
Met de overtocht van de militairen naar hun interneringskampen was maandagavond aan het ene urgente probleem een eind gekomen. Als gevolg hiervan echter was het andere, de onmetelijke massa aan ingekomen vluchtelingen, intussen verder aangegroeid.  Het aantal zou gedurende het weekeinde van 10 en 11 oktober zijn gestegen tot het onwaarschijnlijke getal van zo’n 100.000 personen. Met de moed der wanhoop werd gespeurd naar nog meer onderkomens voor de nacht. De burgemeester verordonneerde de herbergen en koffiehuizen ter stede – dat waren er toen heel wat -om hun gelagkamers open te stellen als nachtverblijf. Op het stationsemplacement dienden nu ook waggons van de spoorwegmaatschappij Mechelen-Terneuzen als onderkomen. Een aantal in de stad gelegerde soldaten stond bereidwillig zijn – overigens schamele – slaapplaats af in de ‘ruime hooggewelfde protestantse consistoriekamer’ en op de (toen nog houten) zoldering van het middenschip van de kerk 29.

Afbeelding 36
(foto tentoonstelling ‘Spoorloos’, oudheidkundige kring De Vier Ambachten, Hulst 2021)

Behalve het doorgaande  spoor langs het perron beschikte het stationsemplacement in Hulst ook over een paar opstelsporen, bestemd voor het in- en uitladen van goederenwagons en het (nachtelijk) opstellen van treinstellen. In oktober 1914 konden op deze sporen wagons worden geplaatst voor de opvang van vluchtelingen. Het was in meerdere opzichten verre van comfortabel, maar gold in het beruchte weekeinde van 11 en 12 oktober 1914 als een uiterste poging  om onderdak te bieden.

Het aangrijpende relaas van de pastoor van Nieuw-Namen geeft een inkijkje in de mensonterende omstandigheden, waarin de Belgen moesten overnachten. De pastoor had zijn hele kerk van boven tot onder open gesteld als nachtleger, maar hij durfde zijn godshuis bijna niet meer te betreden.
Dag en nacht was het eene onafgebroken doortocht van duizende en duizende menschen met pakken en zakken en kleine kinderen op den rug, elkander naauw opvolgende wagens en rijtuigen met oude menschen, zieken, vrouwen, kinderen duizenden te voet uitgeput van vermoeijenis of op fietsen, die doortrokken naar Hulst Graauw Lamswaarde Hontenisse etc. of wel niet verder meer konden gaan van uitputting en hier maar tegen den grond bleven liggen.
Alle huizen, zolders, schuren, afdaken, bergplaatsen waren opgepropt. Zij die geen onderdak konden vinden zochten eene schuilplaats tegen de huizen of graanmijten etc. Op de groote hofsteden van v. Duijse Ferket etc. lagen bij ieder volgens schatting 700 a 800 menschen geborgen. ‘S nachts sliepen er 1000 in de kerk met kruiwagens, fietsen honden etc. etc. en als ik s nachts naar de kerk ging om te waken was de lucht er zoo verpestend dat ik niet langer dan vijf minuten er in kon blijven. Mijne pastorie lag ook helemaal van onder tot op de vliering vol van allerlei vreemdelingen, priesters, religieusen, rijken en armen en ook in de schuur zaten drie huisgezinnen
(…) Die toestand heeft hier meer dan eene week geduurd en verbeterde eenigszins doordien de overtollige massa verder Zeeland introk, al hoewel toch alhier nog duizenden bleven, want ik heb hier in mijne pastorie gedurende twee maanden plusminus veertig personen gehuisvest[ note]Lucier-Praet, blz. 106-107[/note].

Ondanks de uiterste inspanningen kon niet worden voorkomen, dat zeer velen de eerste nachten onder de blote hemel lagen. In de hele stad waren de trottoirs opgevuld met ongelukkigen, aan wie enkel wat stro op de stenen ondergrond geboden kon worden als nachtleger 30. Het koude maar droge en vorstvrije weer werkte daarbij wel een beetje mee. Na het verdwijnen van de Belgische militairen naar de interneringskampen begon het transport van burgervluchtelingen naar elders in Nederland op gang te komen. Weldra reden er per dag vier speciale treinen van de maatschappij ‘Mechelen-Terneuzen’ naar Terneuzen en stoomde de tram ‘Hulst-Walsoorden’ richting Westerschelde voor de overzet naar Vlake. De voorkeur van de centrale overheid ging begrijpelijk nog steeds uit naar een terugkeer naar België. Om dit te stimuleren kregen de thuisvaarders voor hun terugreis gratis vervoerbewijzen voor de trein. Dit gebeurde overigens pas, nadat regeringscommissaris hiervoor bij het kabinet aan de bel  had getrokken.

Terwijl de abnormale toestand nog steeds voortduurde, kwam het Hulster steuncomité op 16 oktober bijeen om de voorgaande dagen te evalueren. De vergadering besloot drie subcomités 31 toe te voegen, voor ziekenverpleging, voor kraamvrouwen en voor kinderen. De capaciteit van de opvang werd uitgebreid naar een der bolwerken,  waarin een ziekenbarrak werd geplaatst en twee grote tenten geplaatst. De burgemeesters van Hulst, Axel, Sas van Gent en Bergen op Zoom hadden namelijk een telegram ontvangen, dat op rijksrekening eenvoudige tenten konden worden opgericht. De gaarkeuken, die tot dan toe zijn werk in de stalling van George Vogelvanger had gedaan, werd naar een van deze tenten overgebracht. Er kwam ook nog een houten loods te staan voor de opslag van voeding en voor gebruik als kinderspeelzaal 32.

 

Afbeelding 37 (digitaal.dezb.nl recordnr. 24161; foto oktober 1914)

De gemeente en het steuncomité kregen veel logistieke ondersteuning van het 3e regiment infanterie, dat in Hulst gelegerd was. De intendance, verantwoordelijk voor de administratie van de verzorging van het regiment, had hiervoor kantoren ingericht bij onder meer particulieren. Hier zijn een sergeant-majoor en een sergeant-fourier aan het werk in hun ‘huiskamerbureau’ in een – niet meer bestaand  – pand  in de Lange Bellingstraat (nu huisnr. 12).

Laatste updates

Datum

04-08-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

De galerij  ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’ is aangevuld met twee foto’s uit het Zeeuws Archief.

Datum

05-07-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuwe galerij toegevoegd, getiteld ‘Hoogwelgeboren Hugenoten in Hontenisse’, over de adellijke familie Collot d’Escury.

Datum

03-2024

Uit de categorie ‘Historische Fotogalerij’ verplaatst naar ‘Hulst Historisch Kort’:

De fotogalerij Veertig jaar veelkleurigheid over de schilderingen in het katholieke deel van de kerk te Hulst omgewerkt tot artikel.

Datum

01-2024

In de categorie ‘Historische Fotogalerij’:

Nieuw artikel ‘Hulst 1914-1918’, een neutraal grensgebied in de ‘Eerste Wereldoorlog’.

Datum

12-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over De Heilige Kindsheid uitgebreid met beeldmateriaal en beschrijving van Kindheidsoptochten in de kernen.

Datum

11-2023

In de categorie ‘Hulst Historisch Kort’:

Artikel over Casimier Lambin grondig herzien en uitgebreid, met name met aanvullende informatie uit zijn faillissementsdossier.

Uw inschrijving kon niet worden opgeslagen. Probeer het opnieuw.
U bent met succes aangemeld voor onze nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief